BoekrecensieMinisterie van Verbeelding

Jet Bussemaker schrijft persoonlijk, verhelderend en buitengewoon integer over haar jaren in Den Haag ★★★★☆

Nuchter en zonder rancune blikt oud-minister Jet Bussemaker terug op haar tijd in de politiek in een buitengewoon integer boek. Haar ervaringen zijn even schilderachtig als deprimerend.

null Beeld Balans
Beeld Balans

Ze zat nog niet lang in de regering toen ze besloot af te rekenen met de gehate vijfminutenregistratie in de thuiszorg. Als antwoord op het duimendraaien was bedacht dat een wijkverpleegkundige over elke vijf minuten werktijd tekst en uitleg moest verschaffen. Jet Bussemaker kon de regeling de deur uitdoen, omdat ze erover ging, ze was immers staatssecretaris van Volksgezondheid en had zich voorgenomen in deze hoge functie ‘bezield’ te werken, hetgeen om te beginnen betekende dat ze korte metten zou maken met maatregelen die de stompzinnige regelzucht van overheden verrieden. Zoals de vijfminutenregistratie.

Twaalf jaar geleden, in 2009, schafte ze de regeling af, althans in principe. Haar opvolger kondigde een ‘meldpunt minutenregistratie’ aan, in afwachting van afschaffing. De daaropvolgende staatssecretaris – het was intussen 2016, niets is onverbiddelijker dan de tijd – kondigde een plan aan om ‘de administratieve last in de wijkverpleging te verminderen’. Het werd 2018 en de nieuwe minister kondigde aan dat hij de vijfminutenregistratie ging afschaffen. Eind 2020 stuurde hij een brief aan de Kamer over ‘vermindering van de administratieve last rond de vijfminutenregistratie’. Zulks geheel conform het ‘Actieplan (Ont)regel de zorg’. Voortaan, schreef de minister, geldt ‘zorgplan=planning=realisatie, tenzij’. Of nóg helderder: ‘z=p=r,t.’

Vermorzelde idealen

Wie wil begrijpen waarom in Nederland het plaatsen van een prik in een bovenarm een opgave zonder precedent is, moet Ministerie van Verbeelding lezen, het boek waarmee oud-politicus Jet Bussemaker (1961) terugkijkt op een verblijf van twintig jaar in Den Haag, als Kamerlid, staatssecretaris en minister. Haar verhaal gaat over vermorzelde idealen in de politieke praktijk. In 2009 had Bussemaker bijvoorbeeld ‘keukentafelgesprekken’ ingevoerd: vanuit de gemeenten zouden mensen die zorg behoefden thuis worden opgezocht, voor een informeel en vertrouwenwekkend overleg. Bussemaker: ‘Tien jaar later is het keukentafelgesprek verworden tot een ‘zelfredzaamheidsmatrix’, een Excelsheet waarop antwoorden afgevinkt moeten worden.’

Bussemaker schrijft nuchter en zonder rancune, hetgeen op zichzelf een felicitatie waard is. Ze schrijft dat ze nog steeds in idealen gelooft. ‘De politiek is langzaam onttoverd’, staat er. Een paar alinea’s verder: ‘De onttovering heeft mij niet cynisch gemaakt.’ Haar ervaringen zijn intussen even schilderachtig als deprimerend.

Als staatssecretaris van Volksgezondheid en als minister van Onderwijs en Cultuur zag ze een stoet aan organisaties en instellingen aan zich voorbijtrekken die vooral met de eigen grandeur bezig waren. De bestuurders van gehandicaptenorganisatie Philadelphia, traditioneel een onderkomen voor voormalige CDA-politici, deden aan grootschalige projectontwikkeling. Het bestuur van Hogeschool Inholland zetelde op wat men zelf een ‘executive floor’ noemde. Bussemaker: ‘Ze verwaarloosden allemaal hun kerntaak, het verlenen van goede zorg en goed onderwijs.’

Het hart van de verzorgingsstaat

En de minister, wat deed dan de minister? Sloeg die niet al die zelfingenomen kerels met de koppen tegen elkaar? ‘De politiek wordt wel voor alles verantwoordelijk gehouden’, schrijft de oud-politicus, ‘maar ze is nauwelijks in staat die verantwoordelijkheid in de praktijk te brengen.’ Wat Bussemaker laat zien, is hoe ongeschikt de politiek is geworden om verandering te bewerkstelligen. Ze benoemt het ook: ‘Hoe langer en dieper je in de ambtelijke beleidsprocessen zit, hoe moeilijker het wordt te bedenken dat het anders kan.’ Als ze als onderwijsminister met individuele leraren sprak, was dat doorgaans informeel. Maar de leraren als groep zijn van de vakbonden. En de schoolbesturen zijn van de koepels. Dan is er de inspectie, er is het college voor toetsen en examens, er is de organisatie voor accreditatie van opleidingen – noem het en het is er. ‘De overheid is nauwelijks bij machte al die organisaties te domineren’, noteert Bussemaker droog.

Met het werk van de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum in de hand laat ze zien hoe het anders moet: ‘We moeten op zoek blijven naar het hart van de verzorgingsstaat. (…) Het hart is niet alleen een warm kloppend teken van leven, het is evenzeer een aanduiding van eenheid.’ Elders wijst ze ook op de Israëlische filosoof Avishai Margalit en diens opvatting dat het een kenmerk is van een beschaafde samenleving dat mensen niet door instituties worden vernederd. In nog steeds dezelfde droge stijl noteert Bussemaker: ‘Voor veel burgers is de verzorgingsstaat helaas een slagveld geworden.’

Ze schreef een verhelderend, persoonlijk en buitengewoon integer boek. Maar om met Huizinga te spreken: als lezer blijf je achter in ‘verstomping en verdwazing’.

Jet Bussemaker: Ministerie van Verbeelding – Idealen en de politieke praktijk. Balans; 280 pagina’s; € 22,99.

Meer over