ColumnEDDY EN EVA POSTHUMA DE BOER

Is er iemand die kan roepen, waarschuwen, die kan voorkomen wat er te gebeuren staat?

null Beeld

Het is zondagavond in ons vakantiehuisje op het duin. Ritmisch draaiend doorklieven de lampen van de Brandaris de dichte mist die het eiland omhult. We zetten de gedopte boontjes net op tafel als in het laaggelegen dorp, waar de lichtstralen van de vuurtoren reikend naar de zee vlak overheen scheren, een man in zijn auto stapt. Hij start, begint te rijden, nadert de tweebaansweg die hellend het dorp uitloopt. Op diezelfde weg fietst een jongen, die helling op, iets voor de auto uit. De jongen heeft een vriend op de boot gezet, de boot van 7 uur.

Met die vriend, naar wie hij net heeft gezwaaid, heeft hij bij een andere vriend gegeten. Waar hebben ze over gepraat, de drie vrienden? Hebben ze gelachen, geheimen gedeeld? Waaraan denkt de jongen nu, zijn handen steeds kouder om het stuur? Nog een kwartiertje hard trappen en hij is thuis − denkt hij zoiets banaals? Waaraan denken zestienjarigen, waaraan denkt mijn eigen zestienjarige, veilig achter haar bord boontjes, waarom kan ik daar toch niet bij, waarom is de geest van de jeugd voor mij zo ondoorgrondelijk terwijl ik zelf ooit ook 16 was?

En de man in de auto, hoe is het daarmee, waar is hij met zijn gedachten? Zal hij zich die herinneren? Zijn ze onbenullig, gaan ze over de mist die maar aanhoudt, die hij rechts tussen de huizen ziet, waar normaal gesproken een horizon gloort? De torenwachters bewaken het water, de in de mist verdwenen zee. Wie bewaakt het land, de onzichtbaren op de weg? Iemand, is er iemand die kan roepen, waarschuwen, die kan voorkomen wat er te gebeuren staat? Een vrouw die haar hond uitlaat, een student van de zeevaartschool, waar is het toeval, de mazzel, het geluk? Kijk uit! Maar het is stil. En de man in de auto ziet de jongen op de fiets niet. De klap is hard. Dan is het weer stil. Wij horen sirenes, kijken op van de boontjes. Goh, dat horen we hier niet vaak. Even later kondigt het onheil zich nogmaals aan: meer sirenes.

De volgende dag is de mist niet opgetrokken. We vangen het nieuws op dat zich snel over het eiland verspreidt. De jongen heeft het niet gered. We horen zijn naam. Hoe het ging, van het etentje met zijn vrienden, van het uitzwaaien bij de boot van 7 uur. We voelen de siddering, zien de verbijstering, de tranen. Dat eilanders kunnen klagen, verhalen verzinnen, roddelen dat het een lieve lust is, wisten we. Nu zijn we getuige van iets anders, van hoe ze meevoelen en meeleven, hun verdriet delen. Met die toren van stavast die het noodlot moet tegenhouden altijd in hun midden, vormen ze met elkaar een vangnet voor wie door het noodlot wordt getroffen.

North Carolina, Verenigde Staten, 1991. Beeld Eddy Posthuma de Boer
North Carolina, Verenigde Staten, 1991.Beeld Eddy Posthuma de Boer
Meer over