boekrecensie

In een enkele scène weet biograaf Jolande Withuis een heel karakter neer te zetten ★★★★☆

Biograaf Jolande Withuis schreef een mooi, scherp en veelzijdig portret van de bijna vergeten Jeanne Bieruma Oosting, die leefde voor haar kunst en daarvoor een prijs betaalde.

Aleid Truijens
null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

Al in de inleiding pakt Jolande Withuis haar lezers in. Misschien weten sommigen niet wie Jeanne Bieruma Oosting (1898-1994) was, de schilderes en grafica over wie haar nieuwste biografie gaat, maar je begrijpt meteen waardoor Withuis zo geïntrigeerd is door haar. In 1990 had ze een legendarische ontmoeting met Oosting. Als cadeau voor haar promotie mocht Withuis een kunstwerk uitzoeken. Ze wilde graag iets van Oosting hebben, maar de galerie die haar werk verkocht had niets van haar voorkeur.

Kort daarna belde Oosting op. Withuis’ man nam op. De kunstenares, met ferm stemgeluid, vroeg Withuis of ze op haar atelier iets kwam uitzoeken; het beviel haar dat zij een ‘geleerde vrouw’ was. De vrouw die opendeed, zag er anders uit dan Withuis zich herinnerde van indrukwekkende zelfportretten: een morsige verschijning, een sigaret bungelend in een mondhoek. Ze gaf Withuis een standje: waarom had een mán haar telefoon opgenomen? Was ze dan getrouwd, ze was toch een wetenschapper? Streng zei de 92-jarige Oosting, altijd vrijgezel gebleven: ‘U kunt toch geen twee heren dienen?’ Een kopje thee zat er niet in, maar Withuis ging weg met een mooie aquarel.

Leven voor haar kunst

In deze scène zit eigenlijk al de hele Jeanne Bieruma Oosting. Withuis schreef een mooi, scherp en veelzijdig portret van een vrouw die leeft voor haar kunst, compromisloos, zonder banden. Een vrouw die, ondanks haar nederige uiterlijk, gezag en zelfverzekerdheid uitstraalt met haar fiere houding en gedecideerde optreden. Haar adellijke afkomst, waar ze zich fel tegen afzette, verloochende zich niet helemaal: ook zij straalde uit dat de wereld vanzelfsprekend van haar was.

Toch had Oosting veel moeten bevechten voordat zij werd wie ze wilde zijn. Ze was afkomstig uit een Fries aristocratisch milieu dat van oudsher macht, geld en land bezat. Ze woonde op kastelen, in een omgeving waar de verhoudingen nog volstrekt feodaal waren. Haar moeder was een barones, haar vader een grootgrondbezitter, een van de rijkste mensen van Friesland. Hun rijkdom stond in schril contrast met de armoede in de omgeving. De familie was berucht om hun hondse omgang met ondergeschikten.

Vrouwen en meisjes mochten in dat milieu niets: niet studeren, niet werken, niet op zichzelf wonen. Hun enige levensdoel was een goede partij aan de haak slaan en erfgenamen baren. Mannen werden geacht ook niet te werken, maar te jagen en het bezit te inspecteren. Withuis schetst hoe de wereld rondom Jeanne langzaam veranderde. Er kwam leerplicht en vrouwenkiesrecht; het socialisme was in opkomst. Maar in haar ouderlijk huis veranderde niets. Jeanne deed niets liever dan tekenen en had talent, maar van een kunstopleiding kon geen sprake zijn. Al hingen de wanden van de familiehuizen vol met schilderijen, zélf kunst maken en verkopen was ondenkbaar.

Brieven tussen moeder en dochter

Withuis moest het doen met weinig primaire bronnen, maar de correspondentie die Oosting naliet, met vrienden en vooral met haar moeder, biedt veel inzicht. Hoewel de band tussen moeder en dochter moeizaam was, lieten ze elkaar niet los. Haar vader kleineerde haar met sadistisch genoegen en hield macht via zijn financiële toelage. De moeder is in haar brieven onvoorspelbaar, nu eens bezorgd, dan weer bedillerig, en vooral bang dat Jeanne de familie te schande zal maken.

Het was haar moeder die bij haar man gedaan kreeg dat Jeanne in Den Haag in een pension mocht wonen en schilderlessen volgen. Daar besteedde Jeanne al haar tijd aan tekenen en schilderen; ze ging met sprongen vooruit. Haar talent werd snel erkend. Ze kwam tot grote bloei tijdens een jarenlang verblijf in Parijs, het artistieke centrum van de wereld. Daar leerde zij andere kunstenaars kennen – Nederlanders als Charley Toorop en Kees van Dongen, de Franse beeldhouwster Jane Poupelet en de Weense Mariette Lydis, die de spil was van een lesbische scene waarin ook Oosting thuisraakte.

Oosting ging naakten schilderen, rauw en realistisch, en legde de ellende van de Parijse zelfkant vast. Ze was vaak te zien op tentoonstellingen en ze maakte naam, ook in Nederland. Ze ging zich toeleggen op grafiek, waarvoor ze veel waardering oogstte, al vond men de thematiek van dit werk grimmig en somber. Haar latere werk, veelal landschappen, interieurs en stillevens, was zachter en vond veel liefhebbers. Oosting verkocht goed, maar ook zij hoefde niet haar eigen kost te verdienen. Na de dood van haar ouders ontving ze een kolossale erfenis.

Eenzaamheid en onvervuld verlangen

Oosting betaalde volgens Withuis een prijs voor haar keuze voor de kunst: eenzaamheid, en een onvervuld verlangen naar intimiteit. Haar liefdesrelaties, met mannen en vrouwen, eindigden teleurstellend. Vriendinnen, zoals grafica Roline Wichers Wierdsma, op wie ze smartelijk verliefd was, en schrijfster Netty Nijhoff, behandelden haar bot, en zij pikte het. Haar vriend, de dichter Adriaan Roland Holst, die de reputatie had elke vrouw die hij tegenkwam in bed te lokken, wees Jeannes avances af. Ze vond altijd troost in haar werk.

Waarom de publieke belangstelling voor Oostings werk na de Tweede Wereldoorlog oorlog afnam en waarom het na haar dood in de vergetelheid raakte, wordt deels door Withuis verklaard. Er kwamen nieuwe, luidruchtige stromingen op, zoals Cobra. Misschien werkte Oostings veelzijdigheid tegen haar: ze was niet bij één kunstvorm, genre of stroming in te delen. In de kunstkritiek ging het altijd over de mate van vrouwelijkheid: haar vroege werk was te ‘manlijk’, haar latere werk ‘typisch vrouwelijk’. Met beide zou Jeanne Bieruma Oosting het stellig oneens zijn geweest.

Jolande Withuis: Geen tijd verliezen – Jeanne Bieruma Oosting 1898-1994. De Bezige Bij; 468 pagina’s; € 39,99.

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij
Meer over