Indrukwekkende poging om de wereld te redden

Stedelijk Museum, Amsterdam: Nan Goldin. I'll Be Your Mirror. Tot en met 17 augustus...

Nan Goldin, David Armstrong en Hans Werner Holzwarth (red.): I'll Be Your Mirror. Whitney Museum of American Art/Scalo, (¿ 159,60.)

Bij dit stuk staan veel te weinig foto's. Dat is de eerste moeilijkheid.

De tweede moeilijkheid is dat elke foto die je kiest, wel op de een of andere manier representatief is - in de zin van: herkenbaar, exemplarisch - maar dat zo'n losse foto in haar geïsoleerde vorm tegelijkertijd maar een fractie verraadt van de context waarvan zij deel uitmaakt. Het is alsof je aan de hand van een wervel of een schouderblad een complete dinosaurus moet reconstrueren: het is niet helemaal onmogelijk - maar een overtuigende constructie is pas uitvoerbaar, nadat je eerst alle andere botstukken hebt teruggevonden.

En dan nog: wat er in de kop van het gevaarte is omgegaan, of er iets in is omgegaan - daarover valt niets te zeggen.

In strikte zin geldt hetzelfde voor een stapel portretfoto's, een familie-album, het archief van een pasfoto-atelier. Ook als je toevallig geen sceptisch filosoof bent die zich afvraagt of andere wezens ook zijn uitgerust met een bewustzijn, dan nog is het maar de vraag wat je je moet voorstellen bij wat er zich in al die schedels heeft afgespeeld.

Een beroemd voorbeeld zijn de foto's die de Duitser August Sander in de jaren twintig heeft gemaakt van zijn landgenoten, een soort sociologische staalkaart van het Duitse volk, ingedeeld naar categorieën als boeren, industriëlen, kunstenaars, vrouwen, militairen. Menschen des 20. Jahrhunderts heette die verzameling, toen zij voor het eerst, in 1927, in boekvorm werd gepubliceerd. In het voorwoord schreef de fotograaf: 'Die Wahrheit zu sehen müssen wir vertragen können, vor Allem aber sollen wir sie unsern Mitmenschen und der Nachwelt überliefern, sei es günstig oder ungünstig für uns.'

Inmiddels behoort bijna iedereen tot die Nachwelt, maar wat Sander precies met die Wahrheit heeft bedoeld, daarmee kom je, hoe vaak je het boek ook doorbladert, geen steek verder. Interpretaties genoeg, uiteraard, gunstig en ongunstig, maar behalve dat ze uiterst speculatief zijn, zijn ze gekleurd door the wisdom of hindsight. Lukraak aangebrachte identificaties: zo zagen die Moffen er dus uit die zes jaar later de nazi's aan de macht hielpen. De toekomst was bezig op hen af te komen. Onhoorbaar roffelden in de verte de drie ruiters van de Apocalyps.

Het is een immens probleem van de portretfotografie: wat zijn de correlaties tussen a) de geportretteerde, b) de indruk die de fotograaf daarvan heeft willen registreren, en c) datgene wat daarvan in het resultaat valt terug te lezen?

Bij foto's die uitsluitend voor eigen gebruik worden gemaakt, familie-albums en wat dies meer zij, doet het probleem zich alleen in een bescheiden vorm voor, bijvoorbeeld doordat iemand vindt dat hij er stom op staat. Maar zodra hetzelfde soort foto's in grotere aantallen wordt verspreid, verandert hun betekenis. Hun particuliere symboolwaarde verdwijnt, en wat ervoor in de plaats komt is meestal of lachwekkend of gênant (of allebei).

Het is de eigenaardige formule waaruit onder meer het succes van weekbladen als Privé of het Engelse Hello! moet worden verklaard. Het idioom van het familiekiekje, waarmee zogenaamd ontspannen, huiselijke toestanden worden geregistreerd: Ben Cramer bij zijn nieuwe caravan, Linda de Mol met haar baby. Het krankzinnige is niet alleen dat dergelijke types zich op die manier laten fotograferen (wat gaat er in hun koppen om?), het krankzinnige is ook dat bijna iedereen dat soort foto's als afbeeldingen van een identificeerbare werkelijkheid lijkt te beschouwen.

De wereld is vermoedelijk niet meer te redden, maar iemand die een indrukwekkende poging doet is de Amerikaanse fotografe Nan Goldin. In de afgelopen 25 jaar heeft ze - met een systematiek die herinnert aan de grote namen van de fotografiegeschiedenis - haar persoonlijke omgeving gefotografeerd, liefdes, vrienden, kennissen, het sociale stratum waarin haar leven zich afspeelt. Het is niet direct de context die krachtige associaties oproept met The American Dream, het is eerder wat Philip Roth in zijn American Pastoral heeft aangeduid als 'the desperation of the counterpastoral', de vertwijfeling van het omgekeerde Arcadië. Het is het Amerika waaruit zelfs de herinnering aan de droom is verdwenen.

Vandaar waarschijnlijk ook het gebruik van de term spiegel, die Goldin heeft gekozen voor de overzichtstentoonstelling van haar werk, I'll Be Your Mirror, vorig jaar in het Whitney Museum in New York en deze zomer in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Die titel is ontleend aan een tekst van Lou Reed, wat op zichzelf al veelzeggend is, en heeft bovendien de allure van een programma. Het is een mededeling die zowel persoonlijk is als zakelijk, zowel bescheiden als profetisch. Ik. Toekomende tijd. Aangesprokene. Spiegel. Werkelijkheid. Eén en ondeelbaar.

Slijtvaste vrolijkheid is niet een emotie die zich gemakkelijk over de beschouwer van Goldins foto's zal ontfermen. Het doel waarmee ze zijn gemaakt, afgezien van de consequente registratie van het alledaagse, is het vinden van een expressievorm die niet al in enig ander medium bestaat. Het is een beladen begrip, en je moet het niet te vaak gebruiken, maar wat Goldin met haar for better and for worse-benadering bereikt, weerspiegelt inderdaad een norm voor authenticiteit.

Goldin staat in een traditie die op dit moment ongeveer een eeuw bestaat, een traditie die begint bij Jacob A. Riis (How The Other Half Lives) en die in het werk van fotografen als Walker Evans en Robert Frank aan de Amerikaanse fotografie haar rauwheid heeft gegeven. Die rauwheid weerspiegelt de samenleving, die van de haveloze immigranten omstreeks de eeuwwisseling, van de economische depressie van de jaren dertig, en van de jaren vijftig waarin de in de Amerikaanse grondwet verankerde pursuit of happiness steeds meer op een karikatuur begint te lijken. De uitbreiding van die werkelijkheid in de jaren zeventig en tachtig, de realiteit van drugs en aids, is in de foto's van Goldin de dagelijkse omgeving geworden.

Alleen, Nan Goldin is nog een stap verder gegaan: door nadrukkelijk ook zichzelf in die omgeving te plaatsen en door om de haverklap zelfportretten te maken, is de afstand tussen fotograaf en onderwerp (die onder haar voorgangers stelselmatig werd verkleind) tot nul teruggebracht. Daarmee is de objectief ogende reportage vertaald in het subjectieve idioom van het familie-album - maar met de aantekening dat het heilige Amerikaanse symbool van de familie, als maatschappelijk instituut, al lang is opgehouden te bestaan.

Die fragmentarische realiteit is niet eerder zo ongezouten vastgelegd. Het maakt Goldins werk, zoals alle goede fotografie, tot een geneesmiddel tegen blindheid.

En door het in een museum tentoon te stellen, verkrijgt het geheel alleen de schijn van een afgesloten dossier.

Melchior de Wolff

Meer over