null

REPORTAGE

In de achtbaan gaan is voor mij de ultieme vorm van mindfulness

Beeld Ellis Regina Jansen

Honderd Amerikaanse achtbanen bezoeken, was het plan van Emma Curvers, als basis voor haar roman Melktanden. ‘Waarom in vredesnaam?’, vroegen mensen. Om te ontsnappen natuurlijk.

Waarom ik precies in honderd achtbanen wilde gaan, valt achteraf niet helemaal te reconstrueren. Ik had ooit tegen een geliefde geroepen dat ik dat wilde, mogelijk in ontoerekeningsvatbare staat, en nooit gedacht dat ik er werk van zou maken. Zolang ik me kan herinneren ben ik al verzot op pretparken; wat nou als je het grootste pretparkland ter wereld, Amerika, zou verkennen door er een overdosis pret te nemen?

Toen werd de geliefde een ex, woonde ik plotseling weer alleen en had ik meer vrijheid dan ik ooit had gewild om mijn onzalige pretparkplan ten uitvoer te brengen. En ik had een idee voor een roman, over een jonge vrouw die toevalligerwijs net gedumpt is en zich alleen nog kan laten gaan in pretfabrieken. Een idee voor een verhaal kun je altijd gebruiken als alibi voor iets wat je anders niet zou durven.

‘Waarom zou je dat willen?’, vraagt iedereen die ik erover vertel, jezelf door piepschuim sprookjeskastelen slepen, terwijl je ook échte cultuur kunt zien? Pretparken zíjn echte cultuur, zeg ik dan. Het zijn bijzondere beschavingen, eilandjes van escapisme – en net als scifi- en fantasyfilms reflecteren pretparken iets van de hopes and dreams van hun bezoekers.

Met dat verhaal blijkt in elk geval mijn goede vriendin Ellis Regina Jansen over te halen om mee te gaan. Ze is dan wel geen diehard pretparkfanaat – een detail waar we véél te makkelijk overheen stappen – maar wel documentairefotograaf en roadtripliefhebber. Ze reserveert prompt een Ford Mustang cabrio en knipt al haar spijkerbroeken tot Daisy Duke-lengte.

Het is dan 2016. We hebben geen relaties, kinderen of katten, dus we zijn klaar om onze spaarsaldo’s niet in bitcoins of vastgoed maar rechtstreeks in Uncle Sams zak te gieten. Dus gaan we, met een moordend pretparkschema dat ons in vier weken eerst van Los Angeles naar Las Vegas voert en dan via San Francisco terug langs de kust, met een playlist rondom Girls Just Wanna Have Fun, een paar loeizware camera’s en een los-vast plan voor een roman.

Fotograaf Ellis Regina Jansen (links) en Emma Curvers in de Canyon Blaster in ­Circus Circus, Las Vegas. Beeld
Fotograaf Ellis Regina Jansen (links) en Emma Curvers in de Canyon Blaster in ­Circus Circus, Las Vegas.

Ellis is uitzinnig als we de Ford Mustang ophalen uit een weide met tientallen identieke zwarte broertjes. We rijden hem naar downtown L.A., naar onze Airbnb bij Jeff, een man die erg van proteïneshakes houdt en zijn huis in Twin Peaks-stijl heeft ingericht. Pas als we op pretparkdag 1 in Universal Studio’s aansluiten in de eerste lange, trage rij, beseffen we écht wat een maand pretpark betekent: we moeten ons overgeven aan het tempo van de machine. Sjokken door de paden, hangen in de rijen en dan een volle lading lol in elke attractie. Met militaire discipline worden we in en uit karretjes, 3D-zaaltjes en bootjes gedirigeerd. ‘In rij 6, ma’am!’, ‘Go go go’ en daar gaan we, we worden bedreigd door Optimus Prime, aangevallen door King Kong en ontsnappen per bezem aan Voldemort.

Tegen twee uur ’s middags zitten we al afgemat met een slushpuppie op een pleintje in Springfield, het dorpje uit The Simpsons. Iets anders waar we onvoldoende over hebben nagedacht: in pretparken bestaat het menu uit de 5 P’s, popcorn, patat, pizza, pannenkoek en pretzels, wat we algauw onze schijf van vijf noemen. Als we even later in de rij staan voor Harry Potters achtbaan, zien we hoe het koppel voor ons routineus uit de rij wordt gehaald om plaats te nemen in een speciale passtoel, om na te gaan of ze te groot dan wel te klein zijn. Helaas, ze mogen niet mee.

Ons tweede hotel ligt nabij het vliegveld van L.A., wat een waarschuwing had mogen zijn: bij daglicht blijken we ons in een van de onguurste wijken van Los Angeles te bevinden. Na een doorwaakte nacht en een haastig ontbijt op een stoepje spoeden we ons naar Knott’s Berry Farm, het oudste pretpark van de VS.

Als ik in de Xcelerator zit, weet ik weer waarom ik zo veel van achtbanen houd. Ons wagentje wordt met 132 kilometer per uur vanaf grondniveau gekatapulteerd en een verticale, 62 meter hoge baan op geknald. Bovenaan, net als we over de rand lijken te donderen, verschijnt in een flits voor mijn geestesoog een klein nieuwsberichtje in de krant, ‘Twee Nederlandse vrouwen (31) overlijden in tragisch achtbaanongeluk’ – en dan raast het karretje keurig terug het station in.

Het Pacific Wheel in Pacific Park, Santa Monica, ­Californië. Beeld Ellis Regina Jansen
Het Pacific Wheel in Pacific Park, Santa Monica, ­Californië.Beeld Ellis Regina Jansen

Natuurlijk wéét je dat er niets zal misgaan, maar voor dat besef heeft je lichaam geen tijd, waardoor je toch dankbaar bent dat je nog leeft als je uitstapt. Er zijn mensen die zweren bij meditatie, gembershots of een ochtendgebed, maar ik zou elke dag het liefst beginnen met zo’n beetje bijna-doodervaring. In de achtbaan zitten is de ultieme mindfulness: je wordt door elkaar gerammeld tot je alleen maar hier en nu bent, alleen een lichaam in de lucht. En deze maand mag dat, elke dag.

Knott’s is een stuk minder druk en gelikt dan Universal: in het centrum bevindt zich een oud westerndorp, waar een aftands museumpje vol honkytonkpiano’s is gewijd aan de historie van het park. Een oude werknemer vertelt ons er gloeiend van trots over de plek waar hij al werkt sinds hij diende in Nam.

Het eerste pretpark van Amerika is geboren uit verveling en nostalgie: ooit lag hier langs Highway 39 de bessenboerderij van Walter en Cordelia Knott, die in de Grote Depressie van de jaren dertig gefrituurde kip gingen verkopen. Om de wachtende gasten te amuseren, breidde Walter de parkeerplaats uit met een meertje, een nepvulkaan en huisjes uit verlaten spookstadjes uit de buurt. Hij wilde zijn voorvaderen eren, de pioniers die de woestijn hadden doorkruist in een koets. Het westerndorpje is nu ingebouwd in een hypercommercieel park waar je op elke hoek prijzige fried chicken en boysenberry jam kunt kopen.

We zijn hier midden in de ultra-Amerikaanse frontiermythe, waarin de ‘wilde indianen’ en ‘heldhaftige cowboys’ elkaar ontmoeten. Dat de echte frontier als ‘land of opportunity’ voor de native Americans een drama was, doet voor de amusementswaarde niet ter zake. In Knott’s zíjn we een pionier, in een mijnkarretje op zoek naar goud, te paard door de woestijn, in een boomstammetje door Timber Mountain – een attractie die ooit werd geopend door westernheld John Wayne. We zijn in de oerversie van alle pretparken, de formule die later tot in Ponypark Slagharen zou worden gekopieerd.

Ook in Disneyland, ons volgende park. Zo gauw we voet in het magische koninkrijk zetten, blijkt mijn lieve reisgenoot Ellis een hevige antireactie te hebben op de Disneyschmaltz. Hoe opgewekter de orkestjes uit de boxen klinken, hoe vlekkelozer de langsdrentelende prinsessen, des te steviger ze haar camera vastgrijpt om aan te geven dat ze hier niet voor de lol is. ‘Ik voel me misselijk’, zegt ze bij de aanblik van een Swarovski-Disneykasteel van 40 duizend dollar in een van de souvenirwinkels. Stuiterend begin ik aan te wijzen hoe geweldig alles hier is, in de hoop dat ze het zal verdragen tot de prinsessenparade vanavond.

Een werknemer bij Snow White’s Scary Adventures in Disneyland, Anaheim. Beeld Ellis Regina Jansen
Een werknemer bij Snow White’s Scary Adventures in Disneyland, Anaheim.Beeld Ellis Regina Jansen

Ik poog haar verzet te breken met de overdaad aan naïviteit en vrolijkheid van de bootjesattractie It’s a Small World. Ook Disney wilde de Amerikanen een ‘betere versie van zichzelf’ geven. Main Street USA is het Amerika uit Disneys jeugd, maar dan met de lelijke en saaie delen eruit geknipt, en themagebied Frontierland drijft op hetzelfde wildwestverhaal als in Knott’s.

Maar interessanter nog dan dat vertekende verleden, is Disneys optimistische kijk op de toekomst. In de jaren vijftig en zestig koesterde Disney zoals velen de hoop dat technologische innovaties de mensheid zouden verenigen. It’s a Small World en het bijbehorende liedje zijn een uiting van dat idee: alle ‘kinderen van de wereld’ zingen gebroederlijk de narigheid de wereld uit. Dat die eenwording in de praktijk nog wat drempels kende, bleek wel toen Chroesjtsjov in 1959 tijdens de Koude Oorlog een gespannen bezoek bracht aan de VS, en hem tot zijn razernij werd verboden Disneyland te bezoeken. Disneyland was en is apolitiek, een Amerikaans overal en nergens.

Walt Disneys verdwenen sigaret

Dat Disneyland een fantasieland is, is te zien op foto’s van Walt: vaak heeft hij zijn wijs- en middelvinger op een vreemde manier tegen elkaar geklemd. Daar zat op de originele foto zijn Lucky Strike-sigaret, maar aangezien Walt Disney in 1966 aan longkanker overleed, besloot het bedrijf alle sigaretten uit zijn foto’s weg te fotoshoppen. Nog altijd wijzen cast members in Disneyland met twee vingers, zoals Walt ook deed, omdat dat vriendelijker zou zijn dan met één.

62 jaar later is de wereld nog steeds geen vrolijke plek waar alle kinderen hand in hand zingen, en is ook Amerika verdeelder dan ooit. Die ontwikkeling heeft volgens de Amerikaanse schrijver Kurt Andersen juist ingezet op deze plek: in Disneyland begonnen feit en fictie door elkaar te lopen, schrijft hij in Fantasyland. Van Disneyland, via de groeiende individualisering en de ‘parallelle waarheden’ van het internettijdperk, trekt Andersen een lijn naar de verkiezing van Trump in 2016.

We zien hoe piepjonge meisjes zich voor 150 dollar laten optuigen tot prinses in de Bibbidi Bobbidi Boutique onder het kasteel van Assepoester. Hier kruisen de werelden van film en het grote geld van merken, hier kun je de echte jurk kopen van de geanimeerde Sneeuwwitje, in een echte winkel met een neppe façade. In Disneyland ben je in Frontierland in een verleden dat er nooit is geweest, en in Tomorrowland in een toekomst die er nooit zal komen. Overal, behalve in het nu.

Jonge meisjes laten zich optuigen tot prinses onder het kasteel van Assepoester. Beeld Ellis Regina Jansen
Jonge meisjes laten zich optuigen tot prinses onder het kasteel van Assepoester.Beeld Ellis Regina Jansen

We rijden hierna via San Diego zo’n 600 kilometer naar Phoenix, Arizona, naar een pretpark dat bij aankomst dicht blijkt te zijn. We hebben nog maar een achtbaan of dertig gezien en onze pretzucht keldert. Alles gaat trager dan gedacht, de zon is heter en het eten smeriger. Als we terugkeren in L.A. ontdekken we in Six Flags Magic Mountain dat er grenzen zijn aan de hoeveelheid pret die een mens aankan.

Het is er vergeven van de stelletjes voor wie de achtbaan een soort paringsritueel lijkt te zijn. Voor en achter ons in de rij voor de X2-achtbaan staan pubers minutenlang te huigzuigen. Ineens heeft Ellis het gehad: ‘Ik ben moe, ik ben chagrijnig, ik wil aan het strand liggen, maar wij moeten zo nodig in dit terrording.’ Onze vriendschap wordt op de proef gesteld, maar de X2 zal het leed rechtvaardigen, blijkt na anderhalf uur wachten. Toch is het niet de beste rit van onze reis. Die maken we een week ervoor.

Een werknemer bij The Giant Dipper in San Diego, Californië. Beeld Ellis Regina
Een werknemer bij The Giant Dipper in San Diego, Californië.Beeld Ellis Regina

Als we de unaniem ontevreden recensies zouden hebben gelezen, dan waren we waarschijnlijk nooit in Buffalo Bill’s Resort beland, maar goddank hebben we dat niet gedaan. Zo’n 30 mijl voor Las Vegas staat een rode kolos plompverloren in de woestijn. Al vanaf de Interstate 15 zien we een huizenhoog bord van een buffel met een indianentooi van gekleurde neonlichten. En de gigantische achtbaan, ooit een serieuze deelnemer in de coaster wars van de jaren negentig: de Desperado.

We stappen het hotel binnen als een stel archeologen dat een opgraving ontdekt: wat ís dit en uit welke tijd stamt het? Iemand ergens in de jaren negentig heeft de vergissing gemaakt te denken dat dagelijks duizenden mensen zich midden in de woestijn van Primm Valley zouden verschansen in een giga-gokschuur. Gasten zijn er amper. Honderden gokmachines rinkelen voor niemand in het bijzonder, rijen scootmobiels staan onaangeroerd klaar. Er loopt een drooggevallen riviertje tussen een uitgestorven McDonald’s en de Denny’s, van een bootjesattractie die jaren geleden is stilgevallen.

Bij de ingang staat hij, Buffalo Bill, als pop: de man die het Wilde Westen min of meer uitvond. Met zijn wildwestshows stond hij aan de wieg van het concept ‘heldhaftige cowboy en tragische indiaan’, dat de popcultuur zou blijven bepalen. De all-American hero trekt nu nog nauwelijks publiek naar zijn resort en casino.

Als we ons hadden ingelezen, hadden we ook geweten dat er in de achtbaan van Bill’s al heel wat ongevallen zijn geweest – whiplashes, botbreuken en gekneusde ribben. ‘Blijf hier weg, dit is vragen om ongelukken!’, schrijven bezoekers op Tripadvisor, ‘Zet je oma hier niet in!’ Bij de attracties treffen we één medewerker met afhangende schouders en een afgestompte blik. Deze Raymond blijkt enkel ter plaatse om eventuele geïnteresseerden teleur te stellen. De Desperado is meestal gesloten, zegt hij, wegens overweldigende desinteresse van het publiek. Geen mens die erin wil – met uitzondering van ons, twee vrouwen uit Nederland met een missie die hunzelf ook steeds minder duidelijk wordt. ‘Misschien rijdt hij als er volk komt in het weekend’, zegt Raymond.

De Giant Dipper, een achtbaan uit 1925 in Belmont Park, San Diego, Californië.  Beeld Ellis Regina Jansen
De Giant Dipper, een achtbaan uit 1925 in Belmont Park, San Diego, Californië.Beeld Ellis Regina Jansen

Een dieptepunt, want voor onze morsige kamer hoefden we hier ook al niet te wezen. We spelen The Shining na in de eindeloze verlaten gangen. We missen thuis. We besluiten een tochtje van een paar dagen te maken door het Road Runner-landschap rond Las Vegas. We blijven hangen bij een truckstop en schietbaan met Pamela Anderson-thema, waar het personeel ons shotguns in de hand drukt en bulderend lacht bij het zien van onze geschokte gezichten.

Het kan een zonnesteek zijn, of het feit dat we onze honderd achtbanen nog lang niet allemaal hebben afgevinkt, maar de Desperado laat ons niet los. Na een uitputtend verblijf in Las Vegas rijden we terug naar Buffalo Bill’s. Raymond vertelt ons dat het te hard waait en hij de achtbaan daarom niet mag aanzwengelen. We vragen of de achtbaan eigenlijk wel veilig is: Raymond grinnikt dat er laatst een vrouw haar sleutelbeen heeft gebroken. Hij ziet onze teleurstelling, we zeggen dat we speciaal uit Holland zijn gekomen om hier in de achtbaan te gaan. ‘Weet je’, zegt Raymond met een ondeugende blik op de baan, ‘als jullie tien mensen kunnen verzamelen, is de achtbaan stabiel genoeg en komt hij de hellingen vast wel op’.

Er zit niets anders op. We werpen een blik in de uitgestrekte gokhal. Achter een paar gokkasten vinden we wat gasten die schouderophalend achter ons aansjokken. Raymond beloofde dat de crazy roller coaster girls plus aanhang gratis mogen, omdat we journalists from Holland zijn, maar zelfs gratis blijkt de Desperado niet erg in trek. Enkele werknemers sluiten uit plichtsbesef aan om het tiental te completeren – misschien hopend op één positieve recensie op Tripadvisor. Raymond ziet ons gezelschap verbaasd tegemoet en spoedt zich naar een gammel uitziende cabine met één grote rode hendel. Even voelen we aan onze sleutelbeenderen.

Daar gaan we dan, omhoog in de achtbaan die ooit, in 1996, in het Guinness Book of Records stond vermeld als de hoogste van de VS. Achter ons zit een gemêleerd gezelschap van onverschillige gokverslaafden en verveelde vakantiekrachten. De achtbaan takelt ons naar boven, waar trots een Amerikaanse vlag wappert. Het takelen moet traag, dit is de houdgreep van de achtbaan, bestemd voor reflectie op je leven. Ik denk na over de honderd achtbanen die ik bij lange na niet ga halen, over het boek dat ik nog moet schrijven en over mijn relatie die absoluut verleden tijd is. Ook daar moet ik nog een draaglijk verhaal van maken.

Voorlopig verzwijgen we dat we zijn blijven steken op 64 achtbanen, volgens het Amerikaanse motto ‘Never let the truth get in the way of a good story’. Dan bereiken we de top. Ik kijk nog even achterom: alle passagiers gooien plichtmatig hun handen in de lucht. We beginnen vast heel hard te gillen, dan horen we de anderen niet zwijgen. Ik ben hoog, ik denk aan niets en even ben ik de gelukkigste vrouw van heel Fantasyland.

Melktanden van Emma Curvers verschijnt op 2 maart bij Uitgeverij Pluim.

Top-3 van achtbanen in Californië en Nevada:

3. Twisted Colossus in Six Flags Magic Mountain, Californië

De Twisted Colossus is vooral beroemd om zijn ontwerp: twee achtbanen, die in elkaar vervlochten zijn, vertrekken beide gelijktijdig en racen om het snelst. De achtbaan vergaarde cultwaarde door optredens in series en films als National Lampoon’s Vacation en The A-team, en de Amerikaanse rapper Tyler the Creator vernoemde het nummer Colossus ernaar. Een lange rollercoaster waar je schuddebuikend van moet lachen en gerust een praatje in kunt maken met je buurman of vrouw.

2. Canyon Blaster in Circus Circus, Las Vegas, Nevada

De Canyon Blaster moet het hebben van zijn zitcomfort en de ambiance in Circus Circus, een hysterische prethal in Las Vegas. Een plezant ritje dat je net voldoende doodsangst aanjaagt, met twee loopings, twee kurkentrekkers en een heerlijk desoriënterend deel in het donker.

1. X2 in Six Flags Magic Mountain, Californië

In de X2 zit je niet op of onder de rail, maar aan weerszijden van de baan in een soort tandartsstoel, die ook nog om zijn eigen as roteert. Terwijl Metallica’s Enter Sandman klinkt, word je achterstevoren liggend omhoog getakeld, waardoor je niet ziet welk onheil je te wachten staat. Als je achterstevoren de baan af stort, roteer je om je lichaam, waardoor je te pletter lijkt te vallen. ‘Total sensory deformation’, volledige zintuiglijke vervorming, belooft de achtbaan, en dat maakt-ie waar: bij terugkomst ben je een nieuw mens.

Top 3 van achtbanen in Europa volgens Wessel Wit, oprichter van pretparkwebsite Looopings.

3. Expedition GeForce in Holiday Park, Duitsland

Expedition GeForce is de grote broer van ‘onze’ Goliath, het blauw-met-zwarte gevaarte in Walibi Holland. Waar Goliath genoegen moet nemen met een topsnelheid van 106 kilometer per uur, haalt GeForce op goede dagen 120 kilometer per uur. Dankzij de forse lengte – 1.220 meter – heb je na een ritje het hele park gezien, dat trouwens eigendom is van de Studio 100-groep Plopsa, van Samson & Gert en Kabouter Plop.

2. Nemesis in Alton Towers, Groot-Brittannië

Bij de ingang van achtbaan Nemesis, met stoeltjes ónder de baan, staan borden met de tekst ‘Wees gewaarschuwd: dit is ’s werelds meest intense rit, stap alleen in als je zeker weet dat je hier klaar voor bent’. Dat is niet voor niets: Nemesis neemt passagiers mee op een heftige trip waarbij ze vier keer over de kop gaan. Laat je niet misleiden door de bescheiden topsnelheid van ‘slechts’ 80 kilometer per uur: dit is een monster.

1. Taron in Phantasialand, Duitsland

Ondanks het ontbreken van inversies (loopings en kurkentrekkers) is Taron voor veel pretparkliefhebbers dé ultieme kick in Europa. De opvallend comfortabele rit begint met een krachtige lancering, gevolgd door een bizar parcours van scherpe bochten en onverwachte afdalingen, rakelings langs rotspartijen en dwars door allerlei middeleeuwse huisjes. Als je denkt dat alles voorbij is, komt de tweede lancering (117 kilometer per uur).

Meer over