boekrecensie

Jan Blokker laat zien waarom de hbs zo’n goede naam kreeg ★★★★☆

Jan Blokker dook in de archieven van de eerste hbs-­scholen in Nederland. In een boeiend, leesbaar en allerminst saai boek beschrijft hij hoe het schooltype zo’n succes kon ­worden. ­

Aleid Truijens
Jan Blokker   Beeld Beeldend Belicht-Lionne Hietberg
Jan BlokkerBeeld Beeldend Belicht-Lionne Hietberg

Het was jarenlang een discussie op verjaardagsfeestjes die wij, ‘van na de Mammoetwet’, altijd verloren. De hbs, dát was nog eens een school. Zo jammer dat de hbs in 1974 de nek was omgedraaid. Onderwijs op hoog niveau, met een breed vakkenpakket, alfa, bèta en handelsvakken, zonder dat snobbige en overbodige Latijn.

Vaak volgde dan het rijtje beroemde oud-hbs’ers: politici als Willem Drees en Wim Kok, ondernemers Anthony Fokker en Freddy Heineken; Nobelprijswinnaars Van ’t Hoff, Lorentz en Tinbergen. Geen bleke geleerden maar mannen van de daad. Mannen ja, want de hogere burgerschool was aanvankelijk bedoeld voor de zonen van de gegoede burgerij, niet de dochters – vanaf 1871 lieten ze schoorvoetend meisjes toe. Zelf associeer ik de hbs altijd met rebelse jonge dichters als Willem Kloos en Albert Verwey, die op hun Amsterdamse hbs discussieerden met vrijdenkende leraren. Om de hbs hing iets hips van vroeger.

Een hippe school

De hbs wás hip toen de eerste scholen in 1863 begonnen. Dat ademt elke pagina van Het wonder van de hbs – Een onderwijshervorming die slaagde van Jan Blokker. Blokker (ook wel aangeduid als ‘junior’), historicus, schrijver, leraar en ooit schoolleider van een school in Hoorn die is voortgekomen uit de plaatselijke hbs, schreef over de eerste twintig jaar van het bestaan van het schooltype een proefschrift. Hoewel hij niet de 20ste-eeuwse gloriejaren van de hbs beschrijft, is het een boeiend, leesbaar en allerminst saai boek geworden.

Blokker dook in de archieven van de eerste hbs-scholen in kleine gemeenten, zoals Goes, Hoorn, Warffum, Sneek, Veendam en Enschede, en peilde de geesten van destijds. De vooruitgangsgedachte, dat het land daadkrachtige en goed onderlegde mensen nodig had om het land te moderniseren op het gebied van industrie en techniek, was de motor achter de school: niet achterblijven in een snel veranderende wereld. Optimistische lieden, met geloof in eigen kunnen, waren broodnodig. Zulke mensen leverden de toen bestaande scholen voor de gegoede burgerij, de gymnasia en de Franse scholen, niet af, en de rest van het vervolgonderwijs was van een te laag niveau. Er was een leemte, precies in de vorm van de hbs.

Dat zagen politici van confessionele signatuur ook wel, schrijft Blokker, er moest iets gebeuren om het middelbaar onderwijs te reguleren. Toch wordt het stichten en slagen van de hbs vrijwel geheel aan de dadendrang van de liberale staatsman Johan Rudolph Thorbecke toegeschreven. Onder het tweede kabinet-Thorbecke werd in 1863 de Wet op het middelbaar onderwijs aangenomen, waaruit de hbs voortkwam. De nieuwe school, voor een nieuw type hoogopgeleide burger, intelligent, ontwikkeld, maar geen geleerde, zou volgens Thorbecke ‘eene groote en blijvende weldaad aan het land bewijzen’.

Flinke overheidssubsidie

Thorbecke bedacht dat vijftien gemeenten een Rijks-hbs zouden krijgen, een groot cadeau, want de school, vaak in nieuwe of fraai gerenoveerde gebouwen, kostte de gemeenten niets. Vooral kleinere steden kregen zo’n modelschool, juist daar viel veel te winnen. Maar ook nieuwe gemeentelijke hbs’en kregen een flinke overheidssubsidie. De leraren die er zich vestigden en een rol in de gemeenschap gingen spelen, verhoogden het intellectuele prestige. Ook daar waar het onderwijs in confessionele handen was, zoals Venlo of Roermond, kwam een Rijks-hbs. Die werden niet met gejuich binnengehaald. Het waren immers openbare, goddeloze scholen, ongewenste concurrentie voor de confessionele scholen. En: kennis van de natuurwetenschappen zou het geloof in de Schepper kunnen ondermijnen.

Dat verklaart onder meer waarom de eerste hbs’en geen denderend succes waren en weinig aanmeldingen hadden. Sommige scholen vroegen ook een flink schoolgeld en de eisen waren hoog, veel leerlingen vielen af. Uiteindelijk werd de vijfjarige hbs succesvoller dan de driejarige. De vijfjarige leidde op tot leidinggevende functies in handel en industrie, en gaf toegang tot de polytechnische scholen, de voorlopers van de technische universiteiten. Ook kon je als hbs’er geneeskunde en diergeneeskunde studeren. Pas veel later gaf een hbs-diploma toegang tot vrijwel alle universitaire studies.

Bijvangst

De faam van de hbs als sociale emancipatiemachine is onterecht, althans, het was eerder bijvangst dat slimme kinderen uit de lagere burgerij erheen gingen. De school was volgens Thorbecke bedoeld om de hogere burgerstand te beschaven. ‘Het doel was maatschappelijke vooruitgang’, schrijft Blokker, ‘niet het opheffen van de standsverschillen.’

Dat deze onderwijsvernieuwing toch slaagde, is volgens Blokker te danken aan de soepelheid waarmee ze werd ingevoerd én het feit dat de leraren erachter stonden. De eerste hbs’en verschilden sterk, een gemeente kon de school kneden naar eigen behoefte. Overheid noch schoolbestuur oefende druk uit. Goed opgeleide en enthousiaste leraren, vaak gepromoveerd, bepaalden hun eigen programma, samen met een directeur die ook leraar was. Het leraarschap op de hbs stond in hoog aanzien en werd uitstekend betaald. Al snel bleek: wie van de hbs kwam, kon en wist veel.

Misschien moet je eerder heimwee hebben naar die gelukzalige omstandigheden in het onderwijs dan naar de hbs zelf.

Jan Blokker: Het wonder van de hbs – Een onderwijshervorming die slaagde. Querido; 384 pagina’s; € 24,99.

null Beeld Querido
Beeld Querido
Meer over