Boekrecensie

Is de mens goed of slecht? Foute vraag, zegt bioloog Richard Wrangham, we zijn het allebei ★★★★★

Agressie zit in onze genen, schrijft Wrangham in De goedheidsparadox, maar we kunnen haar wél beteugelen.

Pimu was het alfamannetje van een groep chimpansees in Mahale Mountains National Park in Tanzania. Niemand durfde het tegen hem op te nemen. Tot op die ene dag, toen Pimu per ongeluk in de hand beet van Primus, een mannetje dat op dat moment Pimu aan het vlooien was. Die beet leidde tot een kort gevecht, waarna Primus een boom invluchtte. Vier andere mannetjes zagen het allemaal van een afstandje aan, en zagen ook dat Pimu twee fikse wonden had opgelopen. Ze kwamen gezamenlijk op Pimu af en vielen hem aan. Het gevecht duurde twee uur. Toen trokken de vier zich terug. Zij mankeerden niets. Pimu bloedde aan alle kanten en stierf een half uur later.

‘Coalitionaire proactieve agressie’ noemt Harvard-bioloog Richard Wrangham dit gedrag. Samenspannen om koelbloedig, doelgericht te moorden. Het komt vaker voor bij apen en andere dieren, maar dan meestal tussen verschillende groepen. Chimpanseemannetjes gaan er geregeld op uit, het oerwoud in, om een alleen lopend lid van een andere groep te overvallen en te doden. Bínnen een groep komt deze vorm van agressie zelden voor. En dan gaat het, zoals bij Pimu, om een gelegenheidscoalitie. De mens is daar veel beter in. Hij kan praten, afspraken maken, het moment kiezen.

De goedheidsparadox gaat over de vraag waarom de mens enerzijds zo’n vredelievende soort is, die zonder problemen in grote aantallen dicht op elkaar kan leven, terwijl hij anderzijds op gezette tijden buitengewoon wreed kan zijn. Het wordt steeds duidelijker dat we daarbij onderscheid moeten maken tussen reactie en proactieve agressie. Proactieve agressie is gepland, rationeel. Reactieve agressie is de directe, ‘opgefokte’ reactie op een uitdaging (of louter de aanwezigheid) van een ander.

Chimpansees vertonen een hoge mate van reactieve agressie. Maar een andere nauw aan de mens verwante soort, de bonobo, heeft daar juist nauwelijks last van. Reactieve agressie kan dus langs evolutionaire weg verdwijnen. Daarmee komt Wrangham op het beroemde werk van de Russische etholoog Dmitri Beljajev, die in een langlopend onderzoek liet zien wat er gebeurt wanneer je wilde vossen domesticeert, dat wil zeggen selecteert op verminderde agressie. Binnen enkele generaties zie je al effect en deze selectie gaat gepaard met een scala aan veranderingen dat bekendstaat als het domesticatiesyndroom. Met het verdwijnen van de reactieve agressie wordt het uiterlijk ‘kinderlijker’.

En dat syndroom is exact wat de menselijke evolutie van de laatste tweehonderdduizend jaar ook laat zien. We werden kleiner, slanker, de seksuele dimorfie verdween, onze tanden werden kleiner en onze hersenen ook (de Neanderthaler had meer brains dan wij). Daar kun je stuk voor stuk afzonderlijke evolutionaire verklaringen voor bedenken maar wellicht is er maar één oorzaak: homo sapiens heeft zichzelf gedomesticeerd. We hebben onszelf aangeleerd minder reactief agressief te zijn.

Hoe dan? Recent onderzoek wijst op de cruciale rol van proactieve agressie. Met de komst van taal nam deze een hoge vlucht en kon de reactieve vorm juist ingeperkt worden. Taal zorgde ervoor dat het voor de niet-alfamannetjes binnen een groep steeds makkelijker werd om, door collectief op te treden, al te tirannieke mannetjes te straffen, of zelfs te doden. Wrangham: ‘Door het wegselecteren van alfapersoonlijkheden werden mannetjes, voor het eerst, elkaars gelijken. In de loop van twaalfduizend generaties werd het leven steeds vreedzamer.’ Hij benadrukt overigens dat de vrouwtjes hier weinig aan hadden.

Wrangham verwerpt de vraag of de mens goed of slecht is. We zijn het allebei. Ook verwerpt hij de vaak gehoorde opvatting dat proactieve agressie (aanslagen, oorlogen) een moderne uitvinding zou zijn, een perverse ontwikkeling veroorzaakt door de uitvinding van de landbouw en het ontstaan van sociale tegenstellingen. Jagers-verzamelaars, zo wordt gezegd, kenden geen agressie. Ze waren allemaal gelijk en gingen elkaar uit de weg.

De aanwijzingen dat dit niet zo is, dat moord en doodslag toen ook voorkwamen, stapelen zich op, maar het idee van de vredige jagers-verzamelaars blijft hardnekkig populair. Wrangham vermoedt dat de aanhangers willen geloven dat geweld niet ‘normaal’ is en uitgebannen kan worden. Maar als iets ‘in de genen’ zit, zijn we nog niet gedoemd om dat ook te doen. Het betekent simpelweg dat een vreedzame samenleving niet vanzelf ontstaat. Wrangham: ‘Een vreedzame samenleving vereist inspanning, planning en samenwerking.’

En daar zijn we toevallig goed in.

null Beeld

Richard Wrangham: De goedheidsparadox. Vertaald door Marieke van Muijden en Bep Fontijn. Hollands Diep; 496 pagina’s; € 23,99.

Meer over