Jansma: Zonde van die overkill

Kees Jansma zette zijn eerste stappen in de sport als journalist. Die rol bouwde hij uit naar de tv-wereld, en vervolgens als perschef van Oranje. ‘Als je geen insider bent, is het stierlijk vervelend.’

Door Jan Tromp

Kees Jansma over het stille lijden van de voetbalverslaggever: ‘Ik weet niet of je de gang van zaken na een interland wel eens hebt meegemaakt, maar het is bijna hoerig.

‘Een voorbeeld. Nederland wint tijdens het Europees kampioenschap verrassenderwijze met 3-0 van Italië. Heel Nederland in feeststemming, de spelers blij, iedereen blij. Vervolgens is er het schema: wedstrijd afgelopen om half elf, bus vertrekt naar het hotel om kwart voor twaalf. Douchen, je laten verzorgen en dan langs de media.

‘Het is vernederend voor iedereen. De media hebben een quote nodig. Van Persie die zegt: ‘Dit is een droom’. Zoiets. Als het maar een uitspraak is. De journalisten – het zijn er tientallen – staan elkaar te verdringen. Dan komen de spelers uit de kleedkamer. Ik hoop maar dat de jongens hier en daar blijven staan. Dat zeg ik ze ook: stap op A af, sta B even te woord. Maar je moet ook door als speler, de bus wacht en het zijn er gewoon te veel, al die journalisten en wie achteraan staat, krijgt dus niks.

‘Het is te massaal geworden. Vroeger ging ik na afloop van een wedstrijd naar een trainer toe en zei ik: heb je effe. Dat directe contact is ondenkbaar geworden.

‘Ik kan me niet voorstellen dat ik als verslaggever tussen die drommen collega’s sta. In die positie kan ik me niet meer verplaatsen.

‘Het is goed voor je karakter, zeggen ze, dat dringen voor een enkele uitspraak. Maar ik zou het niet meer kunnen opbrengen.’

Het was vanwege dat stille lijden van de voetbalverslaggever dat de geestelijk vader van de Oranjestemming in de zomer van 2004 ‘wholeheartedly’ zoals hij dat zelf graag noemt, inging op de uitnodiging van de KNVB perschef te worden van Oranje. Naast zijn werk als voetbalcommentator voor de commerciële televisie.

Luxe
Het was ‘een luxe’ die hij zichzelf toestond. Het leek hem ‘hartstikke leuk’. Veertig jaar had hij van buiten naar binnen gekeken; heerlijk om dat nu eens om te draaien. Maar hij deed het ook voor de collega’s. ‘De verhouding tussen het Nederlands elftal en de sportpers was gewoon ongelooflijk slecht. Alles wat ik doe is de relatie een beetje herstellen.

‘Tegenover coaches wijs ik vaak op politici en hoe die moeten functioneren. Als Van Basten tegen mij zei: ‘En moet ik dan voor twee minuten naar de televisie?’, antwoordde ik: ik denk dat vandaag tien politici naar de tv zijn gegaan voor twintig seconden.’

Jansma wist ook wel dat hij kritiek zou krijgen vanwege de dubbele petten: als journalist controleur van de voetbalmacht, als perschef kameraad van de voetbalmacht.

Hij zegt: ‘Wat me geruststelt is dat de jongens van het Nederlands elftal mij nog steeds beschouwen als iemand van de pers. Een aantal journalisten was aanvankelijk heel kritisch. Dat is weggeëbd. Ze zien zelf ook dat met alle beperkingen die er blijven, hun mogelijkheden om hun werk te doen een stuk zijn verbeterd.’

Toch is het een rare positie. Kun jij de bondscoach in jouw programma op de hak nemen?

‘Ja. Het zou heikel zijn, dat wel. Maar het kan.’

Kun je in je tv-programma vermelden dat het KNVB-beleid klote is?

‘Ik vind van wel. Maar de combinatie van functies zou veel moeilijker zijn geweest als ik nog werkte bij de publieke omroep, bij Studio Sport. Ik werk nu voor betaaltelevisie. Sport1 zendt buitenlandse voetbalwedstrijden uit. Mijn journalistieke werk gaat niet over de KNVB.

‘Ik heb gezegd dat ik als journalist alles aan de orde moet kunnen stellen. Maar het kan gebeuren dat ik in een of andere crisis milder oordeel dan de rest, omdat ik vanwege mijn interne functie over meer informatie beschik.’

Ligt het niet meer voor de hand te veronderstellen dat je dan zwijgt, om je broodheren niet voor het hoofd te stoten?

‘Ik zeg al: het kan lastig zijn. Het komt aan op je eigen integriteit.’

En die is amper te controleren.

‘Wel door mijzelf. Dat vind ik niet onbelangrijk. Voor de spiegel moet ik mezelf recht in de ogen kunnen kijken.’

Jonge vader
Hij mag het handwerk van verslaggever achter zich hebben, het hop paardje hop gaat hem nog goed af. Op z’n 61ste is hij weer een jonge vader. Vier en zes zijn z’n jongste zoons. Het is de vrucht van een derde huwelijk en een jonge vrouw. Ze zijn in Oostenrijk op wintersport geweest met zoon en dochter uit zijn eerste relatie en hun kinderen. Met z’n veertienen waren ze, en hij daartussen als de pater familias. ‘Iedere dag ging ik heel bewust en pontificaal aan het hoofd van de tafel zitten.’

In het echt is hij zoals je hem kent van de televisie: geïnteresseerd, geen pretenties. Een man die gemakkelijk contact maakt met dat grote lichaam van hem waarop als pronkstuk het ronde, goedlachse hoofd.

Of hij nu een betere vader is dan destijds.

Er volgt een heel verhaal. Dat hij getrouwd is in 1969, dat was de eerste keer, en dat de man hard moest werken om erop toe te zien dat het gezin drijvend bleef en dat de vrouw voor de kinderen zorgde. Zo waren de verhoudingen. Hij was beginnend sportjournalist, en ambitieus. ‘Ik ging voor.’

Of die traditionele rolverdeling eind jaren zestig niet aan het schuiven was.

‘Wij waren niet van Amsterdam. Ik werkte voor het Algemeen Dagblad; we woonden in Zwijndrecht.’

Als freelancer verdiende hij achttienduizend gulden per jaar. Dat viel niet tegen en dat viel niet mee. Hij herinnert zich: ‘We gingen een keer op vakantie, we zouden naar Noord-Frankrijk, het was zaterdagochtend, we waren gepakt en gezakt. Het dagblad De Tijd belde: dat ik een interview moest doen met Dick Passchier, de spelletjespresentator, tevens voorzitter van FC Dordrecht. Ik heb meteen de tassen laten uitpakken.’

De vraag was of hij tegenwoordig een betere vader is.

Hij weet het niet. ‘Als je terugkijkt, heb je natuurlijk je momenten van gêne. Dat je denkt: waarom was die voetbalwedstrijd nou belangrijker dan thuis? Tja. Ik kan in elk geval het werk nu relativeren. Jarenlang heb ik wakker gelegen van problemen op het werk.

‘Ik doe mijn uiterste best. En niet alleen voor mezelf.’

Niet dat de functie van huisman aan hem besteed is – men kan ook overdrijven. De Telegraaf belde laatst. Of hij wilde meewerken aan de geliefde rubriek Een kijkje in de keuken. ‘Eerst dacht ik dat ze wilden meekijken op kantoor. Maar nee, ze bedoelden echt de keuken. Toen heb ik gezegd dat het een buitengewoon kort rubriekje zou worden en dat het mij beter leek ervan af te zien. Ik heb niks met koken. Ik eet het op.’

Drie per week
In 1998 verliet hij Studio Sport. Hij was tien jaar chef geweest. Hij mag graag vertellen dat hij met drie uitzendingen per week begon. En met 33 wekelijkse uitzendingen vertrok. Wie denkt dat hij zich daarop voorstaat, vergist zich. ‘Bij mijn vertrek heb ik tegen de directie gezegd dat we de verkeerde kant opgaan. Ik ben gek op sport. Maar het is te veel. En het gaat maar door. Het is niet waar dat het hele leven tegenwoordig over sport gaat; je chargeert. Maar een kern van waarheid zit erin en het hoort niet. Ik heb ooit gezegd: sport is de belangrijkste bijzaak in het leven. In de Volkskrant schreef iemand: ‘En zelfs dat is te veel eer voor sport’.

‘Sport is het tegendeel van een vies ding. Sport is prachtig. Sport kan een bindmiddel zijn. Ik zei: kijk nou uit, schiet nou niet in je eigen voet, jullie gaan tweede- en derderangs evenementen uitzenden en het gevolg zal zijn dat het publiek moe wordt van sport. Die overdaad, die vreselijke overkill, die maakt veel kapot.’

Lange afstandzwemmen, dat dodelijk saaie schaatsen, pijltjes gooien – zijn het vormen van verveling?

‘Ik noem het nutteloze televisie. Niet dat schaatsen, hoor. Kramer tegen Davis vind ik prachtig. Dat heb ik gemeen met Mart Smeets. Maar daar zit het probleem niet.

‘Ook binnen de commerciële tv waarschuw ik voor overdaad. Ik zeg: we moeten kritisch produceren. Ik ben bang dat we met nutteloze televisie werk kwijtraken in plaats van arbeidsplaatsen erbij krijgen. Dat pijltjes gooien was in den beginne razend populair. Het trok miljoenen. De tv kon er niet genoeg van krijgen. Nu doet het niets meer.’

Paardendressuur. Wie raakt nu opgewonden van paardendressuur?

‘De beoefenaar zelf en een kleine kring van ingewijden daarom heen. Maar ja, we winnen een medaille en dan ligt het opeens anders. Ik ben wezen kijken in Atlanta, ik was toen chef sport bij de NOS. Als je geen insider bent, is het stierlijk vervelend.

‘Ik ben gek van voetbal. Ik kan altijd kijken naar voetbal. Maar als op het open net drie avonden per week voetbal wordt uitgezonden is dat volgens mij heel slecht voor de voetbalsport.’

En waarom gebeurt het dan toch?

‘Omdat het 800 duizend kijkers oplevert en de daarbij horende reclamegelden.

‘Het ligt niet alleen aan de bazen. Het ligt ook aan degenen die er genoegen mee nemen dat sport voor gaat. Als ik een prachtig kunstprogramma in mijn hoofd heb en mijn netmanager zegt: mooi plan, maar sport gaat voor, dan zou ik mij daar niet bij neerleggen.

‘We kijken te veel televisie. Ik ook. Televisie is een dwangding. Als we minder brengen, verliest televisie misschien iets van zijn dwangmatigheid. Stel je voor dat ik hier ’s avonds op de bank zit en niet naar televisie kijk, maar een boek lees. Of praat. Of iets doe wat bij oudere vaders met jonge moeders ook heel erg aan de orde is: ik speel een spelletje met de kinderen. Zou dat niet veel leuker zijn? En zouden we dan niet veel enthousiaster achter de buis zitten als er sport is?’

Wordt in Nederland de kwaliteit van het Nederlandse voetbal niet ernstig overschat?

‘Ik vind het een wonder dat het Nederlands elftal op de derde plaats staat van de door de computer geverifieerde wereldranglijst van de FIFA, de internationale voetbalorganisatie.’

De computer gaat ook achteruit.

‘De computer is betrouwbaar. Die meet namelijk niet de kwaliteit van het voetbal, hij meet alleen het resultaat. Dit kleine land levert aan de lopende band goede voetballers. Daardoor komt het Nederlands elftal tot idioot goede prestaties.’

Het zijn jongens die op 15-jarige leeftijd door een Russische maffiabaas worden opgekocht; wat in de Nederlandse competitie achterblijft zijn de jongens zonder balcontrole. Toch?

‘Ietsje nuanceren. Sport is hier goed georganiseerd. Talent wordt goed begeleid. Onderschat dat niet. Als Erica Terpstra weer eens riep dat we dertig medailles zouden gaan halen, dacht ik: hoe haal je het in je hoofd. Maar telkens kwam ze dicht in de buurt.’

De tribunes van de voetbalvelden zitten nog vol. Is dat verrassend?

‘Ja, dat vind ik verrassend. Blijkbaar is het product heel sterk. Toevallig was ik laatst met vrienden bij FC Utrecht. Hartstikke leuk. De wedstrijd was een groot foutenfestival. Tranen in je ogen.

‘We hebben ons niet verveeld. Alleen, de overschatting van de kwaliteit is enorm.’

Ze zeggen dat Feyenoord onder Mario Been gewoon weer kampioen wordt. In elk geval van Nederland. Waarschijnlijk ook wel van Europa.

‘Mario Been is een grote naam in Rotterdam, blijkbaar. Hij was geen grote speler, hij was een aardige speler. Hij doet het als trainer hartstikke leuk bij NEC. Het lijkt mij dat hij het vak beheerst.

‘Nu gaat die man naar Feyenoord. Binnen de kortste keren is hij aangesteld. Wat is je visie, als club, als Been? Weet je wat je gaat doen, weet je wat er in je portemonnee zit, weet je hoe je kunt opleiden, met welke mensen ga je werken? Dat regel je niet in een weekje. In geen enkel bedrijf regel je dat binnen een weekje. Binnen het voetbal wel.

‘Er is heel veel wishful thinking. Ik was dus bij FC Utrecht, daar zitten 19 duizend mensen. Er zijn niet zoveel evenementen die zulke aantallen trekken. Die mensen hebben een leuke middag. Maar je mag er niet de conclusie aan verbinden dat de voorstelling van een hoog niveau was, dat je daarmee Europa kunt veroveren. Zie het alsjeblieft in perspectief, dit is Nederland.

‘Het voetbal in Nederland is leuk. Het is niet goed. Het is leuk. Het haalt zeker de Europese top niet, dat is zo en dat zal zo blijven.’

Jouw enthousiasme is indrukwekkend. Ga je zelf ook niet gebukt onder een zekere mate van verdwazing?

‘Nee. Wat is de vervolgvraag?

‘Wat ik doe, doe ik wholeheartedly. Daar kan ik niks aan doen. Zo ben ik. Maar dat wil niet zeggen dat ik in de auto op weg naar huis zit te denken dat ik zojuist het allerbelangrijkste heb meegemaakt.

‘In je werk geef je alles wat je hebt. Je tracht er het beste van te maken. Met volle overtuiging geef ik leiding, met groot enthousiasme lever ik commentaar.’

Had je ooit iets anders willen zijn dan sportverslaggever?

‘Ja. Na verloop van jaren had ik graag een heel goede schrijver willen zijn. Toen ik begon, ik was 18, moest en zou het sportverslaggever zijn. Maar een schrijver die ertoe doet – dat is wel een ambitie geworden. Ik ben heel vaak uitgedaagd. Nog steeds. Uitgevers die aandringen.

‘Maar dan komt de faalangst. Dat je jezelf hevig overschat als je zou toegeven aan dat aandringen.

‘Ik heb zelfs een keer een contract getekend bij een uitgever. Inleverdata, alles was afgesproken en vastgelegd. Ik heb niets geleverd.

‘Nog steeds wil ik graag. Mijn vader heeft het wel gedaan. Hij heeft een boek geschreven in een oplage van twintig. De titel luidde: Mijn Leven. Hij reikte het uit op een van zijn verjaardagen.

‘Een manuscript moet je laten lezen door mensen die je recht in je gezicht zeggen wat ze ervan vinden. Het moeten mensen zijn die kunnen zeggen: ‘Hartstikke leuk, joh. Houd het lekker voor jezelf.’ Mijn angst is dat ik het inlever en dat gezegd wordt: ‘Wat een leuk boek.’ Dan weet ik zeker dat ik denk: zou hij het menen?’

Ben je bang dat zo iemand denkt: dat leven heeft ook niet veel te betekenen gehad?

‘De betekenis is in elk geval geweest dat ik op eerzame wijze mijn brood heb verdiend met de belangrijkste bijzaak van het leven.’

Is dat voldoende voor je?

‘Nou ja, vanwege de kinderen is het moeilijk om te zeggen: ik gooi de boel hier dicht, we verhuizen naar een derdewereldland en ik ga nu eens anderen helpen. Dat zit wel heel erg in me. Financieel kan het. We praten er thuis ook over. Ik bedoel, ik heb tot nu toe in mijn leven vooral mezelf goed geholpen en de mensen die dichtbij mij staan. Het zit oprecht in me om te zeggen: het wordt tijd dat je anderen helpt.

‘Maar mijn vrouw heeft een carrière bij de politie. Mijn kinderen zitten hier op school. Vaak denk ik: moet je een zinvoller invulling geven aan je leven, in de jaren die je nog hebt? Het liefst zou ik de deur achter me dichttrekken en de wereld ingaan.’

Kees Jansma (ANP) Beeld
Kees Jansma (ANP)
Meer over