In hun smoel gespuugd

Was er een nieuwe vertaling van De Gebroeders Karamazov nodig?..

Het deel in Dostojevski's Verzamelde Werk, in de 'RussischeBibliotheek', waarin dat boek is opgenomen, is van 1958. Dat is - ik noteer het enigszins beduusd - bijna een halve eeuw geledenen in die halve eeuw is er veel gebeurd met het Nederlands: veelversleten, veel veranderd, veel ook van toonhoogte engeluidssterkte veranderd. Laat iemand zich bij Jan van der Eng,de vertaler van destijds, 'niet langer tergen', dan wil diegenevandaag de dag, bij Arthur Langeveld, zijn tegenstanders 'in hunsmoel spugen'.

Of dat een verbetering is, weet ik niet zeker; maar als je hetals een achteruitgang beschouwt, valt die moeilijk de vertalerte verwijten. De Karamazovs en hun entourage hebben in de nieuwevertaling hun handschoenen uitgetrokken en nemen geen blad meervoor de mond. Het is al te zien aan de titel: De GebroedersKaramazov werden De broers Karamazov, met als argument dat ze inhet Russisch ook zo genoemd worden en dat 'gebroeders' iets isvoor firmanten en vennoten, beetje opgedirkt ouderwets. Er zijnpassages in Langevelds vertaling waarbij je vreest dat hij nogeven overwogen heeft het boek maar in één keer helemaal bij detijd te halen door het De broertjes Karamazov te noemen, naaranalogie van bloedverwante topsporters ('De Boer') en snaaksejournalisten ('Haasbroek').

De voorbeelden zijn legio. Wat je verliest is deafstandelijkheid, wat je wint is de ongeremdheid: 'tergen' isbeslist geremder dan 'in hun smoel spugen', 'gebroeders' zijnongenaakbaarder dan 'broers'. Allebei die stemmingen doen zichóók bij het lezen voor: er bestaat een leeshouding dieonontwarbaar samengaat met 19de-eeuwse romans, met praten inplechtige schrijftaal. Woordgebruik en bejegeningen beklemtonende afstand in de tijd tussen het boek en zijn huidige lezer,zoals de kamer die je al lezend binnengaat is gemeubileerd metspullen uit een uitdragerij. Die distantie is niet altijdonplezierig.

Maar bij die broertjes Karamazov past ze niet - en dat is hetbeslissende argument voor de kolossale opdracht die de uitgeverop de schouders van de vertaler heeft gelegd. Want als je, waardan ook in dat boek, een willekeurige bladzijde opslaat, dan isde kans groot dat je in een gesprek belandt dat vooral bestaatuit het schreeuwen van onvergeeflijke verwijten: vader Karamazovlelijk boven zijn theewater, ten minste twee van zijn zoons methet schuim op hun lippen en de vonkende moordlust in hun blikken,de derde ingegraven in een schuttersputje vanwaaruit hij zijnsarcastische opmerkingen afvuurt, en de laatste volkomen overzijn toeren en uitwijkend naar stamelend gekwezel. Who's afraidvoor vijf gezinsleden, bij het licht van een paar kaarsen entussen de canapés en de Biedermeier-tafels. Daar tergen zemekaar weliswaar het bloed onder de nagels vandaan, maar ze doenhet kwattend en tierend.

Of je, zoals de vertaler soms doet, zover moet gaan deverwildering van hun taalvaardigheid ook aan te passen aan dehuidige spellingsanarchie en 'ik vindt' te schrijven of 'ikwordt', betwist ik. Het kan wel zijn dat het merendeel van deuniversitair dubbel gediplomeerden dat inmiddels ook doet, maareen beetje afstand tot modieuze gekkigheid kan geen kwaad.

Het scherpst wordt Langeveld wanneer hij de romanfiguren laatpraten. Bij Van der Eng spraken de personen van lagere komaf nogals bedienden in een toneelstuk van Herman Heijermans, bijLangeveld wringen ze zich in allerlei bochten en brengen hetsoort proza voort waar verbaliserende agenten of sollicitantenvoor een administratieve betrekking hun toevlucht toe nemen. Foutop fout, deftige formules net verkeerd gebruikt, onbeholpen endus komisch. Langeveld is trouwens toch erg goed in hetindividueel kleuren van het taalgebruik van de verschillendepersonages.

Wat win je daarmee?

Iets cruciaals. Inzet van het boek is een panischebespiegeling over schuld en verantwoordelijkheid, over de vraagof mensen aan te spreken zijn op hun gedrag of dat er voor iederewandaad en elk onredelijk verwijt wel een verklaring ligt in deafkomst en ellendige belevenissen van de daden of spreker. Decentrale vraag is of je, in het licht van een lawine parmantigeinzichten van sociaal-wetenschappelijke komaf, iemand nog wel terverantwoording kunt roepen over zijn optreden. Afkomst en milieu,genen en trauma's: voor alles is wel een verklaring, maar is dieverklaring ook een rechtvaardiging? Alles begrijpen is allesvergeven, de regels die het gedrag inperken zijn willekeurig enworden bepaald door de tijd en de mode, rombom wat maal ik erom.

Maar is dat wel zo? De moord op vader Karamazov zie je vangrote afstand aankomen, de ontreddering van elk van zijngeteisterde zoons is deerniswekkend. Dat maakt hun wanhopigegedrag begrijpelijk. De één springt uit de band, de anderkrijgt een tik van de godsdienstige mode en een derde klampt zichvast aan een enigszins studentikoos rationeel cynisme: 't isalsof je een korte rapportage van het Sociaal en CultureelPlanbureau over de huidige malaise in Nederland krijgtvoorgelegd. Maar moet het bij constateren blijven?

Dostojevski worstelt bijna duizend pagina's en ettelijkescènes lang met de vraag of er samen te leven valt zonder eenmetafysische dimensie, zonder een hogere, buitenmenselijke enbovenmenselijke autoriteit. Het aantrekkelijke is dat dat eenscherpzinnige vraag is - en het gevaar van de ouderdom van zijnboek is dat die vraag in het glazen kastje van het verleden wordtopgeborgen. De robuuste spreektaal van de nieuwe vertaling helptdat voorkomen: het kan wel zijn dat Dostojevski zich het hoofdbreekt over de vraag waar de moraal en de morele autoriteitblijven wanneer je, wetenschappelijke argumenten en rationeleoverwegingen bij de vleet, God dood verklaart, maar juist doorzijn begrippen en termen kan hij een tobber uit een vreemd landlijken. De dieper liggende vraag is echter niet gebonden aan eenandere eeuw, andere interieurs en zelfs niet aan 'God'. Het'normen en waarden-debat' van ons huidige kabinet oogt weliswaargereformeerd, het signaleert wel degelijk een lastig vraagstuk.

Bij Dostojevski wordt precies dat debat pijnlijk op de spitsgedreven. Dat komt doordat de problematiek hem werkelijkobsedeert - en dat maakt De broers Karamazov afwisselendbedwelmend en fascinerend. Pseudo-wetenschappelijk gebabbel, dehypocrisie van de sociale verklaring voor zowat elk soort geweldis van alle tijden en dat maakt de filosofische twistgesprekkendie er in De broers Karamazov worden gevoerd zo indringend. Hetgaat er soms over God en het gaat Dostojevski beslist ook om God,een ondoorgrondelijke God van Oost-Europese mystieke signatuurbovendien, maar die God kan als een tijdelijke hypothese wordenbeschouwd voor de kwestie van het waardenrelativisme. Als Godniet bestaat is alles geoorloofd, of juist niet? Kan eensamenleving zonder morele autoriteit, kan een individueel mensdaarzonder?

Dostojevski had, op het eind van zijn leven, de gewoonte zijnboeken te dicteren; de verering van Bill Gates heeft in het derdekwart van de 19de eeuw haar pendant in de verering van destenografie - en bovendien had hij haast, want schulden. Ik denkdat je dat kunt zien, de schrijver schrijft niet, maar hij praattegen iemand. Die iemand was bovendien zijn aanzienlijk jongerenieuwe vrouw. Daardoor weidt hij soms op een komische manier uit,begint van alles toe te lichten, verliest de draad van zijnverhaal en moet zichzelf hernemen. Doordat het thema zo vaststaaten hem zo, nou ja, tergt, lukt hem dat. Het effect is dat hijook, bijna anderhalve eeuw later, tegen ons praat, dwingend,onverzettelijk, alsof hij ons zijn twijfels in het gezicht wilspugen.

Maak je daar maar eens los van. Nog dagen later sta je hetspeeksel uit je wenkbrauwen te pulken.

Meer over