BOEKRECENSIEEr is geen ander zijn dan anders zijn – Denken met Carry van Bruggen

In haar mooi geschreven liefdesverklaring aan Carry van Bruggen vraagt Barber van de Pol veel aandacht voor zichzelf ★★★☆☆

null Beeld Martyn Overweel
Beeld Martyn Overweel

Met soepele pen geeft vertaler en publicist Barber van de Pol haar – dikwijls rake – visie op het leven en werk van Carry van Bruggen. Daarbij heeft ze het wel erg graag over zichzelf.

Veelgeprezen vertaler en publicist Barber van de Pol (1944) ging naar eigen zeggen onmiddellijk in op het uitgeversverzoek om een boek te wijden aan Carry van Bruggen (1881-1932), nog steeds een van de imposantste denkers en schrijvers uit de Nederlandse letteren. Een biografie was nadrukkelijk niet de bedoeling. Het pakte uit als een liefdesverklaring, met in elk geval deze verdienste: je krijgt meteen zin om het werk van de bewierookte uit de kast te trekken.

Bijvoorbeeld De verlatene (1910), wat mij betreft verplichte lectuur voor iedereen die meent dat antisemitisme in dit land amper voorkwam en/of goedmoedig was. Of Een coquette vrouw (1915), portret van een huwelijk waarbij Edward Albees Who’s afraid of Virginia Woolf bleekjes afsteekt. Of Eva, haar laatste, briljante roman uit 1927, zo’n boek dat bij elke herlezing wint aan glans en diepgang. En haar filosofische essays, natuurlijk: Prometheus (1919) en Hedendaags fetisjisme (1925). Die zijn minder toegankelijk, maar ook daarin tref je voortdurend parels aan. De spanning tussen individu en gemeenschap was de kwestie die haar een leven lang zou bezighouden. Faam verwierf ze met de uitspraak: ‘Distinctiedrift is levensdrift. Eenheidsdrift is doodsdrift.’ Haar motto: ‘Er is geen ander zijn dan anders zijn’ – de titel die Van de Pol gaf aan haar boek.

Principiële individualist

Als principiële individualist had Van Bruggen een afkeer van alle ismen. Zo gaf ze blijk van een scherp oog voor misplaatste mannelijke superioriteit, maar van het feminisme wilde ze niks weten. Dat belet feministische schrijfsters van nu overigens niet om uitgerekend haar vrouw-zijn te benadrukken – zie het essay van Fleur Speet, Jannah Loontjens en Manon Uphoff, onlangs in dagblad Trouw. Van Bruggen zou ervan rillen. Ze wilde niet serieus genomen worden als vrouw. Ze wilde serieus genomen worden als mens.

In navolging van medebewonderaar historica Annie Romein-Verschoor stelt Van de Pol vast dat Van Bruggen kampte met een drievoudige achterstand: ze was Joods, autodidact en vrouw. Ze groeide op in een groot gezin in Zaandam, als dochter van de chazan, de voorzanger. Haar zielsverwante broertje, de latere jurist en schrijver Jacob Israël de Haan, kwam exact 364 dagen na haar ter wereld. (Zij geboren op Nieuwjaarsdag, hij op Oudjaarsdag.) Ze werkte als onderwijzeres aan een Amsterdamse armenschool, tot ze trouwde met de journalist Kees van Bruggen, die om haar zijn huwelijk opbrak. Ze vertrok met hem naar Nederlands-Indië, kreeg twee kinderen, begon te publiceren, keerde terug naar Amsterdam, had een lange verhouding met schrijver Frans Coenen, scheidde, vestigde zich in kunstenaarsdorp Laren, hertrouwde met de veel oudere kunsthistoricus Adriaan Pit – naar verluidt een mariage blanc.

Tijdgenoten beschrijven haar als een flamboyante persoonlijkheid. De sigaret immer onder handbereik (in een tijd dat zulks als ongepast gold voor een vrouw), kortgeknipt haar (idem), hypergevoelig, hyperintelligent, praatziek, charmant, heel gevat en heel vermoeiend. Volgens journalist Henri Wiessing was ze in haar jonge jaren ‘trantel en zó koket, dat velen als een slaaf haar volgden en enkele anderen prompt in de eerste de beste boom klommen voor zelfbehoud’. Schrijfster Annie Salomons: ‘Ik heb zelden iemand ontmoet, die zo veelzijdig, zo ongelijk, zo onberekenbaar en ondoorgrondelijk was. Ze kon getuigen als een profeet en vlak erna speels en dwaas zijn als een kleine jongen.’

In 1928 raakte ze overwerkt en stortte ze in een depressie waar ze niet meer uit zou komen. Uiteindelijk zou ze thuis overlijden na een overdosis medicijnen, nog maar 51 jaar oud. Of haar zelfdoding weloverwogen was dan wel impulsief, blijft ongewis. Anders dan Virginia Woolf, met wie ze dikwijls is vergeleken, liet ze geen afscheidsbrief na.

Op de begrafenis sprak ‘niemand uit de letterkundige wereld’, constateerde bezoeker Ernst Heldring (vader van de latere NRC-columnist J.L. Heldring) in zijn dagboek, hoewel ‘de gelegenheid’ daartoe geboden werd. De weduwnaar ‘stond daar hoog en toch zielig, omgeven door de onaanzienlijke Joodsche bloedverwanten van de overledene. Het was een droevige geschiedenis.’

Tegenwoordig mag Van Bruggen fier in de canon staan, de contemporaine ontvangst van haar werk was op z’n minst gemengd. De romans en verhalenbundels beleefden weliswaar herdruk op herdruk, haar wijsgerige werk kreeg pas postuum brede erkenning. Onder meer Menno ter Braak (‘Aan haar heb ik mezelf ontdekt, ademloos’), J.L. Heldring, Renate Rubinstein, Abram de Swaan en Frans Kellendonk verklaarden zich schatplichtig aan haar gedachtengoed.

In al haar teksten, fictie en non-fictie, verwerkte Van Bruggen haar eigen ervaringen. Toch ging het haar niet om het particuliere, juist niet. Op weergaloze wijze wist ze het daar bovenuit te schrijven. Ik belijd mezelf altijd, zei ze in 1914, in het enige interview dat ze ooit gaf. ‘Maar dit mag niet over ’t hoofd gezien: dat ik van mezelf slechts vertel wat ik algemeen menschelijk in me vind. Zoo wordt dat werk iets méer dan een klein[e] subjectieve biecht, omdat – zooals Anatole France het zegt – uit je stem, op dat oogenblik, de stem van alle menschen klinkt.’

Associëren

Ook Van de Pol heeft het graag over zichzelf, maar dan anders. Om de haverklap trekt ze associërenderwijs parallellen tussen Van Bruggen en haar eigen biografie – met anekdotes uit haar jeugd, uit haar bestaan als vrouwelijke intellectueel, uit haar liefdesleven, uit haar gezin en vriendenkring. Zo vertelt ze over de ‘sterke armen’ van partner P., over de verkrachting van dochter L. (‘Die dagen haatte ik alles met ballen tussen de benen’), over hoe ze ooit na het Boekenbal een A4’tje vol Spaanse schuttingwoorden toegestuurd kreeg van wijlen dichter Riekus Waskowsky. En o ja, dat ze ‘als tiener al’ van menstrueren hield. Ronduit hilarisch wordt het als ze Van Bruggens geworstel met seks gebruikt voor een korte verhandeling over de geheimen van het vrouwelijk orgasme (‘Zou het helpen pubers daarover voor te lichten?’).

Jammer zijn daarnaast de slordigheden. Dat van die drievoudige achterstand schreef Annie Romein-Verschoor niet in het voorwoord op Hedendaags fetisjisme, zoals Van de Pol beweert, maar in Vrouwenspiegel. En Cissy van Marxveldts ‘fidele Joop ter Heul’ zou doodgaan? Joop heeft het eeuwige leven, zoals elke oud-bakvis weet. Het was Jet van Marle uit Top Naeffs ook genoemde School-idyllen die een voortijdig sterfbed vond.

Geen misverstand: Van de Pol heeft een prachtige, soepele pen. Haar analyses van Van Bruggens werk zijn dikwijls raak en behartigenswaardig. Haar sneren naar het hedendaagse feminisme (‘Woolf, de doodgeknuffelde lieveling van de genderianen’) klinken me bovendien als muziek in de oren. Maar een liefdesverklaring waarin de minnaar continu aandacht vraagt voor zichzelf gaat op den duur toch een beetje tegenstaan.

null Beeld Querido
Beeld Querido

Barber van de Pol: Er is geen ander zijn dan anders zijn – Denken met Carry van Bruggen. Querido; 312 pagina’s; € 21,99.

Meer over