In menige stille avond klinkt een snerpende gil

Aan sommige boeken van je jeugd bewaar je een onuitwisbare herinnering. Maar valt de magie van toen nu nog te begrijpen?...

Truus Ruiter

‘Sammerrrnappels!’, wat kan die Bas Baanders ontploffen. De temperamentvolle Veluwse kippenboer die telkens als een stoomlocomotief op het gevaar af dendert om zijn pleegzoon Fer Donkers te redden, is een wandelende vulkaan. Met een knalrode zakdoek veegt hij steevast het zweet van zijn roodaangelopen kop.

Wat het eerst opvalt bij herlezing van mijn favoriete jeugdboek-serie, Pim Pandoer, zijn de clichés. Schrijver Carel Beke (1913-2007), de leraar Frans en Duits in Arnhem die in 1953 zijn eerste PP-boek aflevert, houdt er wel van. Fietsen suizen voortdurend de helling af, voor de schrik is er hete thee, dan wel koffie, er worden sigaartjes en pijpjes gerookt met een ‘gezellige rookwolk’, en in menige ‘doodstille avond klonk een snerpende gil’.

Ik was 9 toen ik aan de serie begon, op het spoor gebracht door mijn oudste zus die toe was aan de bibliotheekboeken in de kast van 12 tot 15 jaar. Ik kon niet wachten. ‘Tombe la neige’, zong Adamo op Radio(piraat) Veronica en ik verloor me in de avonturen van Pim Pandoer, zeker veertien boeken lang. De schilderachtige omslagen van illustrator Frans Lammers spraken zeer tot de verbeelding.

Nu, vier decennia later, struikel ik over Beke’s ‘literaire’ trucje van de vooruitwijzingen: ‘Zij vermoedden totaal niet, hoe op diezelfde mistige dag nog een serie spannende gebeurtenissen plaats greep’, ‘Want intussen gebeurden er in het hart van het slapende Arnhem schokkende dingen, waarvan zelfs de goede Bas Baanders grijze haren zou krijgen!’ Ook de hoofdstukken moeten de nieuwsgierigheid prikkelen: ‘De noodkreet van Pim Pandoer’, ‘Onprettig weerzien!’.

Typerend is het perspectief van de alleswetende verteller die terug- en vooruitblikt en alle gebeurtenissen van meerdere kanten belicht: zo kijk je door de ogen van de held, zo zit je met een boef in een duister hol. Maar het lijdt geen twijfel naar wie onze sympathie uit moet gaan. De Rode Spin, PP’s grootste opponent, wordt geïntroduceerd als een ‘behendige boosdoener’ met een ‘boos addertje in zijn hart’. Hij heeft een rossig stoppelbaardje, draagt een groezelig petje en een vettig jasje. Kortom, een echte griezel.

Stomverbaasd was ik bij het herlezen dat Fer Donkers, de man die een tweede leven leidt als Pim Pandoer, een beschadigde oorlogswees is die zich uit wraakgevoelens in deel 1 ontpopt als ‘de schrik van de Imbosch’. Blijkbaar ben je als kind meer geïnteresseerd in gebeurtenissen dan in achtergrondinformatie of motieven. Ook Bas Baanders haalt nog wat oorlogsherinneringen op, maar ik lees ze voor het eerst.

In een zwarte overall overvalt PP moeders met kinderen, berooft oude dames van hun tasjes en toeristen van hun camera’s. Hij bedwelmt ze met ether. Uiteindelijk betuigt hij spijt, en vermomt hij zich alleen nog voor de goede zaak. Er wordt vaag iets gezegd over een straf, maar in deel 2, een jaar later, is Fer in Delft afgestudeerd en heeft hij een ‘schitterende betrekking bij de KEMA, het keuringsinstituut in Arnhem – niet gek voor een struikrover. ‘Die dekselse kwajongen, sammerrrnappels!’

Meer over