Ironische Martijn Padding zoekt bevrijding uit isolement

Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Amsterdam, Paradiso, 3 maart...

ROLAND DE BEER

Het zijn geen kleine onderwerpen, die de componist Martijn Padding op zijn nek neemt. In Ein Haus mit einem Dach, een nieuwe Padding die deze week in première ging bij het Schönberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw, schuwt hij het grote muzikale gebaar dat hij eerder tentoonspreidde in zijn confrontaties met Gustav Mahler. Maar ook in het understatement torst de romanticus en romantiekbevechter Padding een Heet Hangijzer.

'Is het niet eigenaardig dat de muziek ooit als middel tot verlossing heeft gegolden, terwijl de muziek toch zelf moet worden verlost, namelijk uit een plechtstatig isolement?'

Met die sombere vraag nam de spreker afscheid van het publiek, de spreker met de megafoon die in Ein Haus mit einem Dach tevens de muze diende als slagwerker. Hij voegde er nog wel iets hoopvols aan toe ('Het zal er tóch van komen, een kunst die met de mensheid op voet staat van je en jij'), maar zijn laatste woord was bêêêh, hetgeen erop wees dat de componist daar niet vurig in gelooft.

Nu viel het in Paradiso wel mee met de plechtstatigheid, want Paddings Ein Haus mit einem Dach staat in het teken van de ironie. Held en mikpunt was ditmaal Arnold Schönberg, profeet van de nieuwe muziek en kroongetuige van het isolement van deze kunst. Padding instrumenteerde zijn stuk naar het model van Schönbergs Suite uit 1926 voor drie strijkers, drie klarinetten en piano. Hij deed er een Schönbergiaans harmonium bij, en vulde de bezetting aan met licht slagwerk en een megafoon, die de percussionist - Ger de Zeeuw - ten dienste stond bij een fluisterzacht orakelen uit Schönbergs nagelaten teksten. Verder rinkelde er geregeld een deurbel, vrij naar Alban Bergs opera Lulu, en kraamde Schönberg zijn finale toekomstvisioen uit bij monde van de gekwelde Adrian Leverkühn, de naar Schönberg gemodelleerde componist uit Thomas Manns roman Doktor Faustus.

De twaalftoonstechniek is niet Paddings cup of tea, en is in Ein Haus mit einem Dach ook nauwelijks aan de orde. Wel de volle grote terts, het zuigende septiemakkoord, en de verkleuring daarvan wanneer je er in een 'matrix' van alles afhaalt en bij stopt. Het stuk opent aandoenlijk, met een zagende cellist die op zoek is naar een begintoon. Na de moeizame aanhef valt het slagwerk hem in de rede.

Dat aandoenlijke zet de toon voor de kwakende, ook wel zingende megafoon, en steekt verder de kop op in eenzame melodielijnen en unisono's, die zo klunzig zijn gezet en geïnstrumenteerd dat ze wel een bedoeling moeten hebben ('Ist eine neue Musik nötig?'). De bevrijding zit hem steeds in sierlijk ensemblewerk, waarbij de percussie een subtiele hoofdrol speelt. Het is een verrassend procédé.

Schönberg zelve praktiseerde in de Suite opus 29 de publiekswerving door de twaalftoonstechniek onder een noemer te brengen met lyrische tonen en opgewekte Tanzschritte. Het stuk kreeg van de weeromstuit een weinig subtiele, hoorbaar ondergerepeteerde uitvoering.

Roland de Beer

Meer over