Injectie met portie Schotse horror niet slecht voor Don Giovanni

Tot de mirakelen van Mozarts Don Giovanni hoort de onbestemdheid van het tijdsverloop. In het Sevilla waar Don Juan zijn dames oppikt, heerst duisternis, maar dag en nacht lijken hier niet te bestaan....

Genoeg om het lijk van de Commendatore in ontbinding te laten geraken – blijkt tijdens de nieuwe Don Giovanni van de Opera van Brussel, geregisseerd door David McVicar. Waar men zich meestal tevreden stelt met een Commendatore die als 'stenen gast' komt aanzetten, heeft de wreker in Brussel het voorkomen van Freddy Krueger uit de filmreeks Nightmare on Elmstreet.

En het werkt, de horrorinjectie van McVicar en zijn ontwerper John MacFarlane. Deze Schotten blijken experts op het gebied van de visuele beklemming. Hun slotscène, waarin de Don stuiptrekt onder auspiciën van een weids gevleugelde Pierlala tegen een vlammende achtergrond, is van een uitbundigheid die alleen kan bestaan dankzij alle beklemming die er crescendo aan vooraf gaat.

Het slot van de eerste akte is ook al een meesterwerk van spookachtigheid, en eigenlijk heeft McVicars hele enscenering de logica van één aaneengesloten slotscène. De bariton Simon Keenlyside – een gewetenlooscharmante Don Giovanni, bepruikt als Rod Stewart maar met Mozartiaanse stembanden – loopt erin rond op zwart plaveisel, neergelegd op een massagraf.

Altijd al gedacht dat seksualiteit en dood iets met elkaar te maken hadden, maar dat het je hier nog eens wordt ingepeperd, accepteer je door de rechtlijnigheid waarmee McVicar het toenemende cynisme accentueert in het damesen herenspel van Mozart en zijn librettist Da Ponte. Zelden zal het complexe ego van Donna Elvira (Malena Ernman in de rol van de verstoten juffrouw uit Burgos die de Don verwijtend en hulpvaardig blijft nazitten), genadelozer knauwen hebben gehad.

De Opera van Brussel, in de jaren tachtig uitgegroeid tot het toonaangevende Mozart-operacentrum in Europa, zou met deze dubbel bezette productie, die om en om met een andere cast wordt gespeeld, een nieuwe parel op de kroon kunnen zetten. Ware het niet dat ze muzikaal op tal van fronten teleurstelt.

Kazushi Ono, de dirigent die in de plaats kwam van Antonio Pappano, mist het theaterinstinct en de muzikale geldingsdrang van Pappano en diens voorganger Cambreling. Zijn Mozart is fijnzinnig, maar ook bleek en tamelijk afwezig. Ono's neiging tempi en voortgang te voegen naar de nukken en beperkingen van vocalisten als de weinig overtuigende Tatiana Lisnic (Zerlina) en Charles Workman (Ottavio) en de ronduit zwakke Carmela Remigio (Donna Anna), maakt dat de beklemming te vaak overgaat in ongeduld.

Meer over