BoekrecensieAl het blauw

In Al het blauw schetst Peter Terrin een beklemmende wereld die de onze kan zijn ★★★★☆

Een slecht huwelijk, een kinderwens: voor Peter Terrins doen hebben zijn personages opvallend alledaagse zorgen. Geen seconde durf je erop te vertrouwen dat alles goed zal komen.

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

Een tijd lang hing het portret van Willem Frederik Hermans boven de schrijftafel van de Vlaamse Peter Terrin (1968). Het was na het lezen van De donkere kamer van Damokles dat de jonge Terrin – op dat moment vertegenwoordiger in marmer – besloot zijn leven drastisch om te gooien en schrijver te worden. Vanaf zijn spijkertje aan de muur werd Hermans zijn symbolische meelezer, die streng moest toezien op wat hij de wereld instuurde. En met resultaat: Terrin schreef sterke romans als Blanco, De bewaker en Patricia. Met Post Mortem won hij in 2012 de AKO Literatuurprijs.

Kenmerkend in zijn werk is de bijna wetenschappelijke precisie waarmee Terrin zijn personages ontleedt – Hermans indachtig. Meer nog dan dat worden zijn boeken gekenmerkt door existentiële beklemming. Soms letterlijk: in Blanco (2003) sluit een vader zijn zoontje op om hem te beschermen tegen de bedreigende buitenwereld en in het apocalyptische De bewaker (2009) zitten twee mannen opgesloten in een kelder. In Patricia (2018) voelt een vrouw zich zo opgesloten in haar leven dat ze er gewoon – knip – uit wegloopt. En ook in Terrins nieuwste, Al het blauw, gaat het zo.

Verlangen naar uitbreken

De 19-jarige Simon voelt niets voor het leven dat zijn overbezorgde, veel te lieve moeder voor hem heeft uitgedacht: studeren, verkering krijgen met een leuk meisje, een huis laten bouwen op een perceel in het dorp. Zijn ontsnapping: abrupt stoppen met zijn studie en smoorverliefd worden op de twintig jaar oudere barvrouw Carla. Ook zij zit vast: aan haar gewelddadige echtgenoot John en aan haar kinderwens, terwijl ze haar vruchtbare jaren ziet vervliegen. Hun liefde bloeit op in café Azzurra, vernoemd naar het aanpalende blauwe zwembad, zichtbaar achter een glazen tussenwand. ‘De gloed van het blauwe licht neemt hen op. Ze bevinden zich in een vacuüm, in een ruimtecapsule voorbij de planeten, een hoekje waar niemand komt. Ze zijn samen. Ze hebben geen leeftijd meer. Er wordt niets van hen verwacht.’

Hoewel het nooit zo concreet wordt gemaakt, voel je als lezer dat de liefde tussen deze twee gebaseerd is op een gemeenschappelijk verlangen naar uitbreken, en dat ze elkaar daarvoor nodig hebben. Wat de liefde overigens niet minder oprecht maakt; Terrin beschrijft deze als warm, vol en gulzig. Zinderend zijn hun vrijpartijen, ’s nachts in het zwembad, de auto, de duinen. Doorvoeld hun genot, loom hun nagloeien. En toch: geen seconde durf je erop te vertrouwen dat het echt goed zal komen.

Het is de manier waarop Terrin de rest beschrijft, in lijzige zinnetjes, onderkoeld maar ook dramatisch, als een uit alle macht ingehouden snik: ‘De mensen zijn terug van vakantie en rijden over de ringweg naar hun werk.’ Of: ‘Op de overloop zijn moeder, de tikkende slofjes op het linoleum.’ En deze: ‘Het is kwart over zeven, de genade van het vroege zonlicht, de huizen zijn stil.’ Grauwe mensen zie je dan, amper uitgerust na hun vakantie, een tobbende moeder voor de slaapkamerdeur van haar geliefde zoon, rijtjeshuizen met gesloten rolluiken voor de ramen in een uitgestorven straat. In dat woordje ‘genade’ ligt de schuld al beklonken. Het snoert zich als ijzerdraad om je nek.

Mozaïek

Ondertussen ontpopt de roman zich als een mozaïek; het leven van Simon grijpt in dat van zijn ouders, van zijn vrienden Pieter en Marc, van zijn collega Ronnie, van John. En ook zíj zitten allemaal opgesloten in wie ze zijn of in wat de wereld van hen verwacht. Voor een moment van soelaas – even kunnen verkeren in de overtuiging dat ze de baas zijn over hun eigen leven – zijn ze soms zelfs bereid hun waardigheid op te geven. De vraag is of er iemand in staat is waarlijk vrij te worden.

Ondanks alles is dit toch een van Terrins lichtere romans. Er is wel degelijk ruimte voor de zomer, een festival, vriendschap. De jaren tachtig komen tot leven, via de jukebox waar U2 uit klinkt, een concert van Bruce Springsteen en de cassettebandjes in de autoradio van Simons Mazda 323. Al het blauw is meer geworteld in een wereld die ook de onze zou kunnen zijn, in tegenstelling tot veel van Terrins andere werk, waarin de wereld opmerkelijk grauw, hard en onverschillig is – tot in de details. De personages ondergaan nu eens niet de extreemste dingen (zoals een brute moord in Blanco, een persoonsverwisseling in Patricia of een dochtertje in coma in Post Mortem), maar hebben alledaagsere zorgen: een slecht huwelijk, een heimelijke verliefdheid, een kinderwens.

Het voelt persoonlijk, en misschien is het dat ook. Het maakt de roman toegankelijker. Al zou Terrin Terrin niet zijn als hij er niet een luguber lijntje doorheen zou vlechten: wie ligt daar toch, op de grond, midden op een verlaten fabrieksterrein, levend of dood? Nog tot op het laatste moment kan het iedereen zijn. Hermans had het goed gevonden.

Peter Terrin: Al het blauw. De Bezige Bij; 272 pagina’s; € 21,99.

Meer over