Reportage

In het Textielmuseum in Tilburg leer je alles over kleuren – en voor wie wil: je kunt ze ook proeven

De kleur van kleding en ander textiel heeft vaak betekenis, maar áltijd een geschiedenis. Het Textielmuseum in Tilburg wijdt een verhelderende tentoonstelling aan kleurstoffen, en die is boeiend voor het hele gezin.

Cécile Narinx
Jasje van studio Nienke Hoogvliet in samenwerking met Zeefier, the Linen Project en Enschede Textielstad, geverfd met blaaswier (midden), kunstwerk van Susana Mejía, gekleurd met kurkuma (rechts). Beeld Josefina Eikenaar / Textielmuseum
Jasje van studio Nienke Hoogvliet in samenwerking met Zeefier, the Linen Project en Enschede Textielstad, geverfd met blaaswier (midden), kunstwerk van Susana Mejía, gekleurd met kurkuma (rechts).Beeld Josefina Eikenaar / Textielmuseum

Wat hebben kastanjes te maken met kaki legeruniformen? En schildluizen met vuurrode vlaggen? Wat kleur betreft: alles. In beide gevallen werd de kleurstof voor het te verven textiel gehaald uit de natuur. Gele verf uit de bolsters van Amerikaanse kastanjebomen, rode uit cochenilleluizen die voorkomen op Mexicaanse cactussen. Er kleeft daardoor aan die kleurstoffen een verhaal over klimaat, ontginning en winning, verwerking en verspreiding. Maar tegelijkertijd een historie van handel en inventiviteit, soms ook van hebzucht en het uitputten van zowel mankracht als bodem. Zo zijn het verhalen die gaan over de mensheid zelf.

Kleur is, kortom, een thema waarover je kunt blijven praten, met een relevantie waar je u tegen zegt. Dat vindt ook curator Adelheid Smit, die voor de nieuwe tentoonstelling Kleurstof in het Textielmuseum in Tilburg het concept ontwikkelde. Het onderwerp heeft alles in zich wat Smit fascineert: creativiteit, duurzaamheid, inventiviteit en makerschap. Toen ze drie jaar geleden in de race was voor haar huidige baan, noemde ze het idee al tijdens haar sollicitatie, omdat het precies past bij het museum. Logisch dus dat ze, nadat ze was aangenomen en zodra het weer kon na alle lockdowns, haar plan afstofte en met een groot team onderzoekers en andere collega’s uitwerkte tot een kloeke tentoonstelling die komend half jaar te zien is.

Smit (bruine jumpsuit) is dus gepast trots als ze de Volkskrant (gele bloes) een korte introductie geeft over de tentoonstelling. Ze vertelt dat ze scherpe keuzes hebben moeten maken, want voor je het weet, schotel je de bezoekers zo veel kleurstoffen voor dat alles zich (in het hoofd van de kijker dan toch) vermengt tot één grote grijze brei, en dan schiet je je doel voorbij. Daarbij werd er beslist dat deze tentoonstelling alleen mocht gaan over de pigmenten en de verhalen erachter, niet over de vele betekenissen die kleuren hebben in verschillende religies en samenlevingen. ‘Het Tropenmuseum heeft twaalf jaar geleden een grote tentoonstelling gewijd aan de kleur rood’, zegt Smit. ‘Het is de kleur van de macht, woede, gevaar, liefde, bloed. Ongelooflijk interessant, maar dat duidingsaspect hebben we uit zelfbehoud achterwege gelaten. Hier gaat het puur en alleen over het hoe van de kleurstof.’

Een chronologische indeling maken bleek schier onmogelijk, zegt Smit, omdat de ontdekking en toepassing van bepaalde kleurstoffen op verschillende momenten op meerdere plekken in de wereld plaatsvond, en de uitvinding van synthetische kleurstoffen niet betekende dat de natuurlijke pigmenten uitgerangeerd waren. Nog een duidelijke keuze: alleen de primaire kleuren blauw, geel en rood mochten meedoen, en, in een achterafzaaltje, de non-kleuren zwart en wit.

Bij elke kleur is er gekozen voor één textiel object dat illustratief is voor het toepassen van de verfstoffen in die kleur, en een object dat een kunstenaar speciaal voor deze expositie heeft gemaakt. Verder komen er per kleur meerdere kleurstoffen, zowel natuurlijk als synthetisch, aan bod. Op foto’s en videobeelden ziet de bezoeker hoe ze toegepast worden en wat het resultaat is.

Voor kinderen is er een extra route gemaakt waarbij er, op kinderhoogte, kan worden gekeken, geluisterd, gespeurd, gestemd en gepuzzeld. En geroken en geproefd: wie dat wil – en durft – kan cochenilleluizen of zure sumakbesjes eten en ruiken aan kurkuma, wat aan de ieuw-klanken van de aanwezige kinderen te horen diep doorvoelde reacties oproept.

Installatie ‘Origin of Blue’ (2022) van Panamees-Nederlandse kunstenaar Antonio José Guzmán, textielontwerper Iva Jankovic en indigomeester Sufiyan Khatri uit India. De doeken zijn geborduurd met symbolen uit verschillende oude Afrikaanse geschriften. Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum
Installatie ‘Origin of Blue’ (2022) van Panamees-Nederlandse kunstenaar Antonio José Guzmán, textielontwerper Iva Jankovic en indigomeester Sufiyan Khatri uit India. De doeken zijn geborduurd met symbolen uit verschillende oude Afrikaanse geschriften.Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum

Blauw

Het eerste object in de blauwe hoek van de expositie is, hoe kan het ook anders, een spijkerbroek. Omdat die wereldwijd zo immens populair zijn en er gigantisch veel water nodig is bij het verven, heeft het produceren van jeans enorme impact op het milieu en op de gezondheid van de mensen die ermee bezig zijn.

Voor de productie van één spijkerbroek, van het kweken van katoen tot het draagbare eindproduct, is circa 7.500 liter water nodig. Hele rivieren in de Filippijnen en Bangladesh hebben te lijden onder het afval van op aniline gebaseerde synthetische kleurstoffen dat erin achterblijft. Planten en vissen laten het leven door een gebrek aan licht en zuurstof.

Nog zo’n blauwe boosdoener: blauwhout, afkomstig van campêchebomen, die groeien in Zuid- en Midden-Amerika. Door blokken van het blauwhout te raspen, kan er kleurstof worden geëxtraheerd. Een zwaar en vies karweitje, dat van de 16de tot de 19de eeuw in rasphuizen werd uitbesteed aan criminelen en daklozen. Nog zo’n droevig verhaal: bij de verbouwing en winning van de kleurstof indigo, gewonnen uit tropische planten, was er sprake van slavernij.

Gelukkig hebben niet alle blauwe kleurstoffen zo’n dubieuze achtergrond. Heel anders en een stuk milieuvriendelijker is het verven met pigmentproducerende bacteriën. Deze methode behoeft geen chemicaliën, verbruikt minder energie en water, en laat geen afval achter. Living Colour, het biodesign-project van de Nederlandse ontwerpers Laura Luchtman en Ilfa Siebenhaar, experimenteert bijvoorbeeld met de Janthinobacterium lividum, een bacterie die de stof violaceïne uitscheidt en als het ware op de stof groeit. Voor Puma ging het duo aan de slag met het verven van polyester sportkleding die, eenmaal in bezit genomen door de bacterie, wolkachtig blauwpaars kleurt. Een noviteit, want normaal gesproken lukt het verven met natuurlijke kleurstoffen alleen met dierlijke of plantaardige vezels.

Wandkleed ‘Shepherd’s Touch’ (2022) van Claudy Jongstra, geverfd met wede en indigo. Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum
Wandkleed ‘Shepherd’s Touch’ (2022) van Claudy Jongstra, geverfd met wede en indigo.Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum

Ook reuze milieuvriendelijk en creatief: de Nederlandse kunstenaar Claudy Jongstra, die werkt met ambachtelijk gesponnen wol van haar eigen schapen. Voor de tentoonstelling weefde ze in het textiellab van het museum een metersbreed wandkleed dat ze verfde met de natuurlijke kleurstoffen wede en indigo waarin fructose als bindmiddel fungeert, wat een zachtblauw resultaat geeft, als van een afgedragen spijkerbroek.

Geel

In de gele hoek van de expositie staan een fauteuiltje van Artifort uit 1955, overtrokken met synthetisch okergeel geverfde stof van De Ploeg, centraal, en een legeruniform uit de Tweede Wereldoorlog. Dat legeruniform, wees onderzoek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit, is geverfd met extract van Amerikaanse kastanjebolsters. Die kastanjeverf werd van oudsher al toegepast door de Cherokee, die een diepe connectie ervoeren met de vaak huizenhoge en eeuwenoude kastanjebomen. Later gebruikten de nieuwe Amerikanen de kastanjes als handelswaar, als bron van kleurstof en tanine om leer mee te looien.

Toen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog de vraag naar kaki uniformen toenam, werden er commerciële plantages aangelegd en ontstond een monocultuur. Linke boel, want bij de kruising met grotere en productievere Japanse kastanjes liftte een schimmel mee die in veertig jaar tijd 4 miljard bomen doodde. Het resulteerde in spookbossen waaruit de eekhoorns en in hun kielzog poema’s en rode lynxen zijn vertrokken.

Schets voor ‘Van aster tot zuring: verfplanten en verhalen’, april 2022, Nan Groot Antink. Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum
Schets voor ‘Van aster tot zuring: verfplanten en verhalen’, april 2022, Nan Groot Antink.Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum

Een pijnlijk voorbeeld van hoe een traditionele techniek wordt toegeëigend en om zeep geholpen door kolonisatie. Dat toe-eigenen is, vertelt Smit, helaas een praktijk van alle tijden en streken: zo ging het ook met de techniek van de Samí in Noord-Zweden, die brandnetels en ander ‘onkruid’ gebruiken om hun garens te verven. De in Rotterdam woonachtige Zweedse kunstenaar Angelica Falkeling, zo toont een uitvoerige video, begon een project om zich die oude techniek eigen te maken en de herkomst daarbij duidelijk te benoemen.

Nog een interessante kleurenkunstenaar: de Colombiaanse Susana Mejía, die lokale kennis over natuurlijke textielverven uit de Amazone wil behouden. Zij liet de elf planten en talloze verfrecepten die de inheemse bevolking gebruikt documenteren en maakt met die kennis installaties. In de Tilburgse expositie staat een reusachtige, harige sculptuur geverfd met kurkuma, dat een felgele kleur afgeeft en geneeskrachtige eigenschappen zou bezitten.

Staaltjes van door Nienke Hoogvliet met zeewier geverfde stoffen.  Beeld Evy Cornelissen
Staaltjes van door Nienke Hoogvliet met zeewier geverfde stoffen.Beeld Evy Cornelissen

Ook in Nederland zijn er in de natuur kleurstoffen te vinden. Onder water bijvoorbeeld, in de vorm van zeewier. Ontwerper en activist Nienke Hoogvliet en ondernemer Anne Boermans baseerden er hun bedrijf Zeefier op, dat verf voor industriële toepassing ontwikkelt op basis van gekweekt zeewier. Voordeel is dat er geen landbouwgrond, bestrijdingsmiddelen en drinkwater voor nodig zijn, en het snel groeit. Al naar gelang de ondergrond (wol of katoen) levert het zachte tinten op die van beige en oranje reiken tot lichtblauw en paarsgrijs.

Verhalen genoeg, kortom, omdat er aan elke kleur meer anekdoten kleven dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Vandaar dat curator Smit, die eigenlijk van plan was alleen een korte inleiding te geven en dan de tentoonstelling zijn werk te laten doen, toch nog verder meeloopt en dolenthousiast doorvertelt. In de zwart-witkamer wijst ze op een verfproject met restinkt uit printers en op een stokoud stalenboek met zwarte stofreepjes, gebruikt door staalmeesters, zoals ze ook op het beroemde schilderij van Rembrandt staan.

Zwart is geen officiële kleur, klopt, maar wel een heel interessante, zeker voor Nederland. Omdat in de Gouden Eeuw het diepdonker verven van stoffen kostbaar en arbeidsintensief was, stond het dragen van zwarte kleding voor rijkdom – denk aan praalhans Marten Soolmans en zijn bruid Oopjen op die andere welbekende schilderijen van Rembrandt. Bijkomend voordeel van diepzwarte kleding is dat op een donkere ondergrond het kostbare spierwitte kantwerk piekfijn uitkwam.

Links: wandkleed ‘Transmigration’ van Porfirio Guttiérez (2022), geverfd met cochenille. 
Rechts: installatie ‘Turkish Red’ van Studio Formafantasma, bestaande uit zijden doeken geverfd met meekrap. Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum
Links: wandkleed ‘Transmigration’ van Porfirio Guttiérez (2022), geverfd met cochenille. Rechts: installatie ‘Turkish Red’ van Studio Formafantasma, bestaande uit zijden doeken geverfd met meekrap.Beeld Josefina Eikenaar-TextielMuseum

Rood

En dan komen we uiteindelijk bij de grande finale van de tentoonstelling: de rode zaal, die Smit dan ook maar meteen zal duiden en toelichten. Hoofdrolspelers hier zijn cochenilleluizen, runderbloed en meekrap, alle drie geschikt om textiel rood mee te kleuren.

Cochenilleluizen zijn parasieten die leven op cactussen in Midden- en Zuid-Amerika. Om hun karmijnrode verfstoffen te kunnen oogsten moeten ze kort na de voortplanting van de planten af worden geschraapt, gedroogd en vermalen tot poeder. Zowel de Inca’s, Maya’s als Azteken verfden ermee. Zelfs op het gezicht, want de vloeistof uit een stukgedrukte luis kan dienstdoen als lowbudgetlippenstift of -rouge.

Kunstenaar Porfirio Gutiérrez in zijn verfwerkplaats in Californië. Beeld Javier Lazo
Kunstenaar Porfirio Gutiérrez in zijn verfwerkplaats in Californië.Beeld Javier Lazo

De cochenille is – woordgrapje van de curator – wel echt een rijkeluis. Simpelweg omdat je er karrevrachten van nodig hebt om er bijvoorbeeld een tapijt mee te kleuren. Als dat gebeurt, mag het resultaat er ook wezen. Speciaal voor het Textielmuseum maakte de Mexicaans-Amerikaanse kunstenaar Porfirio Guttiérez een dieprood wandkleed met vlinders. Maar liefst 750 gram cochenille was daarvoor nodig, en dat kostte 110 duizend luizen het kortstondige leven.

In Zeeland waren het gewoon planten die zorgden voor het felrood van napoleontische officiersjassen en tapijten. Meekrap was de naam, een plant met stevige wortels die al sinds de Middeleeuwen met bloed, zweet en tranen werd gerooid door landarbeiders. Ze vormden de basis van een voor Schouwen-Duiveland en Tholen belangrijke industrie, die na de uitvinding van de synthetische kleurstof (een toevalstreffer van de Brit William Henry Perkin) binnen 25 jaar ophield te bestaan.

Een klein monumentje is er in de laatste zaal ook voor het bloed van runderen, dat vroeger vaak werd gebruikt om, in combinatie met meekrap, de tint Turks rood te verkrijgen. Tegenwoordig wordt het vooral gebruikt om vlees er smakelijker uit te laten zien.

Of er dan geen natuurvriendelijke alternatieven zijn om kleren en ander textiel rood te maken? Zeker wel, zo blijkt. In Weesp is het Nederlandse bedrijf Clean Dye druk doende om een procedé te verfijnen waarmee ‘droog’ geverfd kan worden – zonder water dus, en zonder watervervuiling. CO2-verven heet die techniek. Door CO2 te verhitten en onder hoge druk te brengen, kan polyester textiel aan een synthetische verfstof binden. Het bewijs, een vrolijke jurk van Bonprix, hangt er in het niet te missen knalrood naast.

Kleureka!

Na een mislukt experiment met koolteer in 1856 wilde de 18-jarige scheikundestudent William Henry Perkin de zwarte smurrie wegpoetsen met ethanol. Als bij toverslag ontstond er een felpaars prutje, nu bekend als de eerste synthetische kleurstof: mauveïne. Perkins begon een verffabriekje en bekwaamde zich in het verven van katoen en zijde. Toen koningin Victoria en keizerin Eugénie in hippe paarse jurken verschenen, werd de kleur een wereldhit. En Perkin rijk en beroemd.

Meer over