Review

Jean-Michel Jarre zoekt aansluiting met jongere generatie

De comebackplaat van Jean-Michel Jarre komt op een mooi moment.

Robert van Gijssel
Jean-Michel Jarre. Beeld epa
Jean-Michel Jarre.Beeld epa

De comebackplaat van Jean-Michel Jarre komt op een mooi moment. De dance heeft zich weer gestort op analoge en modulaire synthesizers, dus worden de ogen gericht op de pioniers van die apparaten. En dan kom je vanzelf bij Jarre uit.

Al vanaf de late jaren zestig omringde Jarre zich met kamervullende synthesizers als de Moog en later de ARP 2600. Dansmuziek maakte hij niet, op platen als Oxygène (1976) en Équinoxe (1978), maar invloedrijk was zijn elektronische ambient- en krautrock wel. De bubbelende synth-sequenties in Jarres spacemuziek duiken nog altijd op in de dance, van trance tot techno en natuurlijk Daft Punk.

Met Electronica 1 lijkt Jarre aansluiting te zoeken bij de jongere generatie. Hij nam nummers op met producers als Fuck Buttons en Gesaffelstein, maar vreemd genoeg ook met Pete Townshend, pianist Lang Lang en de medesynthpioniers van Tangerine Dream. Niet echt een helder concept, en dat doet helaas wat afbreuk aan dit album, dat desondanks een interessant experiment is.

Dansvloertrance

Want hoor hoe soepel Jarre de dansvloertrance induikt met Armin van Buuren, in het ongecompliceerde Stardust - een van de leukere tracks van de plaat - en het lekker vette openingsnummer The Time Machine, in samenwerking met Boys Noize. Ook mooi hoe Jarre de link legt tussen zijn eigen bliepende synths en de electropop van Vince Clarke van Erasure, in de tweeledige track Automatic.

Jammer dat het misgaat bij bombastische nummers als If..! met popzangeres Little Boots (waarom?) en het zeurderige Glory, met de landgenoten van M83. Er zat meer in, ga je dan denken. Misschien iets voor Electronica 2, dat volgend jaar dient te verschijnen.

Meer over