JEAN PIERRE RAWIE

Jean Pierre Rawie, opgegroeid in het gehate Winschoten, werd op slag beroemd na een tv-optreden bij Sonja Barend. De kritiek moest niets hebben van zijn sonnettengesnotter, maar het grote publiek sloot de dichter in de armen....

EEN veelschrijver is hij nooit geweest, 's lands meest populaire dichter, Jean Pierre Rawie. Een gedicht is in zijn ogen een zeldzame gift van de Muze, een godsgeschenk. Als een van de weinigen blijft hij trouw aan de romantische idee van de inspiratie. Zijn gedichten worden hem 's nachts gedicteerd 'in een met boeken volgestouwd vertrek', als hij zich concentreert op de troostende aanblik van een schedel, de flikkeringen van een kaars en het gestaag neervallen van het zout in een zandloper.

Jan Pieter Rawie, zoon van een doopsgezinde luchtmachtpredikant, werd in Den Haag geboren. Als een ziekelijk en wat verwend jongetje groeide hij op in het later door hem vervloekte Winschoten. Hij studeerde, gekleed als een negentiende-eeuwse landjonker, in Groningen. Eerst Russisch, daarna Italiaans en Roemeens. Wat een vakopleiding voor vertalers moest zijn, bleek droge wetenschap. Rawie haakte af en legde zich naast het vertalen steeds meer toe op het zelf schrijven van poëzie. Zijn eerste verzen verschenen in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures en in het door hemzelf opgerichte tijdschrift De nieuwe Clercke. In 1979, 28 jaar oud, verscheen zijn eerste bundel, Het meisje en de dood.

Een verwaarloosde blindedarmontsteking leidde drie jaar later tot een langdurig ziekenhuisverblijf. Gelegen aan het infuus schreef hij in een maand de dichtbundel die de naam van zijn afdeling als titel kreeg, Intensive Care. Later in dat jaar trad hij op in een televisieprogramma van Sonja Barend. Rawie declameerde zijn gedicht De paarse tuinbroek: want waar de liefde aan kapot ging,/ maanden na die eerste zoen,/ was dat jij dat paarse rotding/ nooit eens van je kont wou doen. Zijn naam was in één keer gevestigd.

Poëzie was een 'schaamteloze kunstvorm', waarin hij kon schrijven over 'dingen die ik op een andere manier nooit aan zou durven snijden'. In zijn vroege werk bleef Rawie echter, hoe schaamteloos ook, altijd verborgen achter een masker van ironie. De stemming was weliswaar somber en melancholiek, maar er werd veel gespeeld met woorden en gevoelens. Zijn humor balanceerde op de rand van studentikoze flauwiteit: Nu zelfs mijn natste jongensdromen/ zo stuk voor stuk zijn uitgekomen,/ besef ik hoe genadeloos/ het leven mij heeft beetgenomen.

Vrouwen en drank plus een flirt met de dood als gevolg van beide, vormden zijn favoriete onderwerpen. Sonnetten vol hoofse liefde, maar dan wel de mislukte versie. Onvervuld verlangen kon de dichter met de reputatie van 'een wandelende vibrator' niet interesseren: Toen je vanochtend tegen zessen/ terug moest naar je 'echtgenoot',/ nam ik je lege glas en goot/ het vol met wat in lege flessen/ aan droes en drab nog overschoot.

Het was de kater achteraf die Rawie kon gebruiken en veel herinneringen aan 'wonderlijk aanminnige vriendinnen' vonden hun plek in een lyrisch sonnet of rondeel: Nog nooit getrouwd, maar vaak gescheiden,/ een hoop gelazer en getob;/ toch ken ik nog de harteklop/ van elke vrouw waar ik mee vrijde. Een vriendin die hem deelgenoot maakte van haar zelfmoordplannen had als argument: 'Dat zou toch goed zijn voor je werk!'

Geen namen maar 'mevrouw' of 'mijn lieve vijandin', want al te gedetailleerde beschrijvingen zouden de herkenbaarheid voor de lezer in de weg staan. Liever gebruikte Rawie algemene formuleringen en sprak van 'de jaren' en 'de vrouwen' zonder erbij te zeggen om welk jaar of welke vrouw het hem te doen is. Woorden als 'steeds', 'nimmer' en 'dezelfde' behoorden tot zijn vaste idioom.

De kritiek verweet Rawie oubolligheid, archaïsch woordgebruik, een beperkte thematiek en conventionele beeldvorming. Een knieval voor het publiek. Een epigoon van J .C. Bloem en Piet Paaltjens. De criticus van het Nieuwsblad van het Noorden sprak van 'sonnettensnotterij' en adviseerde Rawie als een 'ware dichter' van een brug te springen.

Het publiek dacht er anders over, maar het succes na zijn optreden bij Sonja brak Rawie toch op. Jarenlang stond hij bekend als een lolbroek gespecialiseerd in light verse. Zelfs als hij sprak van doodsverlangen en nachtmerries lag de zaal plat. Begrijpelijk, want zijn rijm was simpel als meid/kwijt of beetje/weet je en de meeste versregels leken ritmisch de berg af te hollen. Maar ondertussen beschouwde Rawie het leven als een 'ernstige aangelegenheid' en zag hij zijn poëzie als de 'rechtvaardiging van mijn bestaan'.

Het doktersadvies om te stoppen met drinken liet Rawie links liggen. Met een gemiddelde van twee liter jenever per dag voltooide hij in 1986 zijn bundel Kwade trouw. Vervolgens tartte hij de goden door zijn drie bundels als een voortijdig verzameld werk uit te geven: Oude gedichten. Vlak voor de presentatie joeg de drank hem opnieuw het ziekenhuis in. De 'als arts geïncarneerde goden' hielden hem deze keer drie maanden vast. Een verwoeste pancreas, een maagaandoening, longontsteking.

Rawie overleefde ternauwernood en zijn collega-sonnettenschrijver Jan Kal schreef in een aan Rawie opgedragen sonnet: Gedoemde dichter, aan de dood ontsnapt,/ en opgestaan – voorwaar een medisch wonder -/ je oeuvre-opbouw kon niet afgeronder/ indien je levensdraad was afgeknapt. Een vroegtijdige dood is goed voor de roem van een romantisch dichter, maar dit plezier gunde Rawie zijn uitgever niet. Hij besloot zijn leven én zijn werk te veranderen. Geen jenever in het café, geen wijn in de gedichten. Dood en liefde waren genoeg.

Het roer was om en gelijk met de drank werd ook de ironie op straat gezet. Zijn onverwachte terugkeer uit het ziekenhuis had zijn idee van 'roeping' nog versterkt. De muze had hem op zijn plicht gewezen, zijn levenswerk was nog niet ten einde. In de bundel Woelig stof en meer nog in de bestseller Onmogelijk geluk werd de toon serieuzer dan ooit. Van somber naar sober, van troosteloos naar troostgevend. Niet langer mocht er gespeeld worden. Ik ondervond het sterven aan den lijve,/ in dagelijkse omgang met de dood;/ ik leef nog; en ik kan er idioot/ genoeg niets dieps of zinnigs over schrijven.

Rawie had ontdekt dat de tijd een mens gegeven zeer beperkt is. Het was 'schijterig' om serieuze dingen niet serieus te nemen. Hoofdzaken, geen bijzaken. Sterfelijkheid is alles en het leven is een 'intens lamlendige vertoning'. Het geklaag om de verdwenen geliefde kreeg gezelschap van het verdriet om de verloren tijd. Alleen de poëzie bracht verlossing, alleen in de poëzie kon de grens tussen leven en dood tijdelijk vervagen.

De lat moest hoger, perfectie was nu het streven. De klassieke versvormen kreeg hij steeds beter onder de knie en zijn gebruik van rijm werd verfijnder. Rawie schreef voor de eeuwigheid en vond het een 'ongehoord troostende gedachte' dat zijn werk na zijn dood nog gelezen zou worden. Experimenten en vrije verzen waren voor dichters die 'nog niet veel te melden' hadden. Het publiek had recht op gedichten met een boodschap, op troost, op mooie woorden over het moeizame leven. Poëzie moest toegankelijk zijn. Poëzie die enkel over het schrijven van poëzie ging, was 'boerenbedrog'.

De aftocht van de humor deed de verkoopcijfers, opmerkelijk genoeg, geen kwaad. Het publiek sloot Rawie in de armen en van Onmogelijk geluk werden veertigduizend exemplaren verkocht. Zijn groeiende populariteit bleek ook uit wat Rawie 'de graadmeter van de maatschappelijke relevantie' noemt: de bruikbaarheid van zijn poëzie in rouwadvertenties. Samen met Nel Benschop en Judith Herzberg voert Rawie momenteel deze zwartgekaderde topdrie aan. In een bespreking van het gedicht met de titel Sterfbed sprak Gerrit Komrij van 'terminale citeerbaarheid'. Hij prees Rawies gedicht omdat het in staat was 'de priester en de dominee te vervangen'.

Voor het eerst schreef Rawie over zijn ouderlijk huis: ik ga naar binnen, en ik word weer klein,/ en zeg, als alle goede, grote zonen,/ dat ik gelukkig ben weer thuis te zijn. Ontroerende gedichten waaraan het modernisme met zijn eis van originaliteit geheel voorbij lijkt gegaan. Verrassende beelden of uitdagende vergelijkingen komen er niet in voor. Rawie vindt het belangrijker in een traditie te staan. Niet voor niets neemt hij achter in zijn bundels zelfgemaakte vertalingen van Catullus en Aleksandr Blok op. Toch wil hij niet langer ontkennen in de twintigste eeuw te leven. De medische wetenschap heeft hem wat dat betreft wel wijzer gemaakt.

De zwarte cape en vlinderdas van de Baudelaire van het Boterdiep,/ Verlaine van de veenkoloniën (aldus Jan Kal) zijn vervangen door een driedelig kostuum met horlogeketting. Maar ook deze verschijning beantwoordt aan het wijdverspreide beeld van de romantische dichter. Rawie werd de graag geziene gast achter forumtafel en spreekgestoelte.

Op literaire avonden werd hij de bekende naam die het publiek, na moeizame voordrachten vol cryptische woorden van hermetische dichters, kon geruststellen met verstaanbare gedichten. Gedichten die in ieders oor als gedichten klonken: Het leven volgt een bitter spoor/ langs onverbiddelijke lijnen,/ en wat ik aanzag voor het mijne/ was niet van mij en ging teloor.

Rawie is er de man niet naar om zijn publiek met vragen en twijfels te verwarren. Hij bevestigt en stelt gerust. Met al zijn levensleed en liefdesverdriet geeft hij zijn lezers en toehoorders het gevoel dat zij het nog zo slecht niet hebben. De dichter verlicht hun zorgen door te laten zien dat het weliswaar allemaal veel erger kan, maar dat deze beker aan gewone stervelingen voorbijgaat. Hij drinkt hem leeg in hun plaats, hij neemt hun zorgen op zijn schouders. Jean Pierre Rawie is beleefd.

Vandaag wordt de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie, Geleende tijd, gepresenteerd. Deze verschijnt net als zijn vorige titels Oude gedichten, Woelig stof, en Onmogelijk geluk bij Uitgeverij Bert Bakker.

Meer over