BoekenFascisme

Je kunt niet iedere fascist zomaar een fascist noemen

Er zijn van die onderwerpen waarvan je nauwelijks durft te zeggen dat je niet echt weet hoe het zit. Wat een fascist een fascist maakt, bijvoorbeeld. Daarom deze zomer een bijspijkercursus, inclusief drie boeken om verder te lezen.

null Beeld Studio V
Beeld Studio V

Een fascist? Dat is per definitie iemand anders. Zelf zal iemand zich niet snel zo willen noemen – uitzonderingen daar gelaten, zoals de met hakenkruisen en nazikreten getatoeëerde recreant die op 24 juli 2021 uit het openluchtbad van Leersum werd geweerd, of onverbeterlijke Mussolini-adepten die op toogdagen van het fascisme nog weleens een zwart hemd willen aantrekken. Maar in de regel wordt het begrip voor andersdenkenden gereserveerd. Definities worden daarbij niet, of zeer selectief, gebruikt. ‘Eerst bleek de fascist de duivel, nu blijkt de duivel een fascist’, wist historicus Hermann von der Dunk dertig jaar geleden al.

In de jaren zeventig huldigden historici dan ook de opvatting dat het fascisme niet te definiëren valt. Wie desondanks een poging waagde, bleef steken in de opsomming van verschijnselen en ontwikkelingen waar fascisten tégen waren. En zo werd een beweging die in hoge mate bepalend is geweest voor het (bloedige) verloop van de 20ste eeuw gereduceerd tot het synoniem van nihilisme. Met de ongerijmdheid als gevolg dat de fascisten onder ons heten te zijn, maar dat niemand weet hoe ze eruit zien of wat hun gedachtengoed precies behelst. ‘Het zou zoveel makkelijker voor ons zijn als iemand zou zeggen: ik wil Auschwitz weer in gebruik nemen, of: ik wil dat zwarthemden weer bezit nemen van de pleinen in Italië’, schreef Umberto Eco (vrij vertaald). ‘Maar zo simpel is het niet. Het hedendaagse fascisme gaat schuil onder ogenschijnlijk onschuldige dekmantels.’

Volgens Eco is het fascisme dus een ‘known unknown’. Maar met dat inzicht schieten we niet zoveel op. Vandaar dat er, met name in de Angelsaksische academische wereld, de laatste jaren pogingen zijn ondernomen om te bepalen wat precies de kenmerken zijn van een gedachtengoed dat met recht ‘fascistisch’ mag worden genoemd. De Britse hoogleraar moderne geschiedenis Roger Griffin noemde er vier: revolutionair, populistisch, ultranationalistisch en palingenetisch, ofwel: strevend naar een nationale wedergeboorte.

In zijn boek In de ban van een beter verleden (verschenen in 2017) kwam de neerlandicus Willem Huberts tot de conclusie dat in Nederland maar weinig organisaties actief zijn geweest die deze kenmerken in zich verenigden. In de jaren twintig, het hoogtij van het door Benito Mussolini geïnspireerde fascisme, demonstreerden zij hun onvoorwaardelijke liefde voor het Huis van Oranje en probeerden zij de indruk weg te neme dat zij met onwettige middelen de macht wilden verwerven. Alleen op die manier meenden zij de sympathie te kunnen verwerven van de Nederlandse bevolking, die zich in november 1918 afkerig had getoond van de (halfslachtige) revolutiepoging van SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra. In de jaren dertig radicaliseerden zij weliswaar, maar nog steeds staken hun revolutionaire ijver en hun nationalisme wat pover af bij die van hun buitenlandse (met name Italiaanse en Duitse) geestverwanten.

De vraag waar de huidige rechts-radicale partijen in het fascistisch spectrum staan, viel buiten het tijdsbestek van Huberts’ boek (de periode 1923-1945). Over de PVV merkte hij slechts op dat haar organisatievorm – het eenhoofdig leiderschap – enigszins overeenkwam met die van de NSB, dat beide partijen het beeldmerk van de zeemeeuw gebruikten, en dat zij graag schamperden over de parlementaire democratie.

Forum voor Democratie bleef onvermeld in het boek van Huberts, maar ook die partij kan volgens de criteria van Griffin bezwaarlijk fascistisch worden genoemd. Eén kenmerk heeft ze echter wel gemeen met de vooroorlogse fascistische, of fascistoïde, groeperingen in Nederland: haar onderhevigheid aan ruzies en afsplitsingen. Alleen de NSB bleef hier goeddeels van gevrijwaard. Alle overige partijen die door Huberts ergens op het fascistisch spectrum werden gesitueerd, gingen strijdend met elkaar en met zichzelf ten onder. Enigszins paradoxaal is dat wel, gezien de pretenties van al deze (splinter-) groeperingen, schrijft Huberts. ‘Aan de bron van menige afsplitsing stond nu juist datgene wat in wezen antifascistisch is: verzet tegen de leider.’

Het feit dat fascisme en nationaal-socialisme in het spraakgebruik vaak min of meer uitwisselbaar zijn, heeft aan de begripsverwarring bijgedragen. Veel fascisten waren afkerig van het antisemitisme, het voornaamste geloofsartikel van de nazi’s. Als uiterste consequentie van die ideologische tegenstelling kreeg NSB-leider Anton Mussert in 1946 de kogel, en ontving fascistenleider Jan Baars na de oorlog een verzetspensioen.

Als het vooroorlogse fascisme al moeilijk te definiëren is, geldt dat in nog sterkere mate voor de hedendaagse varianten daarop. Madeleine Albright, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken onder president Bill Clinton, deed een dappere poging in haar boek Fascism, a Warning. Daarin kenschetst zij de fascist als ‘iemand die pretendeert namens een hele natie of een heel volk te spreken’. Deze karakteristiek is eindweegs van toepassing op leiders als Vladimir Poetin, Viktor Orbán, Kim Jong-un en Donald Trump, ‘de eerste antidemocratische president in de moderne Amerikaanse geschiedenis’. Maar fascisten? Nee, zo durft Albright hen niet zonder meer te noemen.

Ernst Nolte: Der Faschismus in seiner Epoche (1963)

Een nog altijd goed leesbaar boek over de ontwikkeling van proto-fascistische bewegingen, zoals de Action Française, tot het geperverteerde fascisme van Hitler. Nolte raakte in diskrediet, vooral bij zijn linkse vakgenoten, nadat hij (in 1986) had geschreven dat de ‘klassenmoord van de Russische bolsjewieken de logische en feitelijke voorloper was geweest van de rassenmoord door de nationaalsocialisten’.

Willem Huberts: In de ban van een beter verleden – Het Nederlandse fascisme 1923-1945 (2017)

Het nogal treurig stemmende relaas van tientallen fascistische eendagsvliegen, splintergroepen en knokploegen die elkaar in het vooroorlogse Nederland de tent uit vochten.

Madeleine Albright: Fascism, a Warning (2018)

Een pamflettistisch betoog over de wereldwijde verzwakking van de parlementaire democratie en de onweersproken opkomst van autoritaire leiders.