'Ik zou de bloemen wel handen willen geven' | Een dichter die 'liever nog op meisjesruggen' typte

Dichter Pierre Kemp vertoonde zich zelden, ook niet als hem een literaire prijs ten deel viel. Maar in zijn poëzie bereisde hij vreemde contreien....

Ook als hij het wilde tuintje achter zijn woning aan de Turennestraat 21 te Maastricht in ging, zette Pierre Kemp (1886-1967) een zwarte hoed op het hoofd. En vanaf 1916, toen hij ging werken op het loonbureau van de steenkolenmijn ‘Laura & Vereeniging’ in Eygelshoven, zou de kleine man geheel in het zwart gekleed gaan. ‘Op een mijnzetel moet je liever geen lichtgrijze costuums dragen. Het kolenstof zet zich op de broek boven de ronding van de kuiten en elders en dan doe je beter, maar ineens als ‘lievelingskleur’ voor alle verdere costuums in je leven zwart te kiezen’, lichtte hij toe in een brief; ‘daar merk je het kolenstof niet zo op en het sympathiseert meer met de kolen.’

Bijna dertig jaar reisde Kemp in een stoomtreintje dertig kilometer heen naar zijn Laura, en weerom. Onderweg schreef hij dan een gedichtje, en keuvelde wat met jonge juffrouwen die fleurig afstaken bij dit zwarte heerschap, die met hem correspondeerden (tot ze trouwden, dan verloor hij vaak zijn interesse) en die zich als zijn Muzen of Inspiratricen terugvonden in zijn verzen.

Met dat dichten ging hij ook na zijn pensionering door, en toen de teruggetrokken Kemp mede door de inspanningen van bewonderende vakbroeders als Adriaan Morriën, Gerrit Achterberg (‘En God zal zeggen: kijk, daar is Pierre Kemp;/ tijd dat ik nu mijn eigen kleuren demp’), Jan Hanlo en Hugo Claus (‘Deze man is knettergek. Stapelieregek. Maar zo, dat wie in zijn karpersprongen zichzelf niet herkent, beter het lezen van poëzie achterwege kan laten’) en Maastrichtse letterkundigen als F. Lodewick en Harry Prick de grootste erkenning kreeg door middel van de Constantijn Huygens prijs (1956) en de P.C. Hooftprijs (1958), bleef de man in het zwart een poëtische zanger van het licht, die de bloemen ‘wel handen zou willen geven’, van textiele vormen, bomen, sterren (‘Ik heb de sterren nog niet betaald/ en zij schijnen al zo lang’), kinderen, jonge vrouwen, lucht, regen, wind, maansikkels en groene lampen.

Er speelt nog een witte gedachte

tusschen de bladeren en de maan.

Ik lig nog op iemand te wachten

om samen een droom aan te gaan.

In dromen staan dingen geschreven

en andere dingen gedrukt,

die in het eenvoudige leven

mij nooit zijn gelukt.

Zijn verzamelde poëzie, in 1976 uitgegeven door Van Oorschot in drie stemmig groene banden, is een uitbundige verfdoos waarin de geesteskronkelingen en klankrijke regels ruisen die de voormalige katholieke jongen en leerling-plateelschilder – of, zoals hij het zelf later preciseerde, ‘goudschilder’ op de Maastrichtse aardewerkfabriek N.V. Société Céramique, waar ook zijn vader werkte – in zijn dagelijkse gedragingen en uiterlijk verborgen hield.

Ook zijn vrouw en drie zonen hadden geen idee wat die vreemde man daar in zijn ‘dichterkluisje’ voor in het huis zat te doen met zijn pen, zijn platencollectie en de boekenverzameling die hij in kleurig vliegerpapier inpakte.

Hij dronk niet, rookte niet, at weinig, hij leefde van en voor het vers, waarin al zijn sensibiliteit tactiel werd gesublimeerd en gevierd. Hij verliet zijn provincie niet, ook niet om een prijs op te halen. Wat reizen betreft was zijn verhuizing naar Amsterdam in 1915, toen hij kortstondig voor kunstjournalist speelde bij het dagblad De Tijd, een onbesuisde en leerzame ervaring geweest. De vrouwen in de hoofdstad hadden trouwens te lange benen.

Het enige frivole attribuut in zijn woonkamer was een piano, waar Kemp evenwel niet op speelde: ‘Ik ga hier vaker naar de piano, sla een ‘la’ aan en zeg: ‘la’ troost mij! Soms is het een do of een andere noot, maar het blijft bij die ene toon, anders is de geheimzinnige kracht, de magie er van verdwenen. U zult mij nu wel niet meer voor ernstig aanzien. En mijn geest wel een zeer eigenaardig-gekronkelde vinden, dat ik door deze toon-medicijn baat vind.’

Een onzichtbare burger met een buitensporig taalgevoel, die de hang naar het onbedorven openstaan voor kleuren en indrukken, een kwaliteit die te dikwijls als kinderlijke naïveteit wordt afgedaan, in versvorm bleef eren. De Maastrichtse dichter en hoogleraar Wiel Kusters heeft het leven van Kemp beschreven in een biografie die zich niet waagt aan stoutmoedige interpretaties of een eigenzinnige structuur. Het onderwerp ervan is al ongebruikelijk genoeg, kan Kusters hebben gemeend.

Een enkele keer permitteert de biograaf zich een mopje, zoals in deze geleerde formulering, als hij heeft bekend de identiteit van Kemps vrouwelijke versfiguur ‘Pompom Anadyomène’ (bij uitzondering) niet te hebben achterhaald: ‘Het lijkt erop, dat ‘Pom-pom’ een kort ritmisch patroon representeert, dat de tweeledigheid van het achterwerk aantipt.’ Waarbij moet worden aangetekend, dat die interesse niet was voorbehouden aan één sekse, zoals het gedicht ‘Broek van een dode’ bewijst. De drager is gestorven, zijn stem is weg, de broek resteert:

Toch herken

ik er de buiging van zijn knieën en

het balloneren van zijn billen in.

Hij is pas door het begin

van zijn dood aangeraakt

en wordt eerst goed vergeten,

als de organen van zijn broek zijn nage-meten

en voor een ander zijn vermaakt.

Schitterend is de anekdote uit 1953, toen Kemp thuis een van zijn Muzen ontving. Met Mya Brennenraedts correspondeerde hij al zes jaar, toen het tot een ontmoeting kwam. Zij 32, hij 66 jaar. ‘Tijdens dit bezoek werd onder andere een grammofoonplaat gedraaid’, en wel Respighi’s Impressioni brasiliane, derde deel. Achter de schuifdeuren waar zij hun gedempt gesprek voerden, zaten mevrouw Kemp en de huishoudster, die het hunne dachten van de ‘gekke wiever’ met wie de dichter correspondeerde en over wie hij dichtte.

Kusters: ‘Kemps echtgenote, die pas al haar tanden had laten trekken en in afwachting was van haar kunstgebit, had zich tijdens het bezoek niet laten zien.’ Na het vertrek van Mya heeft ze de meegebrachte bloemen in een vaas gezet.

Vooral de vermelding van die getrokken tanden schept een beeld: de oude dichter en zijn jeugdige Muze luisteren naar muziek, terwijl achter de schuifdeuren de vrouw des huizes met open (en lege) mond de adem inhoudt.

Tijdens het bezoek zat Kemp in zwart kostuum achter zijn bureau, en de zwarte hoed lag op tafel. Zelfs bij het uitgeleide doen van mevrouw Brennenraedts zette hij die op. Het is alles van een benauwdheid die je de ontlading in die gedichten des te beter doet begrijpen:

Ik schrijf mijn brieven nog niet op een boterham,

die ik dan klein maak voor de meeuwen

en uit laat strooien bij de dam

tussen de beide bruggen,

waar de meeuwen haast eisend schreeu-wen.

Het is wel ver met mij, maar nog niet zo:

ik dicht al in bed, schrijf aan mijn bureau,

al typte ik liever nog op meisjesruggen.

Ging hij naar buiten, dan zag hij de bomen vol groene brieven die hij kon lezen. ‘Ik moet in mijn geheim bewaren,/ hoe ik getuig voor de Natuur./ Straks komt de Zon gevaren/ en zet de Aarde in één groen vuur.’ De voyeur met de zwarte hoed ving het licht in zijn schriftuur, en liet de dingen mee bewegen met zijn geest: ‘Goeden avond, colbert, waar is God?’

Juist deze zoeker naar het paradijselijke kampte in zijn latere jaren met ernstige oogkwalen. ‘Ik wil naar Al dat Andere,/ dat wat niemand hier ziet’, koos Kusters als motto van zijn biografie, en het troostende van zijn gedegen werk schuilt daarin dat hij je terugvoert naar de poëzie, de ‘papieren muziek’ waarin het vrijheidsverlangen van deze kluizenaar behouden is gebleven.

Hijzelf bedierf, zijn verzen niet. Dat had ik Kemp wel willen laten weten, bijvoorbeeld toen hij op zekere ochtend deze regels noteerde om je hoed voor te lichten, omdat hij ook in mismoedigheid zijn originaliteit behield:

Ik ben als steeds maar opgestaan,

mijn ziel trekt weer haar onderbroek aan,

mijn lichaam zegt het met water.

Meer over