Imago ledlamp kan oppepper gebruiken

De gloeilamp gaat eruit. Maar over de kwaliteit van de ledlamp is niet iedereen te spreken...

Door Ayolt de Groot Ayolt de Groot

Alle 2,5 miljoen deelnemers aan de Nationale Postcode Loterij krijgen dit najaar een ledlamp. Gratis. Al neemt de woordvoerder dat woord liever niet in de mond: ‘Wij spreken graag van een cadeau. Dat roept toch andere gevoelens op.’

De campagne ‘Wat LED je?’, een samenwerking met het Wereld Natuur Fonds (WNF), gaat aanstaande maandag onder toeziend oog van minister Cramer van VROM van start. Hamsteren is niet nodig, als de gloeilamp vanaf 1 september gefaseerd wordt afgeschaft, zeggen Postcode Loterij en WNF. Met de nieuwste telg uit de stal van ledfabrikant Lemnis – een dimbare ledlamp van 6 watt, winkelwaarde 25,99 euro– is dé vervanger voor de traditionele gloeier voorhanden.

Hij kan gloeilampen tot 60 watt vervangen, claimt Lemnis op basis van tests door de TU Eindhoven. Verder ronkt het persbericht dat de lamp 90 procent zuiniger is, 25 jaar meegaat en geen giftige stoffen bevat. Wat alleen nog rest, is ‘Nederland ermee vertrouwd te maken’.

De ledlamp kan de positieve impuls goed gebruiken, na de imagoschade die zij in maart opliep. Toen was het eveneens minister Cramer die – samen met turner Epke Zonderland – het startsein gaf voor de ‘ik stap oer’-campagne. Heel Friesland moest aan de ledlamp. Maar in plaats van een enthousiast onthaal, volgde een storm van scepsis.

Eerst was er de Helmondse fabrikant LedNed, die beweerde dat de twee ledlampen van fabrikanten Lemnis en Tiparo de claims op hun verpakkingen met betrekking tot stroomverbruik niet waarmaakten. Lemnis eiste bij de rechter rectificatie, en kreeg gelijk. Maar het rumoer in lampenland was daarmee niet ten einde.

De volgende steen in de vijver kwam van VSL, dat eind maart het rapport OpgeLED: minder opbrengst dan verwacht publiceerde. Het onafhankelijke meetinstituut onderzocht een aantal ledlampen van niet nader genoemde fabrikanten en ontdekte dat in geen van de gevallen de beloften op de verpakking – ‘deze ledlamp is vergelijkbaar met een 40 watt gloeilamp’ – konden worden waargemaakt. Gemiddeld was de gemeten lichtopbrengst slechts 25 procent van de opgegeven waarde.

Naar aanleiding van de resultaten waarschuwde VSL fabrikanten voor imagoschade, zoals ook de spaarlamp die in zijn begindagen opliep.

Maar volgens John Rooijmans, uitvinder bij Lemnis, tevens de bedenker van de ledlamp voor binnengebruik, heeft juist het onderzoek van VSL deze imagoschade mee helpen aanrichten.

De ledlampen die VSL in zijn onderzoek tegenover de reguliere gloeilamp zet, zijn slechts 1 tot 2 watt, zegt hij. ‘Logisch dat de lichtopbrengst dan lager is. Dat kan een kind uitrekenen.’

Consumenten waarschuwen voor de onwaarheden die fabrikanten verkondigen, is een goede zaak, vindt ook Rooijmans, ‘maar door de presentatie van de resultaten is heel Nederland op het verkeerde been gezet wat betreft de ledlamp in het algemeen.’

Wouter Koek, manager markt en advies bij VSL, bestrijdt dit. ‘Wij verstrekken objectieve en eenduidige informatie, en maken consumenten ervan bewust kritisch te zijn op wat ze kopen.’

Rooijmans heeft er moeite mee dat de ledlamp keer op keer een-op-een met de gloeilamp wordt vergeleken. De eigenschappen zijn zo anders, dat zo’n vergelijking al gauw mank gaat, meent hij. En, fundamenteler: dat de ledlamp erdoor wordt benadeeld.

De lichtopbrengst van lampen wordt gemeten volgens een internationaal gestandaardiseerde testmethode, die, zegt Rooijmans, te veel is toegespitst op de gloeilamp en een deel van de lichtopbrengst van de ledlamp niet meet.

Al in 1931 is internationaal vastgesteld hoe gevoelig het menselijk oog is voor de verschillende kleuren van de regenboog waaruit licht is samengesteld. En welke van die kleuren in lichttests het zwaarst moeten meewegen om de lichtopbrengst van een lamp goed te beoordelen. Rooijmans: ‘Er is toen afgesproken dat we alleen maar rekening houden met de kegeltjes in het oog, die kleuren zoals groen, oranje en rood, waarnemen. En niet met de staafjes, die geen kleuren zien.’

Een ledlamp geeft ook veel licht aan de linkerkant van het kleurenspectrum, legt Rooijmans uit, bijvoorbeeld groenblauw. Dat licht wordt bij lage lichtniveaus met de staafjes in het oog in werkelijkheid wel waargenomen, maar in de testmethoden niet gemeten. Rooijmans: ‘Idealiter zou de standaard moeten worden herzien.’

Koek: ‘Dat de gekozen, gestandaardiseerde ooggevoeligheid soms tot een afwijking van de daadwerkelijke perceptie leidt, klopt. Maar het is mij niet bekend dat dit in huishoudelijke verlichtingssituaties tot grote winsten voor de ledlamp leidt. Als Lemnis onderzoek heeft dat deze claim ondersteunt, zie ik dat graag tegemoet. Maar we kunnen het eenhedenstelsel niet zomaar op de schop gooien.’

Dat weet ook Rooijmans. Maar er zijn volgens hem meer redenen waarom de ledlamp wordt benadeeld.

Neem het lichtpatroon, zegt hij. ‘Een gloeilamp straalt het licht rondom uit, de spaarlamp naar opzij, de ledlamp recht vooruit. Als je nu in tests de spaarlamp naast de ledlamp zet, lijkt de spaarlamp een geweldig lichtopbrengst te hebben. Maar plaats je ’m in een armatuur met een lampenkap erover, dan doet ie toch niet wat je verwacht.’ Het is, zegt Rooijmans, de tegenstelling tussen de in tests gemeten lichtopbrengst, uitgedrukt in lumen per watt, en de effectieve lichtopbrengst. Ofwel: dat wat je werkelijk ervaart.

Koek: ‘Natuurlijk hangt het van de toepassing af hoeveel licht effectief wordt gebruikt. Maar dat een vooruitstralende ledlamp altijd een hoger toepassingsrendement heeft, bestrijd ik. Een laboratoriumsetting kent uiteraard zijn beperkingen, maar je kunt niet op een verpakking zetten dat een lamp in de gestoffeerde lampenkap van tante Nel 8 procent beter tot zijn recht komt dan een spaarlamp, maar in de staande lamp van buurvrouw Joke 6 procent minder.’

Meer over