In de huid van de gewone soldaat

KOREA-OORLOG (1950-1953) VIETNAM-OORLOG (1957-1975) Zijn foto’s uit Korea en Vietnam zijn iconen. David Douglas Duncan (92) fotografeerde nooit het gezicht van een gesneuvelde soldaat....

De fotograaf scharrelt door de hoge woonkamer. Hij zoekt tussen de bronzen beeldjes in de vensterbank, voor de hoge, ronde ramen, met achter het glas een imposant uitzicht op de bergen in de verte, hij kijkt op zijn bureau, hij rommelt tussen boeken. Hij vloekt. Hij kan zijn leesbril niet vinden.

Een leesbrilletje – het zou tijd worden. David Douglas Duncan is 92 jaar. Zijn hele leven was hij gezegend met een uitstekend paar ogen, de laatste zes maanden gaat het lezen wat minder. Maar wat geeft het. Fotograferen doet hij toch niet meer. Hij heeft zijn hele archief, tienduizenden films, duizenden kwaliteitsprints, tijdschriften, boeken, brieven plus zijn Leica’s, een paar jaar geleden geschonken aan de universiteit van Austin in Texas. Geschatte waarde: 15 miljoen dollar. De fotograaf zegt: ‘Ik gaf het gratis weg. This house is empty now.’

Sindsdien heeft hij geen foto meer gemaakt. Ja, laatst kreeg hij zo’n digitaal Coolpix-cameraatje cadeau. Hij heeft er wat omheen gedrenteld, maar hij kon er niet wijs uit. Al die knopjes! Scherpstellen met de hand, onmogelijk; het afdrukknopje half indrukken om scherp te stellen, belachelijk; dat idiote schermpje waarop je, op een halve armlengte van je ogen moest kijken, waanzinnig! Is dat nog fotograferen? Hij heeft het ding weggelegd.

Niet dat David Douglas Duncan, geboren in een vervlogen tijd, zich heeft afgekeerd van de wereld. In de villa in Castelleras, hoog boven Cannes, weet hij nog goed wat er allemaal in de wereld speelt. Er liggen recente kranten op de salontafel, de jongste nummers van Time en The New Yorker. Duncan, die de Tweede Wereldoorlog, de Korea- en de Vietnamoorlog als fotojournalist meemaakte, kan emotioneel vertellen over wat er volgens hem mis is aan de oorlog in Irak. ‘Het is een heel foute beslissing van Bush en die kliek om hem heen geweest om vijf jaar terug Bagdad aan te vallen. Die oorlog is gebaseerd op leugens, president Bush zou daar vervolgd voor moeten worden.’

Elk jaar gaat hij naar het fotofestival in Perpignan, vorige maand was hij in New York, overmorgen reist hij naar Parijs voor een tentoonstelling met het werk van zijn oude vriend Pablo Picasso, wiens leven hij in vele boeken vereeuwigde, eergisteren was hij op de Buchmesse van Frankfurt.

Wat hij daar deed? Ik heb een idee voor een boek, zegt de hoogbejaarde, bij wie het licht in de ogen ondanks dat verdomde leesbrilletje nog verre van gedoofd lijkt. Een boek over Palestina, voordat de staat Israël werd uitgeroepen. Hij reisde er in 1947 voor Life driekwart jaar rond.

Ik heb nog honderden foto’s, zegt hij, unieke beelden van een wereld die verdwenen is. Voor dat boek zal hij de komende maanden vaak naar New York moeten reizen, denkt hij. Voormalig Life-redactrice Barbara Baker Burrows, schoondochter van collega-fotograaf Larry Burrows, die in 1971 stierf tijdens de oorlog in Vietnam, gaat hem daarbij helpen.

Al meer dan vijftig jaar woont hij in het zuiden van Frankrijk. Een heerlijk land, vol prachtig licht, zegt Duncan, die zijn villa eigenhandig bouwde. Zuid-Frankrijk; een uur reizen en je bent in Italië, ook Zwitserland en Spanje zijn niet ver weg, Parijs ligt om de hoek. Van Nice vliegt Delta rechtstreeks naar New York.

Hij werkte voor Life veel in het Midden-Oosten en het zuiden van Frankrijk, land van het goede leven, land van kunstenaars, cipressen, wijn en flaneren op de boulevards, was geen slechte stek als uitvalsbasis. Niet dat hij in die halve eeuw Fransman is geworden. ‘David spreekt nog steeds geen woord Frans’, zegt zijn vrouw Sheila. Het onderwerp van gesprek kijkt beschaamd. ‘Maar iedereen spreekt hier toch Engels’, verdedigt hij zich.

Toen ze er kwamen wonen was Castelleras nog woest en ledig, nu is het volgebouwd met villa’s. Er strijken veel nieuwe rijken neer, maar ook kunstenaars blijven komen. De Nederlandse beeldend kunstenaar Kees Verkade woont verderop. Ze raakten bevriend toen Duncan veertig jaar geleden enkele beeldjes van de toen nog onbekende Verkade kocht en hem vervolgens introduceerde bij zijn Amerikaanse kennissen.

Geboren op 23 januari 1916 in Kansas City, Missouri, groeide David Douglas Duncan op tijdens de crisis van de jaren dertig, de jaren van de New Deal van Franklin Delano Roosevelt. Vergeleken met de huidige kredietcrisis noemt Duncan dat tijdvak een ‘superdepressie’. Hij studeerde archeologie in Arizona en volgde in Florida colleges maritieme biologie. Met fotograferen was hij toen al begonnen, eerst met een bakelieten Univex-cameraatje van 39 dollarcent dat hij van zijn zus Jean had gekregen, later met een professionelere Kodak. ‘Ik maakte al snel foto’s voor lokale kranten. Ik fotografeerde sport, de lokale jacht, maar maakte ook foto’s bij een verhaal waarin beschreven stond hoe je een ratelslang met blote handen moet aanpakken.’

Met een tweedehands Ford Dreamwagon, gekocht voor 400 dollar, en een Kodak Graflex-D trok hij eind jaren dertig door Noord- en Midden-Amerika. Onderweg maakte hij foto’s die hij verkocht aan The Kansas City Star en de prestigieuze National Geographic. Ook verkocht hij een jachtfoto aan het in 1936 door Henry Luce opgerichte Life (‘Als je daarin stond, won je de jackpot, al hebben ze me voor die eerste foto niet betaald.’)

Op 17 februari 1943 kwam een einde aan dat zorgeloze leventje. Duncan moest in dienst. Hij schreef die dag aan zijn ouders: ‘Mijn tienerjaren zijn nu echt afgelopen. Alleen Hij weet hoeveel tijd ik nog over heb.’ Als luitenant der mariniers trok hij naar het front in de Stille Zuidzee. Hij bleef wel fotograaf, hij fotografeerde vijandelijke stellingen vanuit vliegtuigen, maar hij vergat het leven aan het front niet. Hij legde de strijd op de Solomons eilanden en Okinawa vast, hij was erbij toen de Japanners zich op 2 september 1945 overgaven aan boord van USS Missouri, in de baai van Tokio.

In 1946 kon hij aan het werk bij Life. Wilson Hicks, legendarisch fotoredacteur van het weekblad, bood hem 9000 dollar per jaar, een vorstelijk bedrag destijds.

Duncan: ‘Ik doe het voor 9025 dollar.’

Hicks, verbaasd: ‘Hoezo?’

Duncan: ‘Ik krijg nog 25 dollar voor die jachtfoto die jullie voor de oorlog hebben geplaatst.’

Hicks: ‘Oké. Kun je het komende weekeinde in Perzië zijn?’

Voor het weekblad, dat in de jaren vijftig zijn hoogtijdagen beleefde, reisde Duncan de hele wereld over. ‘Het waren de gouden jaren. Je droeg geen perskaart tussen de band van je hoed, ben je gek, je zei dat je van Life was en alle deuren gingen open.’ Duncan is niet jaloers op de huidige generatie fotografen, die bij tijdschriften en bladen nauwelijks een podium vinden voor serieuze fotojournalistiek. ‘Wij hadden elke week twaalf, veertien pagina’s voor één onderwerp.’

Duncan zou tien jaar voor Life werken, daarna ging hij zijn eigen weg en richtte hij zich als freelancer op grootschalige reisreportages en maakte hij tien boeken over buurman Pablo Picasso. Hij was bevriend met Robert Capa, een van de oprichters van fotopersbureau Magnum, maar voelde zich nooit geroepen zich aan te sluiten bij dat bureau in Parijs. ‘Ik werkte eerst voor Life, later had ik een lucratief freelance-bestaan.’

Die beroemde oprichters van Magnum overleefde hij allemaal. Capa stapte in 1954 op een mijn in Vietnam. Henri Cartier-Bresson overleed in 2004. ‘Ik kende Henri al in 1948, toen ik hem in Caïro voor het eerst ontmoette.’ Duncan had een haat-liefdeverhouding met de Franse fotograaf, die hij desondanks de allergrootste (‘the number one’) noemt. ‘Henri had het altijd over hét beslissende moment, wat nou hét? Er zijn veel meer momenten om een goede foto te maken. Je kon Henri enorm stangen door te zeggen dat je beter van een beslissend moment kunt spreken.’

In Duncans autobiografie Photo Nomad staan portretten van Cartier-Bresson, geschoten door Duncan in 2000 in Parijs. De Franse fotograaf, wiens boosheid legendarisch was als hij zélf werd gefotografeerd, maakte destijds een portret van Duncan voor Vanity Fair. Duncan gniffelt: ‘Ik had geen camera bij me, maar Sheila wel. Haar kleurenrolletje was al vol. Van Henri kreeg ik een zwart-witrolletje. Met dat Pentaxje heb ik toen foto’s van Henri gemaakt.’

Duncan pakt Photo Nomad erbij en wijst op een serie zwart-witfoto’s van een oude, kale man, met voor zich op het terrastafeltje een zwarte Leica. ‘Zeg nou zelf, ze zijn best aardig gelukt. Maar Henri was woedend toen ik ze publiceerde. Hij is zelfs naar de rechter gestapt. Heeft me nog 3000 dollar aan juridische rekeningen gekost. Het gevolg is dat ik de foto’s niet mag gebruiken in Frankrijk.

‘Toen ik Henri een paar jaar later tijdens een receptie wilde feliciteren met een prijs die hij had gewonnen, keek hij mij alleen maar met die ijskoude ogen van hem aan.’

Met Robert Capa, die hem het mondaine zuiden van Frankrijk leerde kennen en hem bij Pablo Picasso in Mougins introduceerde, had hij een betere relatie. ‘Hij was een echte oorlogsfotograaf, de beste die er ooit is geweest. Ik was marinier toen ik in de Stille Zuidzee, in Korea en ook nog in Vietnam fotografeerde, ik wist me altijd omringd door mijn kameraden. Bob was een dappere burger die tijdens D-Day alleen aan land ging op de stranden van Normandië. Be fast, be close, be lucky, zei Bob altijd. Nou hij had geen geluk toen hij in 1954 op die mijn stapte.’

Van de huidige generatie oorlogsfotografen is hij onder de indruk van James Nachtwey. ‘Maar hij is geen Capa. Bob was fotograaf. Nachtwey is meer een kunstenaar. Hij fotografeert met een artistiek oog. Maar hij heeft het moeilijker dan wij destijds hadden. Er zijn geen massabladen als Life meer die serieuze fotografie tonen. Je moet je tegenwoordig nog meer op boeken richten.’

Duncan was er in 2001 bij toen Nachtwey op het fotofestival van Perpignan werd weggestuurd door de festivalleiding. ‘Hij was onbeschoft tegen de mensen daar die hun stinkende best deden om zijn foto’s mooi op te hangen. Hij ging terug naar New York, en was er net op tijd toen de vliegtuigen bij zijn buren, het WTC, binnenvlogen. Daar heeft hij indrukwekkend werk gemaakt. Het geluk van de goede fotograaf, ja. James is een loner, zonder privéleven. Misschien maakt dat hem wel zo goed.’

Drie grote oorlogen fotografeerde Duncan. Vooral zijn beelden uit Korea en Vietnam zijn in de loop der jaren iconen geworden. Uit de titels van zijn drie boeken vol zwart-witte oorlogsfotografie spreekt zijn afschuw van de strijd: This is War!, Protest! en War Without Heroes. ‘Ik wilde laten zien wat een oorlog met mensen doet, ik wilde in de huid van de gewone soldaat kruipen, de angst, de kou laten voelen.’

Hij kon, mede omdat hij marinier was, bewapend met zijn Leica’s plus een Colt .45 (‘ik heb nooit iemand gedood’), vrijuit werken in Korea en Vietnam. 'Al deed ik wel aan zelfcensuur. Ik heb nooit foto’s gemaakt van het gezicht van gesneuvelde soldaten, of het nou Amerikanen, Koreanen, Chinezen of Vietnamezen waren. Een dode kan zich niet beschermen tegen een camera.’

Uit al zijn beelden spreekt empathie voor de gewone soldaat. Duncan deelde de koude en modderige schuttersputjes met de infanterist, foxholes, waarin hij zijn filmpjes ontwikkelde. ‘Je kon nog overal komen, er waren geen beperkingen. Hell, ik was de laatste Amerikaan die het strand van Noord-Korea verliet, drie honden en ik. Nu, tijdens de oorlog in Irak, moet je als fotograaf overal handtekeningen zetten. Moet je je werk vooraf laten zien voordat je mag publiceren.’

De beroemdste foto’s van de Tweede Wereldoorlog, Korea en Vietnam werden gemaakt door befaamde fotojournalisten als Robert Capa, Larry Burrows, Don McCullin, Philip Jones Griffith en David Douglas Duncan. Duncan: ‘De foto uit de Irak-oorlog die het meeste indruk maakt, toont een gevangene met gespreide armen onder een cape. Geschoten door een amateur. Dat zegt genoeg.’

Meer over