'Jij bent ook een dier...'

De Amerikaanse toneelschrijver Edward Albee regisseert in Amsterdam 'The Zoo Story', zijn eerste stuk. Daarin werpt hij de vraag op waar de dierentuin zich eigenlijk bevindt: binnen of buiten de hekken....

OP STRAAT ONTGAAT hem niets. Hij zwaait naar de producer die langs fietst en ons niet eens ziet. Mauw, mauw, doet hij naar een zwarte kat die een paar meter verder langssjokt. De toneelschrijver die in 1962 wereldberoemd werd met Who's afraid of Virginia Woolf miauwt en klakt met zijn tong tot het beest nadert en zich even laat aaien. Hij vraagt waarom de honden in Amsterdam zo eenkennig zijn, in Amerika groet hij de honden, die altijd kwispelend aan komen lopen. Hier niet. 'Op de een of andere manier zijn het eenpersoonshonden. Ik blijf wel tegen ze praten, maar ze reageren niet zoals ik gewend ben.'

Hij wijst naar de fitnessclub waar hij vier keer in de week traint. 'Ik zou niet weten hoe je anders gezond moet blijven.' Van zijn alcoholprobleem is hij af - al 25 jaar drinkt en rookt hij niet meer. Hij maakte er nooit een geheim van, net zo min als van zijn homoseksualiteit. 'Ik schaam me nergens voor.'

Eenenzeventig is hij nu, maar hij loopt nog met de verende tred van een jonge man. Een verzorgd snorretje, kort grijs haar, donkere ogen achter een enorme uilenbril die hij onophoudelijk omhoog duwt. Dankzij zijn jeans en T-shirt schenk je hem zeker tien jaar. Tijdgenoot van Arthur Miller en Harold Pinter. Hij kent ze persoonlijk: 'We zijn erg bezig met Turkije. We blijven kritiek leveren op de manier waarop ze de Koerden behandelen.'

Edward Albee is in Nederland op uitnodiging van impresariaat Gislebert Thierens. Voor het eerst werkt hij hier als regisseur. De schrijver doet Zoo Story in een vrije productie met Victor Löw en Leslie de Gruyter. In Het verhaal van de dierentuin (de oervertaling van Gerard Reve) draait het om de vraag waar de dierentuin zich eigenlijk bevindt, binnen of buiten de hekken. Het was zijn eerste toneelstuk, dat hij veertig jaar geleden schreef. 'Het was een cadeautje aan mezelf aan de vooravond van mijn dertigste verjaardag.' Het was ook het eerste stuk waar hij erkenning voor kreeg. De première in 1959 was in Berlijn, op één avond met Krapp's last tape van Beckett. Een jaar later stonden dezelfde twee stukken in New York.

In het repetitielokaal hangen de acteurs aan zijn lippen, ze controleren of ze zijn Engels goed hebben begrepen, zoeken naar woorden om zichzelf duidelijk te maken. Albee let op elk detail. 'Dat mes, geef 'ns hier', gebaart hij naar acteur Leslie de Gruyter. Met gestrekte arm houdt hij het voor zijn borst, de pols gebogen, hoger, wat lager. Het moet er stuntelig uitzien en dreigend tegelijk. Want Peter, die het mes uitsteekt - toonbeeld van burgerlijke gehoorzaamheid - hanteert niet dagelijks het steekwapen.

De schrijver knipt het lemmet in het heft. 'Doen we nog één keer het slot?' De Gruyter strekt zijn rug en Victor Löw springt op. Hij is de ongrijpbare Jerry. Vijf minuten later zakt Löw neer op de bank met het mes in zijn buik: 'Peter, je bent geen slappe plant. Alles is in orde met je, je bent een dier. Jij bent ook een dier. . .'

Is Albee na al die tijd niet op het stuk uitgekeken? 'Iedere keer als ik het regisseer, is het anders omdat ik werk met andere acteurs. Je bereikt hetzelfde resultaat via andere wegen.' Naast het schrijven regisseert hij regelmatig. 'Van de 25 stukken die ik schreef, heb ik er 15 zelf geregisseerd. De eerste opvoering van elk nieuw stuk regisseer ik het liefst zelf. Ik wil dat het publiek precies hetzelfde te horen en te zien krijgt als ik toen ik het schreef. Veel regisseurs plooien je tekst te veel naar hun eigen obsessies. Voor mij moet een voorstelling vooral het bewijs leveren dat het een goed stuk is.'

In Zoo Story zit een man, Peter, op zondagmiddag in Central Park rustig een boek te lezen. Hij wordt aangesproken door een zekere Jerry die hem het hemd van het lijf vraagt, een beetje jent en uitzinnige verhalen vertelt. Gaandeweg wordt de sfeer grimmiger en tot slot jaagt Jerry de brave Peter van zijn bank. Peter wordt razend, wil vechten, Jerry haalt een mes uit zijn zak en gooit het Peter toe. Die houdt het omhoog om zich ermee te verdedigen, maar Jerry loopt recht op het mes in en sterft.

Albee brengt het stuk als double-bill met Oude Vrienden, een eenakter van een van zijn studenten uit Houston, waar hij al jaren lesgeeft. Hoewel hij als regisseur nooit knoeit aan zijn teksten, net zo min als hij dat een ander toestaat, heeft hij ditmaal wel degelijk iets veranderd. 'Toen ik het stuk schreef was Jerry vanaf het begin vastbesloten om zelfmoord te plegen. Nu beslist hij dat op het laatste moment.' Tijdens de repetitie boetseert hij Victor Löw als het ware naar dat cruciale ogenblik waarop hij het uitgestoken mes van Peter ziet en besluit: oké, waarom niet. Jerry gruwt van de braafheid van Peter, weet zich geen raad met zijn eigen leven, en met gespreide armen loopt hij de dood in.

Albee laat zijn spelers aanvankelijk helemaal vrij, zegt hij. 'Maar die vrijheid moet wel leiden naar een resultaat dat er precies zo uitziet als ik wil. Een heleboel jonge acteurs maken van Jerry een man die vervuld is van zelfmedelijden. In uptempo. Dat is fout, fout. Ik heb Victor drie, vier weken lang gezegd, langzamer, langzamer. Hij wilde ook snel. Juist die lijzige toon maakt indruk. Tegen de tekst in spelen is altijd mooier.'

Kom bij hem niet aan met de theorie dat een tekst brandstof is voor een voorstelling, de toneelschrijver is volgens hem de spil van een productie. Niet dat je als schrijver ooit de erkenning krijgt die je verdient. De Amerikaanse critici vindt hij oppervlakkig en dom. 'Maar', voegt hij daar met een lachje aan toe, 'iedere toneelschrijver vindt hetzelfde: als ze houden van je werk, zijn ze intelligent, als ze er niet van houden, zijn ze stupide. Ik zou alleen willen dat er meer critici waren waar ik iets van kon leren. De meeste voorspellen alleen hoeveel weken zo'n stuk zal lopen.'

De Strindberg van Amerika werd hij genoemd na Virginia Woolf, het ijzingwekkende portret van een huwelijk, verfilmd met Elizabeth Taylor en Richard Burton in de hoofdrollen. Ook daar lijkt de huiskamer een leeuwenkooi. Dat wereldsucces heeft hij met zijn latere stukken (In wankel evenwicht of Alles voor de tuin) nooit geëvenaard, ondanks de Pulitzerprijzen die hij ervoor kreeg. In de jaren tachtig was zijn ster zelfs zo diep gezonken dat men in Hollywood spottend zei dat je 'bij een luchtaanval vlak naast Albee moest gaan staan, hij heeft in geen jaren een voltreffer gehad'.

Hij haalt er zijn schouders over op. 'Iedere schrijver heeft een of twee bekende stukken. Daar kun je blijkbaar weinig aan doen. Kijk naar O'Neill: A long day's journey into the night; Arthur Miller, Death of a salesman, Tennessee Williams, A Streetcar named Desire. Daarmee werden ze beroemd, al zijn het niet noodzakelijk hun beste stukken. Ik vind Virginia Woolf heel goed, maar het is niet per se zoveel beter dan andere stukken die minder bekend zijn.'

Nooit heeft hij een knieval gedaan voor de gunst van het publiek. Het commerciële theater in New York? 'Ik negeer het en het negeert mij. Ik heb altijd geschreven wat ik wil.' Broadway vindt hij een verschrikking. 'Het is overbodig amusement, serieuze stukken krijgen er geen kans. Maar er zijn betere plekken in New York en daarbuiten. Hoe kleiner het theater, hoe beter het stuk. Je houdt als toneelschrijver een spiegel op: kijk, dit is de manier waarop jullie je gedragen, zo gaan jullie met elkaar om. Als je het niet leuk vindt, waarom verander je dan niet? Maar dat willen ze niet, natuurlijk niet. Daarom zijn serieuze stukken niet populair.'

Kunst moet volgens hem een uitspraak doen over de wereld. Onvermoeibaar laat hij zien wat voor kannibalen wij zijn, hoe beestachtig we ons gedragen. Al werd de formule van Virginia Woolf door een hoop mindere talenten geïmiteerd in een stroom stukken waarin echtparen elkaar met veel drank op geestelijk bevochten in lange, doorwaakte nachten, het stuk hoort nog steeds tot de meest gespeelde van deze eeuw. Huwelijken als 'een goed geventileerde hel', ouders, kinderen, ze blijven opduiken in zijn werk. Geen kind voldoet aan de verwachtingen, geen ouder houdt van zijn kroost. In De droom van Amerika wordt een geadopteerd 'keuteltje' door de adoptiemoeder in mootjes gehakt. In Wie is bang voor Virginia Woolf is de verzonnen zoon het bindmiddel in het huwelijk tussen Martha en George.

Zelf werd hij in 1928, twee weken oud, geadopteerd door een rijk New Yorks echtpaar dat zelf geen kinderen kon krijgen. De vader, een bon-vivant, bezat een aantal variététheaters, de moeder, ex-mannequin, was een stuk jonger. Ze was mooi, goed gekleed, dol op paarden, maar geen warme moeder. De enige die zich om het kind bekommerde was de inwonende grootmoeder. Zij maakte hem vertrouwd met klassieke muziek en vervolgens sloot de jongen zich grote delen van de dag op met zijn platenspeler. Edward voelde zich 'gekocht' en omdat hij niet voldeed aan de verwachtingen voelde hij zich een miskoop.

Op zijn negentiende ging hij het huis uit om er nooit meer terug te keren. Pas toen hij een bekende schrijver was, verzoende hij zich min of meer met zijn moeder. 'Niet uit affectie, vooral uit beleefdheid.' Meer dan de universiteit werd Greenwich Village zijn leerschool. 'In de jaren vijftig was dat echt een dorp. We kenden elkaar allemaal, schilders, schrijvers, componisten. Iedereen werkte hard, we zagen wat een ander deed, 's nachts troffen we elkaar in het café. Het was heel collegiaal en stimulerend. We stonden nog aan het begin, hadden allemaal een soort onschuld. Dat is voorbij, nu heeft iedereen een agent. Ook de mensen die nu beginnen hebben dat soort onschuld niet meer.'

Zelf wist hij al heel jong dat hij dichter wilde worden. Vanaf zijn achtste tot zijn 26e schreef hij poëzie, tot hij de kans kreeg zijn werk voor te leggen aan Thornton Wilder, in Amerika een gevestigd auteur. 'We zaten op een mooie avond aan de oever van een meer, hij las mijn gedichten, besprak ze een voor een en vroeg tot slot of ik ooit aan het schrijven van toneel had gedacht. Ik denk dat hij mij via een omweg wilde genezen van de poëzie - waar hij trouwens gelijk in had, ik was niet goed genoeg. Aan toneel had ik zelf nooit gedacht.'

En film? 'Ik heb ooit twee filmscripts geschreven, dat is niets voor mij. Het is een visueel medium, een schrijver is bij film niet belangrijk. Anderen schrappen naar believen of ze ontslaan zelfs de schrijver. De Amerikaanse films in vliegtuigen kan ik moeiteloos volgen als ik het geluid uitzet. Probeer dat eens met een serieus stuk. Dus besloot ik geen scenario's te schrijven. Bovendien, als ik ergens geen vertrouwen in heb, ben ik er niet goed in.'

Plannen voor zijn stukken draagt hij vaak jaren mee in zijn hoofd. Aantekeningen maakt hij nooit. 'Stel je voor dat ik op een ochtend wakker zou worden zonder idee. Ik zou niet weten wat ik moest beginnen.'

Hoort hij zijn personages spreken? 'Dat is de grap die wij met onszelf spelen. Natuurlijk kunnen die figuren niks zeggen, ze zitten in ons hoofd. Maar wij moeten doen alsof ze echt zijn. Om hen te laten zeggen wat wij willen dat ze zeggen. Net als een kind doet met poppenkastpoppen.'

Het schrijven zelf - nog altijd met de hand in een onleesbaar handschrift - gaat uiteindelijk heel geconcentreerd, in een paar maanden. 'Dan is zo'n idee kennelijk verhuisd van het onbewuste naar het bewuste en moet ik het kwijt.'

Albee voelt zich een geëngageerd kunstenaar. 'Als schrijver moet je politiek betrokken zijn. Je moet je toch zorgen maken over wat er in de wereld gebeurt? In de Verenigde Staten komt het gevaar van rechts: de religieus conservatieven, de republikeinen, die willen geen welvaart voor iedereen. Een wereld alleen voor de rijken, dat is schokkend. De Amerikaanse samenleving bestaat uit mensen die erg tevreden zijn met zichzelf en alleen geven om comfort en luxe, dat maakt het allemaal nog gevaarlijker. De democratie is fragiel. Niet alleen macht corrumpeert, geld doet dat ook.'

Maar hij dan? Het succes van Virginia Woolf heeft hem toch geen windeieren gelegd? 'Ik hoef niet uit bedelen, gelukkig. Ik kan me inderdaad een en ander permitteren. Zo heb ik 35 jaar geleden op Long Island een plek gecreëerd voor jonge kunstenaars, beeldhouwers, schilders en componisten. Die kunnen daar in de zomermaanden wonen en werken zonder financiële zorgen. Kijk, ik ben zelf ook ooit begonnen, ik had geen cent, ik was arm maar gelukkig. Maar je moet je als kunstenaar wel kunnen ontwikkelen. Daar draag ik zo misschien wat aan bij.'

Meer over