In ‘Zomerleven’ is het stil te lande als het regent

Vladimir Nabokov schreef het al: de goede lezer is de herlezer. Die kijkt scherper. Aflevering 34: Gentenaar Paul Depondt herleest Cyriel Buysse....

Paul Depondt

Het kunstenaarsdorp Latem was ooit het Vlaamse Barbizon of Pont-Aven, Worpswede of Laren, een bucolisch plekje waar veel schrijvers en schilders woonden. Nu is het een klein Beverly Hills, een dorp met protserige villa’s en een golfterrein. Het landschap was ooit idyllisch; er zat nog bliek in het water, er waren nog palingvissers. Het was een klein en gerieflijk paradijs, de biotoop van schrijver Cyriel Buysse.

De aarde drinkt in zijn boeken. Het is ‘stil te lande als het regent en de aarde drinkt’, noteert Buysse (1859-1932) in zijn in 1915 uitgegeven dagboek Zomerleven. Sint-Martens-Latem, Deurle en zijn geboortedorp Nevele zijn op de kaart onooglijke stippen ten zuidwesten van Gent.

Die plekken zijn vele honderden keren geschilderd in hun lumineuze pracht of in sirop d’Anvers, Antwerpse stroop, dat typisch bruin en oker van de Latemse schilderschool. ‘Hier spreekt de liefde voor den grond’, mijmert de schrijver, ‘mijn land, mijn vaderland, mijn Vlaanderenland’.

Buysse hield weliswaar van die streek en van zijn boerendorp Nevele, maar was zeker geen schrijver van Heimat-romans, geen Stijn Streuvels of Ernest Claes. Na zijn huwelijk met de gefortuneerde Haagse weduwe Nelly Dyserinck vestigde hij zich in september 1896 in Den Haag en frequenteerde de salonwereld van de Haagse bourgeoisie.

Hij sprak Frans, maar schreef in het Nederlands. De zomers bracht hij door in Afsnee, in zijn landhuis Maison Rose, en in zijn ‘kooi’ op de Molenberg in Deurle. In die ‘schrijverskooi’, zijn maison à pattes, een klein molenhuis op vier meters hoge palen, schreef Buysse zijn boeken, zijn sociale drama’s en oprispingen, én zijn zomerdagboek.

In die notities keert hij zich tegen het stadsleven, ook met voor ons nog steeds geestig en pittig opgeschreven gemopper tegen de wereldtentoonstelling in Gent die hij in 1913 met zijn opzichtige automobiel bezocht. Hij bezingt het heuvelachtige landschap, de fauna en flora van de nog ongerepte Leiestreek.

Op 25 juli 1913 noteert hij in zijn ‘zomerdagboek’ enkele gedachten over het begin van de oogst die hij vanaf het balkon van zijn schrijvershuisje gadeslaat, ‘een dag waarnaar de boeren hunkerend verlangen, maar die mij met stillen weemoed vervult’. Hij memoreert de droevige Vlaamse spreuk: als de oogst is geschoren, is de winter geboren. Het staat ook op zijn zerk.

‘Heden is de graanoogst begonnen’, luidt het grafschrift van Buysse. Op het Gentse gemeentekerkhof rust hij onder een zwartmarmeren steen waarop een paar regels uit Zomerleven zijn gebeiteld. Dat juist die zinnen als epitaaf zijn gekozen, is niet verwonderlijk. Zomerleven, het tweede heruitgegeven boek van Buysse in de serie De Twintigste Eeuw van uitgeverij Atlas, is als het ware zijn belijdenis.

Het dagboek dat hij bijhoudt van de eerste dag van de lente tot hij begin november weer vertrekt naar zijn ‘winterkwartier’ in Den Haag, is behalve natuurdagboek ook en vooral een heel persoonlijke kroniek van het leven in het vooroorlogse Vlaanderen, ‘mijn vaderland, het mooiste land ter aarde’, een nog steeds zeer lezenswaardig natuurdagboek.

Het is eigenzinniger dan die ornithologische notities van Hans Warren. In het voorwoord heeft Buysse het over het ‘ik’, dat ‘lelijk onbehagelijk woord, dat hier telkens weer zal voorkomen’. Voor hem is de natuur nog ontegenzeglijk hyper-verrukkelijk.

Paul Depondt

Meer over