beschouwingvogelboeken

In tijden van lockdown neemt de aloude kunst van het vogelkijken opnieuw een vlucht

Een handgekleurde lithografie van de Inka-kaketoe (Cacatua leadbeateri), uit John Goulds ‘The Birds of Australia, Vol. 5' (1840-1848). Beeld John and Elizabeth Gould
Een handgekleurde lithografie van de Inka-kaketoe (Cacatua leadbeateri), uit John Goulds ‘The Birds of Australia, Vol. 5' (1840-1848).Beeld John and Elizabeth Gould

Vogelgidsen zijn niet aan te slepen, het aantal vogelmonografieën breidt zich uit en zelfs de grote en kostbare Vogelatlas van Nederland werd een bescheiden bestseller. Vogels kijken is in, meer dan ooit, en in alle lagen van de samenleving. Maar waarom vogels?

Dik van der Meulen

Op rivierdijken, langs akkers en bosranden en zelfs in een woonwijk: je kunt ze overal tegenkomen, in camouflagegroen gehulde mensen die vanuit een woud van statieven met telescopen naar een struik of graspol in de verte turen. Vogelaars, speurend naar een bastaardarend, izabeltapuit, notenkraker, ivoormeeuw of een sneeuwuil.

Als je een praatje met ze maakt of er zelf met een kijker tussen gaat staan, merk je al snel dat het een dwarsdoorsnee van de samenleving is, van fabrieksarbeiders tot advocaten en van scholieren tot gepensioneerden – een beetje eenzelvig misschien, maar graag bereid hun kennis te delen. Al is het fenomeen oud, het lijkt of je ze vaker ziet dan voorheen en dat geldt zeker voor de eenlingen en tweetallen die met verrekijkers en stevige fototoestellen de natuur intrekken. Dit is wel te verklaren: waar vroeger een beperkte groep gedreven liefhebbers elkaar op de hoogte hield, staan de meldingen van zeldzame vogels nu voor iedereen zichtbaar op internetsites als Waarneming.nl en Dutchbirdalerts.nl.

Twee IJslandse giervalken. Olieverf op doek. Beeld Jakob Bogdani (1660-1724)
Twee IJslandse giervalken. Olieverf op doek.Beeld Jakob Bogdani (1660-1724)

Los daarvan: vogels kijken is in, meer dan ooit. Vogelgidsen zijn niet aan te slepen, het aantal vogelmonografieën breidt zich uit en zelfs de grote en kostbare Vogelatlas van Nederland werd een bescheiden bestseller. De Nationale Vogeltelling is een succes. Acteurs, musici en andere publieke figuren in buiten- en binnenland treden met hun hobby naar buiten, van schrijvers als Jonathan Franzen en Margaret Atwood tot de muzikanten Mick Jagger en Paul McCartney, die we dan ook kennen van zijn liedje over de merel. In Nederland is Hans Dorrestijn inmiddels bekender als vogelkijker dan als cabaretier, terwijl onlangs ook de schrijfster Nicolien Mizee haar eerste vogelboek publiceerde. ‘Onze wandelingen duurden eindeloos en veel kilometers maakten we niet’, schrijft ze over haar vroegste vogelexpedities. Zo is het: een vogelaar is geen wandelaar maar een scharrelaar. En De Scharrelaar, dat is dan weer de passende titel van een vogeltijdschrift waarin het kijken naar vogels op een min of meer literaire wijze wordt benaderd.

Maar waarom vogels? Natuurlijk, er zijn er ook die in de ochtendschemering op zoek gaan naar reeën, een das of bunzing, die botaniseren, paddenstoelen zoeken of slakken en kevers vangen, maar de vogelaars zijn ver in de meerderheid. Er zijn allerlei verklaringen voor: in de winter is de plantenwereld goeddeels aan het oog onttrokken – wat voor de zoogdieren, reptielen en amfibieën eigenlijk in alle seizoenen geldt, terwijl vogels zich altijd en overal laten zien. Ze zijn in de regel eerder voorzichtig dan schuw. Ze bijten niet, brengen geen ziektes over en hebben niet te veel poten, maar evenmin te weinig. Daarentegen zijn ze vaak mooi gekleurd, zingen ze en zijn ze de zwaartekracht de baas. Bovendien is het een goedkope hobby: een kleine investering in een vogelgids en een wat grotere in een kijker, vooruit, maar de natuur zelf is gratis.

Pelecanus erythrorhynchos, oftewel de Amerikaanse witte pelikaan. Plaat 311 uit John James Audubons ‘Birds of America’ (1827-30). Beeld John James Audubon (1785-1851)
Pelecanus erythrorhynchos, oftewel de Amerikaanse witte pelikaan. Plaat 311 uit John James Audubons ‘Birds of America’ (1827-30).Beeld John James Audubon (1785-1851)

De belangstelling voor vogels is dan ook oud. In het Gilgamesj-epos (2500 v.Chr.) tsjilpen ze al, de Griekse mythen en sagen staan er vol van en ook in de Bijbel zijn ze talrijk – vooral in het boek Leviticus, waarin van havik, zeearend, steenuil, roerdomp en vele andere vogels benadrukt wordt dat ze de mens ‘een verfoeisel’ zijn: een geluk voor die dieren, want het betekende dat men ze niet mocht eten.

Meer dan andere wilde dieren hebben vogels tekenaars en schilders geïnspireerd. Al zijn ze op Europese prehistorische grotschilderingen schaars – vermoedelijk omdat ze zich in de marge van de jachtbuit bevonden –, elders in de wereld vind je ze wel: in Australië zijn afbeeldingen teruggevonden van de Genyornis newtoni, een loopvogel die tot 250 kilo zwaar kon worden en die meer dan dertigduizend jaar geleden uitstierf. Ook op Amerikaanse rotsen zijn prehistorische afbeeldingen van vogels niet zeldzaam. Vanaf de oudheid zijn ze overal te zien: op de muren van Egyptische graven – waar ook een miljoen gemummificeerde ibissen en roofvogels zijn aangetroffen –, op Griekse vazen en op Romeinse muurschilderingen. Hoogtepunt zijn misschien wel de fresco’s uit Pompeji, waarop houtduiven, gaaien en wielewalen zo levensecht zijn geschilderd, dat ze zo in een hedendaagse vogelgids zouden passen.

Het vogelconcert. Olieverf op doek. Musée des Beaux-Arts, Duinkerk, Frankrijk. Beeld Frans Snyders (1579-1657)
Het vogelconcert. Olieverf op doek. Musée des Beaux-Arts, Duinkerk, Frankrijk.Beeld Frans Snyders (1579-1657)

Onlangs stelde de Amerikaanse ornitholoog Roger Lederer een overzicht samen van vogels in de beeldende kunst. Een overzicht met hiaten, want vermoedelijk zijn er duizenden bekende en minder bekende schilders geweest die zich op vogels hebben toegelegd. Maar belangwekkend is het wel, omdat Lederer de vorderingen in het adequaat afbeelden van vogels in verband brengt met de ontwikkelingen in de wetenschap. Vlaamse en Hollandse dierenschilders uit de 17de eeuw als Frans Snyders en Melchior d’Hondecoeter worden zo de grondleggers van een traditie waarin later Darwins tekenaars Elizabeth Gould en Edward Lear zouden treden, maar ook de in Nederland geboren Johannes Gerardus Keulemans, en natuurlijk de onvermijdelijke Amerikaanse illustrator James Audubon, die het kostbaarste gedrukte boek ter wereld op zijn naam heeft staan.

Inhoudelijk blijft Lederers Vogels - De veranderende kijk op vogels in de kunst aan de oppervlakte en ook legt het te veel nadruk op de Angelsaksische vogelkunst (voor het Europese vasteland had dit boek eigenlijk moeten worden bewerkt). Daaraan gekoppeld doet hij onvoldoende recht aan de wetenschappelijke kracht van continentale Europeanen, waardoor bijvoorbeeld het magistrale werk van de 18de-eeuwse Amsterdammer Cornelius Nozeman ontbreekt. Maar wat geeft het? Wat Lederers boek duidelijk maakt, en daar gaat het om, is hoezeer vogels zich lenen om te worden getekend en geschilderd. Camerageniek zijn ze trouwens ook: vogels staan zelden slecht op de foto.

Ceratogymna elata, de geelhelmneushoornvogel. Waterverf en gouache. Beeld Johan Gerrard Keulemans (1842-1912)
Ceratogymna elata, de geelhelmneushoornvogel. Waterverf en gouache.Beeld Johan Gerrard Keulemans (1842-1912)

Toch gaat er niets boven de vogels in het echt. Hoe rood de borst van de goudvink op de handgekleurde platen van Gould of Nozeman ook was, het was altijd fletser dan het diepe, geschakeerde rood van de verzamelde borstveren van de levende vogel. En dus trokken liefhebbers de natuur in, ook in de 18de en 19de eeuw al, om de voorbeelden voor de plaatwerken in het echt te zien. Daarbij rees al snel de prangende vraag: hoe kon je zien met welke vogel je van doen had? De reusachtige plaatwerken van die tijd waren ongeschikt om mee te slepen naar bos en veld en de handkijker, naast een getraind oor het onmisbare gereedschap van de hedendaagse vogelaar, moest nog worden uitgevonden.

Maar er was nog een manier: de buks. Het hagelgeweer, om precies te zijn, uitgevonden in de 18de eeuw. Dat dit lange tijd de gangbare wijze was om vogels te determineren, is nog altijd te zien aan een handzaam boek dat in de 19de eeuw in Nederland populair was: De vogels van Nederland van de Leidse hoogleraar Hermann Schlegel, waarin alleen de koppen en de poten van de vogels waren afgebeeld. Onbruikbaar in het veld, maar wie een dode vogel mee naar huis nam, kon die naast Schlegels afbeeldingen leggen, waarna de uitslag bijna altijd ondubbelzinnig was. Met de komst van de kijker aan het eind van de eeuw was deze hardhandige methode niet langer nodig, maar menig vogelliefhebber hield eraan vast. Befaamd was de tweestrijd tussen de zachtmoedige natuurkenner Jac. P. Thijsse en de vogelbeschermer René Charles baron Snouckaert van Schauburg. De eerste trok er zelden zonder verrekijker op uit, maar de edelman hield vast aan zijn geweer, met als devies: ‘de ornitholoog heeft niet alleen het recht maar zelfs de plicht om wat zeldzaam of uniek is te trachten in handen te krijgen’.

Een Clarks fuut (Aechmophorus clarkii), een Bigua-aalscholver (Neotropic cormorant) en een Amerikaanse slangenhalsvogel (Anhinga anhinga). 1934. Waterverf en gouache op papier. Beeld Allan Cyril Brooks (1869-1946)
Een Clarks fuut (Aechmophorus clarkii), een Bigua-aalscholver (Neotropic cormorant) en een Amerikaanse slangenhalsvogel (Anhinga anhinga). 1934. Waterverf en gouache op papier.Beeld Allan Cyril Brooks (1869-1946)

Gelukkig heeft de richting van Thijsse het gewonnen. De bloei van het vogelkijken heeft bijna alleen maar voordelen, als we de incidentele verstoringen door de vingers zien. Vogelaars zijn allang niet meer op jacht naar trofeeën en de wetenschap heeft ze ook niet meer nodig. Daarentegen zijn ze een belangrijke factor voor de bescherming van vogels en daarmee van het landschap waarin ze nestelen en foerageren. En in tijden van lockdowns, of ze nou hard zijn of zacht, is het vogelkijken een bijna noodzakelijk alternatief voor museumbezoek en winkelen. De natuur is immers niet alleen gratis, maar kan ook niet op slot.

Roger J. Lederer: Vogels – De veranderende kijk op vogels in de kunst. Noordboek Books; 224 pagina’s; € 39,90.

Nicolien Mizee’s Vogelboek. Van Oorschot; 256 pagina’s; € 24,50.