boekrecensie

In Rampjaar 1672 zijn de getuigenissen geen franje, maar de pijlers van het verhaal ★★★★★

Luc Panhuysen vertelt boeiend over het onheil dat Nederland in het Rampjaar 1672 te verduren kreeg. Uit een bloemlezing van zijn brieven komt Johan de Witt naar voren als een machteloze toeschouwer van het naderende gevaar.

Sander van Walsum
null Beeld  Avalon Nuovo
Beeld Avalon Nuovo

Nederland zou kunnen worden opgevoerd als voorbeeld van de – discutabele – stelling dat vrede de mensen vet en gezapig maakt. In 1648, bij de Vrede van Münster, legde de Republiek de wapens neer – na Spanje tachtig jaar te hebben bevochten. Dat deed ze enigszins onwillig, want de oorlog had haar veel welvaart en internationaal prestige gebracht. ‘De oorlogsgod Mars had de Nederlanders gestaald en meer dan dat: hij had ze gevormd’, schrijft historicus Luc Panhuysen in de herziene editie van zijn boek over het Rampjaar 1672.

Aanvankelijk had de oorlog de Nederlanders overwegend leed gebracht. ‘Huil, huil als je wilt en zo vaak als je wilt’, dichtte Justus Lipsius. ‘De beker van de rampspoed zul je toch drinken.’ Oorlog was tenslotte ‘een doelbewuste straf uit het arsenaal van de allerhoogste rechter’. Maar na vele bittere jaren ontpopte God zich als weldoener voor de Nederlanders en riep een predikant Hem dankbaar toe: ‘Gij hebt ons land gemaakt tot een pakhuis, tot een beurs en tot de winkel van Europa, ja van heel de wereld.’

Nederland nam afscheid van de oorlog als verdienmodel, had geen behoefte meer aan een stadhouder en inde gretig het vredesdividend. Het hield nog een toonbare vloot in stand, die met succes enkele zeeslagen met de Engelsen uitvocht, maar verwaarloosde zijn defensie op het land. Toen de Franse koning Lodewijk XIV allianties aanging met Engeland en de bisschoppen van Keulen en Münster om de Republiek tot een rompstaatje te reduceren, leken de regenten in Den Haag zich niet bewust van de naderende gevaren.

Dat besef daagde pas nadat Lodewijk en zijn bondgenoten zonder noemenswaardige tegenstand de oostelijke provincies onder de voet hadden gelopen, Utrecht hadden ingenomen en uiteindelijk slechts van het hart van Holland waren gescheiden door de waterlinie – een smalle strook drassig land die zich uitstrekte van Muiden tot Gorcum. In die desperate toestand bevond de Republiek zich in de zomer van 1672, het jaar dat op goede gronden als het ‘Rampjaar’ de boeken is ingegaan.

Uitputtingsslag

Van deze episode weet de hedendaagse Nederlander die enig geschiedenisonderwijs heeft genoten weinig meer dan dat een bloeddorstige meute zich bij de Gevangenenpoort in Den Haag vergreep aan de gewezen raadspensionaris Johan de Witt en diens broer Cornelis, dat met de herroeping van het Eeuwig Edict het pad werd geëffend voor prins Willem III als stadhouder en kapitein-generaal (opperbevelhebber) van het Staatse leger, en dat Lodewijk XIV en diens bondgenoten uiteindelijk afdropen. Minder bekend is dat het Rampjaar zich feitelijk tot diep in 1673 uitstrekte en dat er een uitputtingsslag met Frankrijk van vele decennia op volgde die de financiële en mentale draagkracht van de Republiek te boven ging. De korte Gouden Eeuw, waarvan de naam hoe dan ook ter discussie staat, was in 1672 dus feitelijk ten einde.

Luc Panhuysen beschrijft de lotgevallen van de Republiek tijdens de zeventien rampmaanden op basis van de correspondentie van de Utrechtse regent Godard Adriaan van Reede, de hoofdbewoner van kasteel Amerongen, zijn vrouw Margaretha Tunor en hun (enige) zoon Godard van Reede, heer van Ginkel. Het is een beproefde methode om te laten zien wat de weerslag was van belangwekkende gebeurtenissen op het leven van ooggetuigen. Soms is daarbij voor die ooggetuigen niet meer dan een rol als edelfigurant weggelegd. De familie Van Reede heeft echter meegeschreven aan de dramaturgie van het Rampjaar.

Godard Adriaan poogde als diplomaat bondgenootschappen tot stand te brengen tussen de Republiek, de keizer van het Heilige Roomse Rijk en de Duitse vorsten – van wie de keurvorst van Brandenburg, Frederik Willem, de belangrijkste was. Margaretha vluchtte bij de nadering van de Franse troepen – die kasteel Amerongen in de as zouden leggen – naar het relatief veilige Holland. Eerst naar Amsterdam, later naar Den Haag. Van daaruit bestookte zij haar echtgenoot met onheilstijdingen uit het belaagde vaderland. Daarin raakte ze zo bedreven, dat Godard Adriaan haar na enige tijd liet weten graag van nog meer slecht nieuws verschoond te willen blijven. Zoon Godard ten slotte, bevond zich tijdens het Rampjaar (en tijdens de oorlogen die daarop volgden) als bevelvoerend militair van het Staatse leger steeds in de nabijheid van het front – dat gaandeweg steeds meer in zuidelijke richting opschoof.

Geen kunstgrepen

Vader, moeder en zoon belichaamden dus ieder een aspect van het Rampjaar. Hun getuigenissen zijn niet de franje bij het boeiende verhaal dat Panhuysen (ook nu weer) vertelt, ze vormen er de pijlers van. En nergens heeft de auteur zich van kunstgrepen hoeven te bedienen om hun ervaringen in het grote verhaal onder te brengen: zij waren onderdeel van de beproevingen van het Rampjaar.

Die beproevingen waren overigens ten dele van Nederlandse makelij. In haar jammerbrieven spreekt Margaretha aanhoudend haar ergernis uit over de povere staat van de landsverdediging, het bedroevende moreel in de belaagde gewesten en het volledige gemis aan urgentie bij de regenten in Den Haag. ‘Het leek wel alsof men de oorlog dacht te winnen met vergaderen.’ Het was aan Amsterdam – de machtigste stad van de machtigste provincie – te danken dat de Republiek niet in de zomer van 1672 capituleerde.

Te midden van het onheil dat over de Republiek werd uitgestort – haar bewoners konden uitsluitend moed putten uit enkele onbesliste zeeslagen – werd het belangrijkste wapenfeit door vrijwel niemand opgemerkt: de effectiviteit van de waterlinie, die niet van de ene op de andere dag zichtbaar werd. Anders dan bij het nageslacht had de waterlinie bij veel tijdgenoten een belabberde reputatie. Burgers en buitenlui die voor graafwerkzaamheden waren opgeroepen, verschenen niet. Boeren probeerden de inundatie van hun land ongedaan te maken – een vergrijp dat na het aantreden van prins Willem III als stadhouder en kapitein-generaal met de dood kon worden gestraft.

Orgie van wraakzucht en bloeddorst

In het boek van Panhuysen is voor de gebroeders De Witt een tamelijk bescheiden rol weggelegd – wat wellicht samenhangt met het feit dat de belangrijkste personages intensievere contacten onderhielden met Willem III, de voornaamste tegenstrever van Johan de Witt. Voor hem en voor zijn oudere broer Cornelis verliep het Rampjaar in de meest letterlijke zin noodlottig. Op 20 augustus werden zij in de nabijheid van de Haagse Gevangenenpoort, waar Cornelis sinds 7 augustus had verbleven, ‘op beestachtige wijze vermoord’ – zoals de orgie van plebejische wraakzucht en bloeddorst in de geschiedenisboeken doorgaans wordt omschreven.

Uit de honderden brieven die de raadspensionaris de voorgaande maanden had ontvangen en verstuurd, heeft een projectteam van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, aangevoerd door Ineke Huysman en Roosje Peeters, een becommentarieerde bloemlezing samengesteld. Hierin figureert Johan de Witt als een betrekkelijk machteloze toeschouwer van de rampen die zich steeds dichterbij voltrekken.

Wat voor de Romeinen gold, gold ook voor het Bataafse volk, schreef Johan de Witt op 12 augustus, acht dagen nadat hij als raadspensionaris was teruggetreden, in wat vermoedelijk zijn laatste brief was. ‘Bij voorspoed eisen allen voor zich de eer, bij tegenspoed wijt men het één.’ Mogelijk had Willem III de gebroeders De Witt voor hun gruwelijke lot kunnen behoeden. De samenstellers van de bloemlezing schrijven het niet met zoveel woorden, maar deze opvatting klinkt wel duidelijk door in de introductie van meerdere brieven.

Zo zou de prins een funeste rol hebben gespeeld in de lastercampagne die de gebroeders De Witt de laatste maanden van hun leven moesten ondergaan. Johan de Witt vroeg Willem III tegen zijn belagers in bescherming te worden genomen, maar de prins gaf rijkelijk laat en met halfslachtige formuleringen gehoor aan dat verzoek. Het kwam erop neer dat Willem III het te druk had om zich in het waarheidsgehalte van alle aantijgingen te verdiepen. En daarmee droeg hij allerminst bij aan de tempering van de volkswoede in de bewogen zomer van 1672.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Luc Panhuysen: Rampjaar 1672 – Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte. Atlas Contact; 473 pagina’s; € 25. ★★★★★

null Beeld Catullus
Beeld Catullus

Ineke Huysman en Roosje Peeters (red.): Johan de Witt en het Rampjaar – Een bloemlezing uit zijn correspondentie. Catullus; 271 pagina’s; € 24,99. ★★★★☆