Jan Cremer lust ze rauw

'Tot nu toe was het leven een vingeroefening'. Er zijn nog steeds bibliotheken die Ik Jan Cremer weren, maar de man die de natie deed trilles, is het middelpunt van een festival in Enschede op 4,5 en 6 september....

BEN HAVEMAN

Jan Cremer kan het ook niet helpen dat de serveerster gebukt staat. Nu moeten zijn staalblauwe ogen zich wel in haar rokje boren. Al is het maar twee, drie tellen. 'Dát wil je wel meemaken, hè: Jan Cremer slaat op de lekkere kont van de serveerster.' Gnuivend herneemt hij zijn betoog over De Overbodigheid Van Leesbrillen. Want op zijn 58ste gaat Cremer never nooit aan de fok. Een Cremer die brilt? Zeg, ben jij besodemieterd.

Het geheim zit in reinische volksgeneeskunde. 'Van dokter Vogel', verheldert de kunstenaar met een snor van bruin bier. 'Als je twee weken per jaar zonder elektrisch licht en tv leeft, heb je weer de ogen van een 16-jarige. Probeer maar. Ik ben geen uitzondering hoor, boeren gaan toch ook nooit van bril?'

Leve de natuur, weetjewel. Heeft Cremer bijvoorbeeld een wond, zal hij op zoek gaan naar spinrag. Recept van zijn moeder: spinnenweb leggen op een opengehaalde knie en 'binnen vijf minuten is de wond opgezogen, begrijp je?'.

'Ik ben een natuurmens. Toen ik een jaar of vier was, haalde ik honden van straat die vluchtten voor het oorlogsgeweld. Ze waren totaal verwilderd, groter dan ikzelf. In de oorlog zat ik in pleeggezinnen bij boeren en het eerste wat ik deed, was vriendschap met de hond sluiten. Ik heb een band met dieren, meer dan met mensen. Voor tv-opnamen ging ik in de Tiergarten van Frankfurt naar de wolven kijken. Die lagen achter dik glas te suffen. Ze reageerden nooit, zei de oppasser. Al liepen er nog zoveel mensen. Maar ik was nog niet in de buurt of ze sprongen op, zonder dat ik tegen het glas had getikt.

'Hetzelfde had ik met mijn hond Kozak, die in een kennel in Friesland zat. Als ik uit Amerika opbelde, wist die vrouw van de kennel meteen dat ik het was. Want zodra de telefoon overging, begon Kozak als een idioot te blaffen.'

Nog zoiets: amateurtoneelgroep het Twentsche Ros gaat nu Cremers muzikale komedie Na regen komt zonneschijn opvoeren en de adem stokte hem in de keel toen hij een foto zag van de hoofdrolspeelster: 'Ongelofelijk, precies m'n jeugdvriendinnetje Winnie! Wou bij me in Parijs wonen. Met chiantiflessen en visnetten aan de muur, natuurlijk hè.'

Nederlandse vrouwen zijn trouwens níet aardig, op zijn eigen 'fantastische Babette' na. 'Aardige meiden in Holland, dat zijn gekleurde meiden. Die zijn open, lief, onbevangen. Maar Hollandse wijven? Spinnenkoppen! Kom je in Frankrijk, Italië, dan is dat flirten, hè. Een nietszeggende flirt waar verder niks van komt, maar het is een aangename manier van leven. Hier zie je alleen maar van die grauwe, pinnige zuurpruimenkoppen. Ook in boekwinkels waar ik al jaren kom, kijken ze je altijd aan of je de kassa komt beroven.'

Verdomd, je bent vanaf de Autobahn nog niet de grens over of ze komen uit plaggenhutten en boerenschuren vandaan om je van alle kanten te snijden. Agressief landje, Holland. Het is dat zijn geboortestad Enschede Jan Cremer eert met een Jan Cremer-festival, anders zat hij niet in dit land. Hij woont in Cape Cod, New York, Parijs. Of in Zuid-Frankrijk, Toscane. Om te schilderen. Het verbaast hem dat niet alle lezers van zijn boeken hem als schilder kennen. Als de man die bij de verffabriek zijn eigen Cremer-rood heeft laten maken. Tulpenbollenrood.

Wereldberoemd? Dat ben je pas als ook onbekende Indianenstammen in de oerwouden van Zuid-Amerika je herkennen, besloot Cremer. En zie, de schrijver liep op een Amerikaanse vliegbasis in het noordelijkste puntje van Groenland welgeteld 24 bezitters van Ik Jan Cremer (deel 1 en 2) tegen het lijf. Het is lang geleden, maar de tijd heeft z'n jongensachtige trots niet uitgehold. Integendeel, Cremer kan langdurig op succes van toen kauwen, zonder dat de smaak hem een seconde lijkt te gaan vervelen.

Alleen moeten ze hem verdomme níet vragen te poseren op een Harley Davidson, dat zilverkleurig monster waarmee hij in 1964 de literaire moraal openscheurde. 'Na al die jaren informeren mensen soms op verwijtende toon: ben je niet met de Harley gekomen? Ze zijn dan echt teleurgesteld als ze geen motor kunnen ontdekken.'

Maar wie al decennia reikhalzend uitkijkt naar het beloofde Ik Jan Cremer, derde boek ('Hoe Jan Cremer van arme jongen miljonair werd en van miljonair weer arme jongen'), hoeft niet te wanhopen. 'Dat komt er heus', zegt de auteur met een ongeduldig wuifhandje. 'Honderd procent. Ik ben nog niet weg de komende duizend jaar. Tijd zat. Anders is mijn naam Jan Cremer niet.'

Het meervoud van Jan is jennen, stond in het vriendenboek, toen Cremer vijftig werd. Die 'viespeuk van een misdadiger' (dagblad Trouw) bedacht minstens 99 synoniemen voor het bevredigen van een vrouw, van 'klaareten' tot 'klaarcremeren'. Cremer bracht klaarheid in het land van Calvijn. Hij sprak de taal van zeelui, van kroegvolk en van Jan Soldaat en haalde wereldwijd een oplage van twaalf miljoen stuks. Lezers puzzelen nóg op het geheim van de flipstand.

'Sadistisch-fascistisch' heette de 'onverbiddelijke bestseller', met de auteur brutaal achter het motorstuur op het omslag. Een recensent voorspelde dat 'kunstnozem' Cremer over tweehonderd jaar nog op de middelbare scholen zal worden gelezen. Het land stond op zijn kop, het huis van zijn moeder ging in de fik.

Vijanden? Breek Cremer nog steeds de bek niet open. Hij serveert een kopje thee in het aangename grachtenhuis van zijn vrouw ('Ben ik al 21 jaar mee') en zegt: 'De VPRO heeft mij een week lang gefilmd, maar het mocht niet op tv, omdat Cherry Duyns - vroeger de krokettenboy bij de Haagse Post toen ik er journalist was - álles verbiedt wat met Cremer te maken heeft.' Vijanden heb je zo. Je moet bijvoorbeeld niet de baas van je kunstacademie hartelijk groeten, als de man net bij een hoer de deur uit komt ('Ik zie te veel').

'Jan Blokker vroeg me een televisiestuk te schrijven. Dat ging over een Russische piloot die om een ballerina naar het westen vluchtte in een Mig. Ze vroegen: hoe kom je aan zo'n straaljager? Ik regel die Mig, zei ik. Ik woonde toen in Berlijn, dus ik ga met m'n dronken kop via checkpoint Charly naar de Russische officierenclub. Zit daar gezellig te zuipen met generaals en een maarschalk. 's Ochtends om zeven uur kon ik elke Mig krijgen die ik maar wou. Kostte niks. Ik zeg tegen de VPRO: nou moeten we even naar Oost-Berlijn om die Mig te halen. Schrokken ze van. Dát was niet de bedoeling. Mijn stuk was ze gewoon te rechts.'

Achter anekdotiek mag Jan Cremer zich graag verschansen, hier of daar meteen een rekeningetje vereffenend. Met 'het Enschedese sufferdje' Tubantia bijvoorbeeld, dat de 15-jarige Cremer niet als leerling-journalist toeliet omdat Jans vader de directeur onder de tafel had gemept, om diens houding in de oorlog. 'Dus willen ze het grote Cremer-festival nou niet coveren. ''De naam Cremer maakt op onze lezers geen indruk'', zeiden ze. Ze voeren al sinds 1964 een hetze tegen me. La maar kommen, ik lust ze rauw.'

En dan was er de Haagse kunstrecensent die het 'nozemgedoe' van Cremer neersabelde omdat Jans vriendin zich niet door hem liet betasten. Die man komt uitgerekend bij Tubantia terecht, dus tel uit je winst. Jan Cremer neemt geen komma terug van zijn devies: 'Ik ben er trots op door velen gehaat en geminacht te worden. Hun afgunst en nijd is mijn levensvocht, ik teer op rancune'. Nog regelmatig krijgt hij krantenknipsels over bibiliotheken die Cremer niet uitlenen. 'Anno 1998, begrijp je wel! Heerlijk. Bij tegenwerking ben ik altijd op m'n scherpst.

'Toen mijn trilogie De Hunnen uitkwam, probeerden de H.H. kritici elkaar vliegen af te vangen door in één weekend 1535 pagina's te lezen. Die hebben de zaak gewoon een beetje doorgebladerd en vervolgens afgekraakt. Zo gaat dat. Mijn meest besproken boek is Sneeuw, want dat heeft maar 60 pagina's, begrijp je wel. Cremer is een zwijn, schreef Carel Peeters in Vrij Nederland. Heerlijk. Ach, zo'n mager mannetje met spataderen, als ie langs me loopt, waait ie al om. La maar schrijven.'

Kijk, als ze eerst je vriendin willen afpakken en dán smerig over je schrijven, dat gaat te ver. Dus die man uit Den Haag destijds heeft hij wel een zwier verkocht. Maar klappen krijgen ze nou niet meer van Cremer. 'Als ik kwaad kijk, vallen ze al om, de miesgassers. Een keer wees iemand mij in het café een gozer aan die er als jurylid op tegen was dat ik de Amsterdamse prozaprijs kreeg. Ik ben z'n naam kwijt, maar ik heb hem wel effe het café doorgegooid. En toen een pilsje met hem gedronken. Moest ik effe doen. Kan nu niet meer, hè. Je staat zo voor de rechtbank.'

Het royale gebaar is Jan Cremer evenmin vreemd als het om vaderschap gaat. 'Ik denk dat er een stuk of zeven, acht nakomelingen rondstappen.' Twee Amerikaantjes noemen hem grandfather. 'Zegt me niks, jongen. Kijk, als halve Hongaar weet ik dat kinderen altijd bij hun moeder gingen wonen. In de tijd van Atilla de Hun wisten ze nooit wie de vader was en onbewust heb ik dat zo'n beetje voortgezet.'

Met Babette heeft hij een zoon, maar zijn gezinsleven gaat niemand een bliksem aan. 'Ik ben nogal bevreesd voor mensen met rare gedachten. De tijd dat ze schreeuwend bij me op de stoep stonden, is nog niet voorbij. Ik kom ook nooit op de opening van mijn tentoonstellingen, officieel. Ik bén d'r wel, maar wil het nooit vermeld hebben, want d'r lopen zoveel idioten rond.'

In 1994 maakte 'een snotneus van negentien' met vier dumdumkogels een eind aan het leven van zijn zoon Clinton. Dertig jaar oud. In de Bijlmer. 'Het ging om een paar honderd gulden, geloof ik.' Jan Cremer wil weinig over de moord kwijt. 'Privé-zaken hou ik gescheiden van mijn kunstenaarschap. Natuurlijk raakt het je. Maar moet ik dan gaan zitten kniezen? Ik heb mensen gezien die door een soortgelijk voorval wrakken zijn geworden. Nou, d'r moet heel wat gebeuren voordat iemand een wrak van mij maakt. Ik ga door met de kop in de wind. Alles was mich nicht tötet, macht mich stärker.'

Zijn moeder had een pook klaar en om haar driftbuien te pareren, ging Jan op jiujitsu. De onderwijzers konden ook enorm rammen en de nonnen in de tehuizen martelden met een lineaal onder je nagels. Of lieten je urenlang op je blote knieën knielen in maïskorrels.

'Veel slaag is helemaal niet erg hoor', zegt Jan. 'Een jaar of wat geleden kom ik met blauwe ogen thuis. Penosejongens met knuppels wilden m'n stapmaat te grazen nemen en wie ving de klappen op? Tegen m'n zoon zei ik maar dat ik over een Amsterdammertje was gestruikeld. Kijk, alleen een kogel kan je niet terugkoppen, hè. Daar moest ik wel eens aan denken als ik 's nachts door Central Park liep. Twaalf jaar lang niks gebeurd. Ook in Harlem niet.'

Hier spreekt zijn ruime zeemanservaring. 'Varensgezellen beloven mekaar nooit uit het oog te verliezen. Komt zo'n jongen op bezoek met een zuur kijkend wijf op sleeptouw. Dat wijf bekijkt jaloers m'n lekkere leefruimte. Ik moet altijd ruimte hebben, hè, ik kan niet tegen kleine hokkies. Vanwege die vrouw zit zo'n jongen een koppie thee te lebberen, terwijl ik hem ken als een enorme zuiplap. En je kunt niet zeggen: weet je nog wel, in Port Said? Dan is het: ssst! Dus zit je wat onwennig naar mekaar te koekeloeren, terwijl je met weemoed beseft: zo'n vriendschap is pleite zodra er een vrouw tussen komt.'

In zijn boeken trok Cremer veel op met hoeren en dat heeft met zijn zeemansverleden van doen. 'Ik voel mij zeeman. Ik zit wel aan de wal, maar eigenlijk sta ik aan dek. Ik heb geen carrière gemaakt bij de marine. Ik ben een trouwe aanhanger van gezag, maar het moet niet boven me staan. Als kind zocht ik vrijheid door steeds maar weg te lopen uit tehuizen, en die vrijheid heb ik nu. Als zeeman zoek je vrijheid en vertier in het havenkwartier. Daar voel ik me nog steeds het beste thuis. Geen trendy gelegenheid, maar een ouderwetse havenkroeg met skai-leren krukken en een jukebox met Freddy Quinn die Heimatlos zingt. Bestaat haast niet meer.'

'Als ik aan de hemelpoort kom, weet ik dat ik naar binnen mag'

ALLEEN OP PLEKKEN waar ze je niet kennen kun je de werkelijkheid ervaren. Andere culturen. In Parijs zit ik altijd in cafés met legionairs, Noord-Afrikanen. En waar kun je om drie uur 's nachts nog terecht? In roodverlichte kroegen natuurlijk. Mijn eerste vriendin Alana was een vrouw van lichte zeden die in een Grenzstube werkte. Ze gaf me warmte in dat kouwe kille Holland. Lekker drinken en dan lekker tegen een warme kont aanliggen, begrijp je wel.

'Babette is mijn rustpunt, hoewel ik niet van rustpunten hou. Ik ben een nomade. Ik leid een jachtig leven. Bewust. Mijn eeuwige conflicten met justitie kwamen voort uit het feit dat ik altijd wegliep zo gauw ik ontdekte dat er meer bestond dan het smerige gat Enschede. Hoe ouder ik word, hoe onrustiger. Als ik ergens drie dagen ben, heb ik het gezien. Ik kan nooit op vakantie. Dan wil ik de metro-lucht in Parijs weer ruiken. Opgeslorpt worden door New York. Schilderen in een Franse schuur.

'In een Twents hotel heb ik een eigen kamer waar ik naar de zonsopgang ga kijken. Die kamer is dan vuurrood van een brekende zon. Het Twentse landschap is het mooiste van de wereld. Mijn ideaal is een boerenhuis in Beieren. Wat nou ouwe nazi's? Niks mee te maken. Op zondag wil ik gewekt worden door klokgelui. Over de bergen kijken, voordat ik in het café met de boeren aan tafel ga. Dat is mijn ideaal.

'Met Jayne Mansfield ben ik door Zuid-Amerika gereisd. Ze was plotseling verliefd op me geworden en vond dat ik haar levenspartner moest worden. 's Nachts werd ik gebeld door een desperate manager dat ze niet op toernee ging, tenzij Jan Cremer meeging. Op die dag stond mijn toenmalige vriendin Loesje Hamel op het punt uitgewezen te worden en overleed mijn beste vriend en sponsor Frank O'Hara. Dat gaf allemaal wat te veel turbulentie, dus ben ik maar gauw met die vurige vulkaan Mansfield meegegaan.

'Leuke tijd op Sunset Boulevard in Hollywood, maar later bestookte ze me met scheldkannonades. Tot vermaak van iedereen stond de beroemde filmster dronken te schreeuwen in het Chelsea Hotel, waar ik inmiddels met een ander samenwoonde. Om Mansfield ben ik naar Nice gevlucht. Daar las ik in de krant dat ze op de snelweg onthoofd was door een onverlichte vrachtwagen in Mississippi.'

Het eerste jaar USA geen droog brood te vreten. Zo sta je op de bestsellerlijst met zes miljoen paperbacks ('Terwijl The New Tork Times vernietigend over me schreef'), heb je een chauffeur, en een manager die je voorkauwt wat je op tv moet zeggen, en zo is je uitgever opgekocht door een ander zodat je kunt fluiten naar je contract en je dollars.

'Mensen denken: die Cremer is miljonair, maar ik heb geen bezit. Ik heb niks, alles zit in een koffertje. Bezittingen zijn sleepankers waardoor je vast komt te zitten. Ik heb bittere armoede gekend. Toen ik tien jaar geleden in Zwitserland De Hunnen schreef, dag en nacht, had ik geen cent meer. Ik kon nog net de benzine betalen voor de reis naar Amsterdam. De Hunnen wilde ik eerst in Amerika en Duitsland publiceren, want ik speelde het spelletje: Cremer is uitgeschreven. Ik zag al voor me hoe ze zich op de kunstredacties in Holland de ogen uitwreven. Door geldnood is dat fijne plannetje niet doorgaan, zo straatarm was ik.

'In dit land worden kunstenaars beschouwd als zonderlingen met een hobby. Verdienen ze er poen mee, dan zijn ze slim volgens de Hollander. En dan gaan mensen aan je knagen hè. Proberen ze je op onwaarheden te betrappen. Maar ik verhul niks, in tegensteling tot andere schrijvers, die in leugens leven. Zo'n Armando is in Berlijn de kunstenaar gaan spelen en likt en glibbert overal doorheen, jongen. Die man is één grote leugen. Mijn imitator natuurlijk. Als ik morgen in Botswana ga leven, zit hij ook in Botswana.

'Kunstenaars zijn haaien, die mekaar het licht in de ogen niet gunnen. Bij de marine is het zo: je moet op je maten kunnen vertrouwen. En die eigenschap is zeldzaam in de wereld van kunstenaars. Ik heb geen fascinatie voor uniformen maar ze vertegenwoordigen voor mij vriendschap, weetjewel. De kunstenaarswereld is één slangenkuil. Als de kunst niet was uitgevonden, zat het hele zootje in het gekkenhuis. Kontlikkers zijn het. Als ik de kont lik van meneer de museumdirecteur, hang ik morgen ook in Berlijn.

'Het leven is een eenmansguerrilla, dat is nog steeds mijn credo, ja. Wat dat betreft lijk ik op mijn vader, die ik nooit heb meegemaakt. Ook iemand die zichzelf heeft ontwikkeld, in de fabriek werkte. Die voor de oorlog op de fiets de wereld inging en daar fantastisch over schreef. Als gesoigneerde heer sliep hij in de woestijn met driedelig kostuum aan. Hij was zestig toen mijn moeder verliefd op hem werd. Een Hongaars meisje van twintig, die onder de fabrieksschoorstenen van Enschede bleef dromen van de boulevard in Boedapest.'

Enschede is de stad waar Jan Cremer en zijn moeder in een interneringskamp voor landverraders werden gestopt. De stad waar ze haar voor moffenhoer uitscholden en haar huis plunderden, om haar Hongaarse accent. Enschede maakt wat goed: met een driedaags Jan Cremer-festival in september. Wiedergutmachung? Hij haalt z'n schouders op. 'Stel dat ik die vijandschap en rancune in m'n Enschedese jeugd niet had ontmoet. Dan had ik een bron van inspiratie gemist.'

Eens beloofde Jan Cremer zijn moeder: als ik miljonair word, dan krijg je een bontjas en dan koop ik een huis voor je. Is die belofte nagekomen? Hij schraapt de keel en zegt: 'Mijn moeder en ik hebben een soort afscheid van mekaar genomen. Ze heeft gekozen voor een leven in afzondering. Ze hoort tot het soort mensen dat in desillusie leeft, niet went in het geboorteland en niet hier. Niemand kan haar helpen. Soms heb ik haar drie seconden aan de telefoon. Duurt het een minuuut, dan zegt mij vrouw: goh, wat een lang gesprek.

'Ik ben Gottglaubisch, ik geloof absoluut in het hiernamaals. Als ik aan de hemelpoort kom, weet ik dat ik naar binnen mag. Voor mijn zielenrust heb ik alles gedaan om m'n moeder te helpen.' En er is nog wat: '''Ik ben met de helm op geboren en dan heb je een zienersblik'', zeggen ze. Ik schrijf voor de Tröckener Kecks De Ballade van de Boer en ik denk aan boer Voortman in Lonneker, waar ik als kind logeerde. Ik doe die tekst een dag later op de post, koop een krant en lees: boer Voortman overleden, 108 jaar oud.

'Ik reis uit Amerika een vriendin achterna zonder haar adres te weten, en binnen drie uur heb ik haar opgespoord in Nice.' Jan Cremer heeft meer voorbeelden. Veel meer.

'Tot nu toe is het leven een vingeroefening geweest', zegt hij, na het tweede flesje wijn van tachtig gulden ('Toch niet boven je budget?') in een trendy eethuis waar The Rolling Stones onlangs werden geweigerd.

'Jong zijn is de lagere school van het leven, maar nu pas begin ik het leven te kennen. Een kunstenaar gaat niet met pensioen en kniezend naar een lullig dobbertje turen. De wereld zal nog van mij horen, jongen. Ik, Jan Cremer, ben een wolf die zich vastbijt in de strot van het leven, weetjewel. Een steppenwolf.'

Ben Haveman

Meer over