Columnsylvia witteman

Job van Tol heeft daadwerkelijk iets te vertellen, over Artis nog wel, de fijnste plek van Amsterdam

null Beeld

‘Ach, verscheen er nog maar eens een echt fijn boek’, verzucht ik geregeld boven de zoveelste oervervelende dystopische ideeënroman over de uitwassen van de sociale media/het gevaar dat schuilt in meritocratie/iets met gender, huidskleur, incest of obesitas/ennui in het nieuwe einde der tijden, van wéér zo’n polder-would be-Jonathan Safran Foer, Zadie Smith of David Foster Wallace met moeilijke blik in de ogen en ironisch bedoelde Zeeman-gympjes aan de voeten. (Oké, dat boek van Tobi Lakmaker was best leuk, maar u begrijpt wat ik bedoel.)

Het was dan ook met een zucht van verlichting dat ik De oppasser van Job van Tol opensloeg. Van Tol is dierenoppasser, dus die hoeft geen maatschappelijk urgente plotjes bijeen te fabuleren boven een mok lauwe havermelklatte, nee, hij heeft daadwerkelijk iets te vertellen, over Artis nog wel, de fijnste plek van Amsterdam.

Alleen al de foto op het omslag! Oppasser Houtman, een voorganger van Van Tol, ruim een eeuw geleden, met een aapje in zijn armen. Die oppasser ziet er een beetje uit als zo’n soldaat uit de Eerste Wereldoorlog die met shellshock uit de loopgraven is gekomen en in een gesticht vruchteloos om zijn moeder ligt te roepen, maar zulke koppen hadden mannen nu eenmaal vaak in die tijd.

Het aapje, Mafuka, daarentegen, heeft een gezichtje om voor te sterven van liefde, zo vriendelijk, dapper en vol vertrouwen. Mafuka kon touwtjespringen, koffiemalen, de vloer dweilen en een kruiwagen rijden. ‘Hij was zóó schrander dat hij op tijden dat mijn vrouw mijn eten bracht naar ’t hek ging, het leege schaaltje heen en het volle terugsleepte’, aldus oppasser Houtman in de Bredasche Courant, 26 april 1923.

Verrukt las ik ook over het nijlpaardje Herman jr., geboren in 1865. We komen te weten hoe men in de 19de eeuw een weesnijlpaardje wist groot te brengen. De oppassers ‘maakten gebruik van een lap of sok die ze om hun hand bonden en vervolgens in de melk doopten zodat het nijlpaard de melk eruit kon zuigen’. Er is een (heerlijke) foto bij.

Die arme Herman, het liep slecht met hem af. Hij werd naar Londen gestuurd, waar brand uitbrak in zijn verblijf. Toen het vuur gedoofd was, trof men Herman jr. morsdood aan tussen de stukken puin. ‘Toen (de zöoloog, SW) dr. Crisp constateerde dat één helft van het nijlpaard volledig geroosterd was konden hij en zijn collega’s zich niet beheersen (…) ze sneden voorzichtig de krokante korst van het geroosterde deel los en verdeelden het perfect gegaarde stuk vlees. Herman jr. bleek heerlijk.’ Dat die man ook nog ‘Crisp’ heet, maakt het verhaal wel echt af, vind ik.

Maar u moet het allemaal zelf maar lezen. De erotische belevenissen van Willem de Wisent, de sigaren rokende orang-oetan en de oppasser die bijna een arm kwijtraakt aan een boa constrictor: hij wordt gered door de werkster, die eerst niet durft maar uiteindelijk de slang ‘bevend begint af te wikkelen’, waarna de oppasser opmerkt: ‘Ach, je weet hoe vrouwen zijn hè? Maar zo’n boa constrictor is een heel ding, hoor.’

‘Ja, allemaal leuk en aardig, maar dieren horen in de vrije natuur’, zegt u nu. U moet zelf maar lezen wat Job van Tol daar voor steekhoudends over schrijft. De vrije natuur is ook niet alles, mogen we concluderen, en Artis is een uitstekend alternatief.

Voor de zekerheid ben ik het nog even gaan vragen aan de kleine olifant. Zijn moeder kreeg juist een manicure die ze met welbehagen onderging en zelf zei hij, ik citeer: ‘Het is hier heel leuk. Geef me die appel. Geef hier.’

Meer over