'In Nederland leer je niet om te verleiden'

Architect Florian Idenburg (35) oogst succes met zijn uitgesproken, licht provocerende ideeën. Hij studeerde in Nederland, begon in Tokio, en heeft nu een eigen bureau in Amerika....

Door Kirsten Hannema

Het project waarmee architect Florian Idenburg tien jaar geleden afstudeerde aan de faculteit Bouwkunde in Delft was een gebouw zonder functie. Het had een nogal ongedefinieerde vorm en een wazige gevel van meerdere lagen rood glas. Zijn idee was om deze zogenaamde ‘blur’ aan de Wibautstraat in Amsterdam te zetten, naast het Paroolgebouw – door veel bewoners als een van de meest lelijke plekken van de stad benoemd. ‘De enige functie van mijn ontwerp was om Amsterdammers het vertrouwen in de hedendaagse architectuur terug te geven.’

Florian Idenburg (Heemstede, 1975) had toen al uitgesproken, licht provocerende ideeën over architectuur. Zijn afstudeerproject was ‘een aanklacht tegen de nostalgische manier waarop er wordt omgegaan met de architectuur in de binnenstad van Amsterdam’.

Idenburg had ook een duidelijk, ambitieus plan voor zijn carrière bedacht. Na zijn afstuderen in 2000 vertrok hij direct met een beurs naar architectuurmekka Tokio om te werken voor het architectenduo Kazuyo Sejima en Ryue Nishizawa. Hun bureau SANAA ontving dit jaar de Pritzker Prize, de belangrijkste prijs op het terrein van architectuur. Vanuit SANAA was hij als (piepjonge) projectarchitect verantwoordelijk voor grote projecten als het Stadstheater in Almere en het New Museum in New York.

Tijdens een masterclass aan het Berlage Instituut had hij Kazuyo Sejima ontmoet. Idenburg beschrijft hoe zij al inhalerend aan haar sigaret aan een tafel ontwerpen zat te beoordelen: ‘This I like. This I not like’. Dat sprak hem aan. Niet zozeer de manier waarop ze ongezouten haar mening gaf, maar het feit dat het eindelijk eens niet over argumentatie, maar over schoonheid ging – een woord dat in Delft taboe was.

‘Toen ik in Delft les kreeg, was de hype rond Superdutch – architecten als Rem Koolhaas, UN Studio, MVRDV – op zijn hoogtepunt. Hun ‘Nederlandse methode’ was heel rationeel, heel technisch.’ Idenburg doelt op gebouwen als het Moebiushuis van UN Studio, dat gebaseerd is op het wiskundige symbool voor oneindigheid, en de bibliotheek van Koolhaas in Seattle, die een door hem getekend schemaatje met het programma van eisen letterlijk vertaalde in een gebouw van elf verdiepingen waarbij elke verdieping een eigen functie heeft.

‘Het is niet zo dat ik de architectuur van Koolhaas en UN Studio als ‘slecht’ zou willen kwalificeren. Het gaat mij er vooral om dat die methodiek klakkeloos door volgelingen is overgenomen, zonder de complexiteit die erin besloten ligt in acht te nemen. In Nederland is het zo dat je met heel goede argumenten een heel lelijk gebouw kunt maken. Ik zocht naar een minder letterlijke benadering om tot een vorm te komen.’

In 2007 besloot hij met zijn partner Jing Liu (Nanjing, 1980) een eigen bureau in New York op te richten, Solid Objectives – Idenburg Liu (SO-IL). Een bureau dat nu al naam begint te maken met opdrachten in Amerika, Europa en Azië. Zo won SO-IL dit jaar de prestigieuze Jonge Architectenprijsvraag van het MoMA; deze zomer is hun installatie Pole Dance te zien op de binnenplaats van het P.S.1 Contemporary Arts Centre in New York. En alsof dat nog niet genoeg is, kreeg Idenburg dit jaar de Charlotte Köhler Prijs toegekend. Afgelopen dinsdag nam hij de prijs, een vrij te besteden bedrag van 20 duizend euro, in ontvangst in Amsterdam.

Idenburg heeft, net als zijn vrouw, op drie continenten gewoond en gewerkt. (Jing Liu groeide op in China, Japan en Engeland en studeerde architectuur aan de Tulane School of Architecture in New Orleans). ‘Het is een zegen om alle drie de continenten te kennen. De verschillen zijn enorm. In Japan is er helemaal geen theorie, architectuur is daar een optelsom van kunst en techniek. In Nederland is de benadering het meest maatschappelijk en procesmatig; architectuur wordt letterlijk ‘geformuleerd’. In Amerika staat architectuur juist geheel los van de maatschappij en speelt alles zich af op academisch niveau. Architectuur is hier een soort filosofie, een gesloten wereldje met een heel sterke cultuur. En architectuur is hier vooralsnog een private aangelegenheid, het zijn eigenlijk altijd huizen. Wat dat betreft, biedt Amerika misschien wel de beste perspectieven voor de toekomst, als er opdrachten in de publieke sector komen. Nederland is op dat gebied min of meer verzadigd.

'Het ambivalente fascineert me'
SANAA en Japan brachten Idenburg in aanraking met de ‘mystieke’ kant van architectuur, zoals hij het zelf noemt. De kunst van het verleiden. ‘Net zo goed als er technieken zijn om te construeren, zijn er technieken om te verleiden. Maar ze worden in Nederland niet onderwezen, er wordt nauwelijks over gesproken. Deze kant van architectuur heeft meer een raakvlak met de kunst; en in het modernisme zijn dergelijke technieken not done.

Idenburg leerde in Japan op een meer intuïtieve manier werken. Niet vanuit een vooropgesteld beeld, maar van binnenuit. ‘Bij het ontwerp voor het New Museum zijn we begonnen met een zoektocht naar de perfecte afmetingen voor de expositieruimten. Daarna volgden talloze maquettestudies om de lichtinval te optimaliseren. Daarna is pas de keuze gemaakt voor het materiaal voor de gevel.’

‘Architectuur wordt tegenwoordig veelal gedreven door data, door het werken met computers. De zintuigen worden daarbij genegeerd. Vragen als ‘hoe komt het licht binnen, hoe beweeg je van de ene naar de andere ruimte’ zijn naar de achtergrond verdrongen. De virtualisering van de samenleving zorgt voor een desinteresse in de zintuigen.’

Naïviteit is een andere eigenschap die hij bij SANAA op waarde heeft leren schatten. ‘Alleen door steeds ‘waarom?’ te blijven vragen kun je tot iets nieuws komen.’ Als voorbeeld noemt hij het Stadstheater in Almere. ‘De opdracht was: maak een muziekschool. Waar denk je dan aan? Gangen met lokalen en dikke muren die het geluid tegen houden. SANAA draaide het om: ze stelden voor een gebouw zonder gangen te maken (maar met grote open ruimtes en patio’s) en muren van twee centimeter dik (voorzien van een specifieke isolatiemethode). Dat is gelukt. Overigens kon dat alleen omdat SANAA, net als andere Japanse architecten, over een enorme hoeveelheid technische kennis beschikt.’

Die liefde voor innovatie, voor techniek, voor ambachtelijkheid is terug te zien in het werk dat hij nu met zijn eigen bureau SO-IL maakt. Idenburg is net terug uit China, waar hij en zijn partner zelf werken aan de fabricage van een gevel voor de galerie die ze in Seoul bouwen. Bij de bouw daarvan is het vertrekpunt een witte doos geweest, de expositieruimte. Daaruit stulpen alle andere functies (entree, wc, installatieruimte) naar buiten. Het geheel is gewikkeld in een soort maliënkolder. Doordat dit materiaal het licht weerkaatst en semitransparant is, geeft het gebouw de beschouwer geen eenduidig beeld.

Dat is evenmin het geval bij het huis dat Idenburg en Liu voor grafisch ontwerper Ivan Chermanyeff in New York ontwierpen. Het is een woning in de lijn van Mies van der Rohes Farnsworth House, een glazen doos die zich op pootjes verheft boven het groen. Idenburg en Liu deelden die doos als het ware op in meerdere, losjes aan elkaar geschakelde kubussen. Anders dan bij het Farnsworth House, dat zich verheft boven de natuur, neemt de natuur hier bezit van de ruimtes tussen de kubussen.

De zintuiglijke aanpak die Idenburg voorstaat, is terug te vinden in de installatie Pole Dance. Het ontwerp voor de binnenplaats van P.S.1, is in feite een metafoor voor deze zinneprikkelende benadering. De installatie bestaat uit een grid van slappe palen, dertig meter hoog, die aan de bovenzijde met behulp van elastieken met elkaar verbonden zijn.

Er hangen hangmatten aan, er liggen ballen op het net. Je kunt in de palen klimmen, eraan duwen en trekken, en daarmee weer een balspel beginnen. Bovendien zijn acht palen voorzien van speakers, die door de veranderingen in positie geluid produceren.

Het grid staat symbool voor het modernisme. Maar terwijl een grid normaal gesproken een rigide structuur impliceert, is deze structuur flexibel. Idenburg: ‘Het is een zwak systeem, net zoals de wereld zelf.’ De installatie past zich aan aan de mensen die er een interactie mee aangaan, en de natuur. Het is eigenlijk een omkering van de gangbare architectuur. Terwijl architecten normaal gesproken zoeken naar manieren om mensen en natuur te ‘reguleren’, wordt de controle hier deels door de architect uit handen gegeven. Zonder dat er chaos ontstaat; de installatie zorgt vooral voor heel veel lol.

Is dit het ‘herkenbare idioom’ waarover in het juryrapport van de Charlotte Kohler Prijs wordt gesproken? ‘Blur-gebouwen’, een soort ‘slap modernisme’? – om de termen te bezigen die Idenburg zelf gebruikt. De jonge architect vindt het nog te vroeg om al te spreken van een eigen stijl. ‘Ik weet eerlijk gezegd niet of we wat wij doen, op onze intuïtie afgaand, op een waterdichte manier kunnen beargumenteren. Ja, ik heb absoluut een fascinatie met het ambivalente. Maar we zoeken in elk project, elke locatie iets nieuws. Dat is ook mijn persoonlijke drive bij het ontwerpen. Het zou zelfs vervelend zijn om nu al ‘het antwoord’ te vinden.’

Uiteindelijk zou hij wel graag een bijdrage leveren aan ‘een nieuwe stijl die deze tijd representeert’. ‘Al is wat wij doen natuurlijk ook weer beïnvloed door andere architecten: SANAA, Koolhaas, Aldo van Eyck, Rudolf Steiner.’ Idenburg kent het werk van zijn voorgangers en collega’s goed. Al tijdens zijn studie was hij bijzonder geïnteresseerd in de kunst- en architectuurgeschiedenis en de architectuurtheorie. Inmiddels geeft hij, evenals partner Liu, al een aantal jaar zelf les aan gerenommeerde architectuurscholen als Harvard en Princeton. Daarnaast publiceert hij veel essays waarin hij zijn visies blootlegt. Hij is een architect die het bouwen, de theorie en het artistieke in zich verenigt.

Ondanks al het succes, heeft ook Idenburg moeite de crisis te overleven. Van de elf werknemers die hij nu in dienst heeft, zijn er acht stagiair. Zijn eerste doel op dit moment is blijven bouwen en niet – zoals zo veel andere jonge architecten – een toevlucht zoeken in ander werk. Dat is lastig. Door de affaire Madoff – Ivan Chermanyeff had al zijn geld geïnvesteerd bij de Amerikaanse ex-zakenman, -belegger en veroordeeld fraudeur – werd de bouw afgeblazen van diens huis, waarvoor alles, van de bouwvergunning en de aannemer tot het gat in de grond al in gang was gezet. Het ontwerp voor studentenhuisvesting in Griekenland, resultaat van een internationale prijsvraag voor jonge architecten, staat ook ‘on hold’ door financiële onzekerheden. ‘Elke opdrachtgever reageert nu hetzelfde: ‘Ja, leuk. Als we geld hebben’.

‘Ik weet nog dat ik als zestienjarige een scriptie schreef over Berlage, waarbij ik onderzocht waarom de socialist Berlage alleen maar voor het grootkapitaal bouwde. Mijn conclusie was dat idealen en bouwen moeilijk met elkaar te rijmen zijn. En dat Berlage een salonsocialist was. Maar inmiddels is mij ook duidelijk dat als je wilt bouwen, je wel kapitaal nodig hebt.

Meer over