interview

Jean Pierre Rawie: ‘Als dichter moet je jong sterven of heel oud worden. Dus ik weet wat me te doen staat’

Jean Pierre Rawie Beeld Marie Wanders
Jean Pierre RawieBeeld Marie Wanders

Een kleine elite leest, zo is het altijd geweest, constateert dichter Jean Pierre. ‘Je kunt mensen niet dwingen als ze er geen zin in hebben. En de verleiding van de telefoon is kennelijk groot.’

Wat leest u deze zomer?

‘Een van de auteurs wiens verzameld werk altijd binnen handbereik staat, is Karel van het Reve, die dit jaar 100 zou zijn geworden. Het is met zeven delen dik genoeg. Zijn oordeel over de huidige tijd – Poetin, de gewelddadige islam, noem maar op – mis ik deerlijk, al kun je uit zijn werk wel opmaken wat hij ervan gevonden zou hebben. Hij was wars van fanatisme en geestdrijverij. Zijn manier van zindelijk denken en zijn fatsoensopvatting is mij tot voorbeeld in mijn eigen columns voor het Dagblad van het Noorden.’

In Een luchtbel in een vluchtige rivier heeft u 29 gedichten vertaald uit het Spaans, Portugees, Duits, Italiaans, Engels, Russisch, Roemeens en voorzien van uitgebreide toelichting. Hoe is de selectie tot stand gekomen?

‘Tamelijk arbitrair. Het is hoogstens eentiende van wat ik allemaal heb vertaald. Het is mijn persoonlijkste boek. Er staan dingen in over mezelf, mijn visie op poëzie. Over de vreselijke verengelsing, het literatuuronderwijs en de vergankelijkheid. Ik vertel over mijn studiejaren, polemieken en historische weetjes. Het is geen droog boek maar, denk ik, ook onderhoudend. En het heeft mij afgelopen jaar deze vleerpestophokking doorgeholpen.’

Kun je poëzie eigenlijk wel vertalen?

‘Jawel, kijk maar naar mijn boek! Zonder gekkigheid: ik geloof in een goede vertaling, alleen moet het door iemand worden gedaan die er een goed gedicht van kan maken. Zoals ik schrijf, het enige criterium is: A good poem should not be turned into a bad one. En je mag het natuurlijk niet mooier maken dan het origineel. Al is de verleiding soms groot.’

U heeft zich moeten inhouden?

‘Nou, soms denk je: dat zou een ontzettend leuke vondst zijn. Bij een Braziliaans gedicht over een kat kon ik de verleiding niet weerstaan en heb ik het woord ‘mispoes’ gebruikt. Dat staat natuurlijk niet in het origineel.

‘O wacht, nu we het erover hebben, de poezen moeten eten.’ Met lieve stem: ‘B-R-O-K-J-E-S, jongens’. Even later. ‘Dat je ze zo eenvoudig blij kunt maken hè, met een paar vieze brokjes.’

Bent u een dierenmens?

‘Ik vind katten leuk. Mijn vorige kat moest twee jaar geleden worden afgemaakt. Het was daarna zo stil in huis. En mijn vriendin had voortdurend een katvormige leegte om haar heen. Toen gingen we naar het asiel hier in Groningen, maar we kregen zelfs geen kat te zien. Ik wekte blijkbaar wantrouwen, want zo’n gansje vroeg: ‘Zijn jullie eigenlijk wel kattenmensen?’

‘Bijzondere omstandigheden vergen bijzondere maatregelen, dus zijn we naar Drachten gegaan. Daar werden ons meteen twee katten aangesmeerd. Ik probeerde eerst nog te zeggen dat we daarvoor te klein behuisd waren, maar toen zeiden mijn vriendin en die juffrouw van het asiel zoiets van: ‘Dan ga jij toch weg.’ Ik trok snel bij.’

U stelt dat een grondige kennis van de brontaal niet garant staat voor een geslaagde vertaling.

‘Nee, er zijn mensen die aanmerkelijk beter Russisch kennen dan ik, maar het toch minder goed vertalen. Mensen vragen: ‘Er staan negen talen in dit boek, spreek je die allemaal?’ Nee, spreken is relatief. Ik spreek goed Italiaans, maar Portugees is lastiger. Sowieso, die Portugezen miauwen en blazen, dat is heel vreemd. Dat ze elkaar verstaan is een wonder. Al zullen de meeste buitenlanders dat van Nederlands vinden. Uiteindelijk wordt het een Rawie-gedicht. Daarom heb ik het origineel ernaast gezet voor wie het kan lezen, dan kun je verifiëren dat het er wel degelijk staat allemaal.’

U schrijft dat het tegenwoordig mode is van de dichtkunst te eisen dat zij ‘ontregelend’ is. U bent daar niet voor?

‘De functie van poëzie is dat iemand iets herkent en dat het tot steun is. Het is niet voor niets dat poëzie vaak opduikt in rouwadvertenties. Ik vind het bestaan enorm chaotisch zoals het is, daar hoef je in poëzie niets ontregelends aan toe te voegen. Maar er is geen juryrapport voor een literaire prijs waar het woord ‘ontregelen’ niet in voorkomt. Ik had gehoopt dat al die malligheid een keer zou ophouden, maar ik denk niet dat dat in mijn leven nog zal veranderen. En ik verander ook niet.’

Jean Pierre Rawie Beeld Marie Wanders
Jean Pierre RawieBeeld Marie Wanders

Uw poëzie staat ook vaak in rouwadvertenties.

‘Ja, gelukkig wel. Een teken dat mijn werk leeft onder het volk. Beter dan dat ze zelf gaan fröbelen. Dan krijg je dingen als: ‘Haar stoel is leeg, haar stem is stil, eindelijk rust.’’

U bent een van de weinige dichters die goed verkopen. Leidt dat tot jaloezie?

‘Zoals in iedere kleine groep vakgenoten heb je haat en nijd. Daarom ben ik blij dat ik in Groningen woon en niet in Amsterdam. Ik word hier keurig behandeld. Overigens ben ik geen Groninger, maar import.’

Maar u woont toch vanaf uw 3de in de provincie, in Oost-Groningen?

‘In Winschoten, maar daar was het naar. Ik was een tamelijk ziekelijk domineeszoontje in een plattelandsrandgemeente. Ik kende geen Gronings. Dus ik was een voor de hand liggend doelwit. Maar goed, zoals Nietzsche zegt: Was mich nicht umbringt, macht mich stärker.’

Uw vader was een vrijzinnige doopsgezinde dominee?

‘Dat doopsgezinde geloof was prettig, want daar merkte je niks van. Ik heb geen enkele neiging me ertegen af te zetten. Ik vind religie en kerkgeschiedenis ook interessant. We lazen allemaal veel thuis, ik heb een oudere zus. Ik weet nog dat ik de tijd dat ik nog niet kon lezen de saaiste periode uit mijn leven vond. Ik was ontzettend blij toen dat over was. En ben sindsdien nooit meer zonder boek waargenomen. Nee, ik heb geen enkel probleem met mijn ouders. En daarnaast vind ik dat mensen na hun 20ste of 30ste niet meer moeten zeuren over hun jeugd.’

Wanneer begon u met dichten?

‘Zoals iedereen, in de puberteit. Als de hormonen beginnen op te spelen. Zoals ik schrijf in mijn boek: poëzie is een ervaringskunst.’

Was u een lastige puber?

‘Een onmogelijk kind. Ik ben vaak van school getrapt. Wat ik deed? Ach, ik leverde na tien minuten een volstrekt onvoldoende proefwerk Duits in en trok dan Schiller – geschreven in gotische letters – uit mijn tas en begon dat parmantig te lezen. Zo’n jongetje dus, dat je het liefst zou willen doodtrappen. Al zat er achteraf wel iets in.’

U werd in april 70. Wordt dichten met de jaren gemakkelijker?

‘Integendeel. Op een gegeven moment heb je een heleboel al gezegd. Ik heb soms jaren dat ik niets schrijf en dan ineens een cluster.

‘Mijn uitgever vond dat 70 jaar een extra feit om te vermelden. Terwijl 70 voor een dichter een totaal onbelangrijke leeftijd is, het is niet sexy, het is niks. Je moet of jong sterven – dat is het beste – of je moet heel oud worden. Dus ik weet wat me te doen staat. Ik ben net herstellende van een ernstige dubbele longontsteking, ik heb een week in het ziekenhuis gelegen, maar ik ben er nog.’

Heeft ouder worden ook voordelen?

‘Om mij heen zie ik dat mensen gebreken krijgen, parkinson en leukemie. Opbeurend is dat al die kwalen niets met alcohol te maken hebben. In het ziekenhuis was een van de standaardvragen bij de intake: hoeveel drinkt u per week? Toen zei ik: ‘Nou, daar heb ik als typische alfa geen kijk op, vraagt u maar naar mijn daginname.’ Dat leidde ertoe dat er in allerijl een vrouwelijke psychiater met haar assistente aan mijn sponde verscheen om een ontwenningstraject door te nemen. Maar in mijn kringen zijn tien à twaalf glazen per dag doodgewoon. Voor en tijdens het eten, dan ben je er al. Maar als je die aantallen zo sec zegt, schrikken ze daar in zo’n ziekenhuis enorm van.’

Wat voor kringen zijn dat dan, meneer Rawie?

‘Mijn kennissenkring is wat ouder, drinkt stevig, maar is maatschappelijk geslaagd. Het zijn meest emeritus hoogleraren, voormalige politici – ex-burgemeesters – en natuurlijk de plebaan van de Sint-Jozefkathedraal alhier. Dat is toch een keurig gezelschap?’

Hoe zit u erbij deze zomer?

‘We gaan niet reizen, want er moet een nieuwe vloer worden gelegd: hij wiebelt en de vloerbedekking is op. Ik zie ertegenop, want al mijn boekenkasten moeten weggehaald.’

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus

Jean Pierre Rawie: Een luchtbel in een vluchtige rivier. Prometheus; 192 pagina’s; € 21,99.

Heikele kwesties, lastige vragen

De gevoeligheden van deze tijd leveren ook volop discussie op in de literaire wereld. We leggen onze geïnterviewde schrijvers wekelijks wat lastige vragen voor.

Wat te doen tegen de ontlezing?

‘Een kleine elite leest, zo is het altijd geweest. Je kunt mensen niet dwingen als ze er geen zin in hebben. En de verleiding van de telefoon is kennelijk groot. Mijn vriendin is een stuk jonger dan ik, die zit voortdurend met die telefoon, al leest zij wel veel.’

Laat u uw werk door een sensitivityreader lezen?

‘Gelukkig is dat niet nodig. Ik zie niet in waarom het woord ‘neger’ een diskwalificatie inhoudt, maar als mensen dat wel zo ervaren, dan gebruik je iets dat ze wel prima vinden. Maar ik trek de grens bij ‘woordblind’, daarmee beledig je geen blinden. Ik vind die rare woorden als ‘tot slaaf gemaakt’ ook verschrikkelijk. Kijk, Máxima is ‘tot koningin gemaakt’, dat is duidelijk. Maar ja, dat zegt dan weer niemand.’

Wat vond u van de ophef rond de vertaling van Amanda Gorman, waarbij Marieke Lucas Rijneveld zich terugtrok als vertaler?

‘O, die rel over dat flutgedicht. Een goed argument waarom Marieke Lucas dat niet had moeten doen, was dat ze zelf heeft gezegd dat haar Engels slecht is. Maar dat gedicht hoeft niet per se door een zwarte mevrouw vertaald te worden. Een Nederlandse zwarte vrouw heeft ook niet dezelfde achtergrond als Gorman. Als dat het criterium wordt, is het einde zoek. Dan mag een mannelijke schrijver straks geen vrouwelijk hoofdpersonage meer hebben. Ik hoop dat het overwaait. Mijn theorie is dat de hoeveelheid gekte per generatie even groot is, maar dat het zich op een andere manier uit. In mijn tijd had je het afschuwelijke militant feminisme.’

Gebruikt u hen/hun in uw boeken voor non-binaire personen?

‘Nee, zeg. Flauwekul. Zo werkt taal niet. Dat je opeens moet zeggen: ‘Vindt hen dat ook niet?’ Als er oorlog komt, is het allemaal voorbij. Ik vind het leuk dat hier van alles kan, een teken van beschaving, maar aan dat non-binaire taalgebruik doe ik niet mee.’

Welk boek kan niet meer in deze tijd?

‘Tegenwoordig zou een heleboel van Gerard Reve niet meer worden gedrukt. Zijn verhaal Rietsuiker is ontzettend grappig, maar teksten als ‘Wat streven die zwartjes eigenlijk na, wat willen die rumbonen eigenlijk’ kunnen niet meer. Al vind ik dat ook wel verontrustend.’

Brommer op zee of Eus’ Boekenclub?

‘Ik kijk geen televisie. Gelukkig, want wat zou ik me geërgerd hebben aan al dat gelul over corona.’

Wie is Jean Pierre Rawie?

Jean Pierre Rawie (1951), geboren in Scheveningen, verhuist op zijn 3de naar Winschoten. Hij studeert Russisch, Italiaans en Roemeens aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar maakt geen van de studies af. In 1976 publiceert hij samen met Driek van Wissen het duodebuut De match Luteijn-Donner. In 1979 komt zijn solodebuut Het meisje en de dood uit. Zijn bundel Onmogelijk geluk (1991) behoort tot de succesvolste dichtbundels aller tijden. In 2008 ontving hij de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre. Onlangs verscheen Een luchtbel in een vluchtige rivier, een verzameling van zijn vertalingen, voorzien van een uitgebreide toelichting. Rawie heeft een wekelijkse column in het Dagblad van het Noorden.

Meer over