Boekrecensie

Jan Konst portretteert zijn eigen generatie, die te laat geboren dacht te zijn ★★★★☆

Hoogleraar Jan Konst schetst een beeld van de ‘verloren generatie’ aan de hand van zijn eigen jeugd. De kracht zit hem in de afwisseling van veelzeggende details en statistieken. Nergens wordt het navelstaarderig.

Ariejan Korteweg

Het zou overdreven zijn te zeggen dat na het lezen van Na de revolutie alles op zijn plek is gevallen. Daarvoor zijn de verschillen tussen een katholieke Randstedeling van 1963 en een protestantse Brabander van 1955 te groot. Maar Jan Konst, hoogleraar Nederlandse literatuur in Berlijn, zet met zijn boek wel een luikje open.

Konst is als de bioloog die met één druppel water de hele zee wil laten zien. Het ene leven dat hij beschrijft, moet een hele generatie weerspiegelen. Zijn generatie, die tussen 1955 en 1965 werd geboren. En mijn generatie, is in dit verband relevant om te melden, al zit ik helemaal in de kop van de lichting, en Konst in het staartgedeelte.

De verloren generatie – dat is de mistroostige term die voor ons is gemunt. Het is koningin Beatrix die als naamgever wordt aangemerkt. Ze zei het in haar kersttoespraak van 1985. ‘Alle oorspronkelijkheid, alle fantasie, aller inzet is nodig om te voorkomen dat een hele generatie ‘verloren’ zou raken.’ De economie was vastgelopen, het elan van de jaren zeventig langzaam verdampt, de universiteiten puilden uit maar een diploma was bepaald geen garantie voor een baan. Voor het eerst na de oorlog leek een generatie gestalte te krijgen voor wie de toekomst er minder zonnig uitzag dan voor die voor hen. Een generatie die zich beweegt ‘in het spanningsveld tussen traditie en sociale vernieuwing’ en zich steeds moet verweren tegen het verwijt van de eerdere generatie – ‘de protestgeneratie’ – dat hun erfenis verkwanseld wordt.

Een zelfportret

Dat ene leven aan de hand waarvan Konst een portret van zijn generatie wil maken, is dus dat van hemzelf: Jan Konst, oudste kind in een gezin van vier. Met ouders – zelf behorend tot de ‘stille generatie’ – die beiden de kweekschool deden, al zal moeder stoppen met werken zodra er kinderen komen. Zijn eerste levensjaren spelen zich af in Utrecht, later verhuist het gezin naar Baarn, waar vader Konst zorgmanager wordt van Nieuwenoord, centrum voor geestelijke gezondheidszorg. Voor Konst een aanleiding om de voor zijn generatie typerende ontwikkelingen rond Dennendal te bespreken.

In zijn jonge jaren is de katholieke kerk allesbepalend, geleidelijk wordt die greep zwakker. Het verbod op anticonceptie brengt zijn ouders voor het eerst in gewetensnood: moeten ze de paus volgen of hun eigen overtuiging dat vier kinderen echt wel genoeg is?

Tegen de tijd dat het boek eindigt – Konst is dan een jonge twintiger – is het geloof niet meer dan geroezemoes op de achtergrond. Kerken sluiten of halen beatbands binnen, pastoors noemen zich pastor en doen aan genezing door handoplegging. Voor vader en moeder Konst is dat laatste de reden hun kerk vaarwel te zeggen. Ze zijn de enigen niet. Het aantal priesterwijdingen daalt van 300 in 1963 tot 25 negen jaar later. De KVP slinkt in twintig jaar van 400 duizend tot 50 duizend leden.

Zoals hij dat met ontkerkelijking doet, zo gebruikt Konst steeds de lotgevallen van het gezin waarin hij opgroeide om een weidser beeld te schetsen. De grenzen van het leven van zijn ouders worden aanvankelijk bepaald door tot waar hun brommer – een grijze Superia Avanti – hen kan brengen. Als de kinderen komen, is er de eerste auto. Pas veel later, als de groeiende welvaart ook het gezin Konst bereikt, komen de buitenlandse vakanties: naar de Dordogne, met z’n zessen in de Opel Ascona. De blikken vlees die de slager conserveerde om de Franse middenstand te kunnen omzeilen, exploderen in de keuken van de vakantieboerderij.

Veelzeggende details en statistieken

De kracht zit in de afwisseling van veelzeggende details en veelbetekenende statistische gegevens. Nauwgezet beschrijft hij de kleding die zijn moeder voor hem maakt, de meubels in de woonkamer, de opkomst van ketjap en tv-reclame, de omgang met zijn hospita, de overvolle collegezalen. Het is niet altijd even opwindend, maar net als Caballero’s, Radio Veronica en de Apollo 11 functioneel om een tijdsbeeld te schetsen.

Wat zijn dat voor mensen, die verloren generatie, vraagt Konst zich op zeker moment af. ‘Ingeslapen conformisten of toch klaarwakkere rebellen? Uit vrije wil volgzaam of onderhuids opstandig? En waar sta ik zelf?’ Een eenduidig antwoord geeft hij niet. Te laat geboren, dat is het gevoel dat hij met zijn klasgenoten deelt. Geen Woodstock of Kralingse Bos, veel van zijn verworvenheden zijn door eerdere generaties bevochten. Een lichting langs de zijlijn, ingeklemd tussen boomers en de onthechte generatie X.

Na de revolutie is een holografisch generatieportret: in die ene scherf van het gezin Konst laat het grote geheel zich zien. Dat had navelstaarderig kunnen uitpakken, en saai bovendien. Konst voorkomt dat door telkens weer de brug te slaan van zijn gezin naar tijd en omstandigheden.

Jan Konst: Na de revolutie – Kind van de jaren zeventig. Balans; 304 pagina’s; € 21,99.

null Beeld Balans
Beeld Balans
Meer over