‘Ik zie graag Doodsnood in een blik’

‘De natuur is een spookhuis, de kunst een huis dat probeert bespookt te raken.’ Dat is een superieur aforisme uit de overvolle geest van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886)....

Het staat in een van haar vele brieven, die al even dicht zijn als haar gedichten. Het spook in de natuur is God, die ons voortdurend misleidt over zijn bedoelingen. De dichter is er niet om de buitenwereld te beschrijven, maar het wezen van de Schepper in zijn machtsuitoefening te overmeesteren. Als de dichter daarin slaagt en dus de tekens van de natuur goed leest, wordt zijn vers een spookhuis. Evenwicht in spookachtigheid tussen natuur en kunst – daarnaar wordt gestreefd. Evenwicht ook tussen de Schepper en de dichter, misschien zelfs concurrentie van de dichter met de Schepper.

Het ideaal van die kleine vrouw die een vrij geïsoleerd leven leidde, in een kleine wereld (maar wat is klein, de natuur rond haar huis is de kiemcel van het heelal), is heel groot: zij tracht God te betrappen, wil dat hij zich aan zijn woord houdt – dat kent ze goed –, ze wil de eeuwigheid doorgronden – wat een schitterende beelden heeft zij daar niet voor – en de realiteit van dood en vergaan niet vermijden. Zij wil een zeer concrete denker zijn, ze moet zich, heb ik wel eens gedacht, met de poëzie behelpen.

Bijna haar hele leven, en dat is haar hele voortdurende denken, heeft zij in taal omgezet, in zo’n achttienhonderd gedichten en evenveel brieven, die, volgens kenners, niet voor de gedichten onderdoen. Zij was niet kerkelijk, maar wel heel religieus, met mystieke trekken. Misschien gaf dat haar die vertrouwelijkheid – soms op de rand van vrijmoedigheid – met God en het goddelijke en tegelijk met het aardse. Misschien met het laatste nog het meest!

Men kan ook over haar vrijmoedige vertrouwelijkheid met de poëzie spreken. Die maakt het haar mogelijk zo oorspronkelijk te zijn, dat men haar gedichten haast over het hoofd ziet uit onvermogen tot de ontwenning die ze vragen. De bijna altijd kleine gedichten zijn uiterst geconcentreerd – ik ken van zulke concentratie geen andere voorbeelden –, ze zijn poëzie in steno. Moeiteloos gaan ze van denken – bijna epigrammatisch verwoord – in beelden over, van het allerkleinste in het allergrootste, van waarneming naar – soms, bij de dood, lugubere – verbeelding. En dat in een aanhoudende spitsheid van denken en taal.

Van Vestdijk, die in 1932 haar poëzie in Nederland introduceerde met een essay en met vertalingen, is de mooie uitspraak: ‘Er is mij geen poëzie bekend, die zo weinig lijkt, en zoveel is.’ In de concentratie moet Vestdijk eigen dichterlijke idealen hebben herkend, in dat bijna niets lijken maar alles zijn de kiemcel of het sneeuwkristal, dat embryo als volwaardig wezen, dat in zijn beschouwingen over poëzie aanwezig is.

Over de uiterste concreetheid schrijft hij niet (die heeft Dickinson gemeen met de metaphysical poets). Die concreetheid is zo wezenlijk, dat men voor elke symbolische interpretatie terugdeinst. Die zou een verzwakking betekenen! Gewaarwordingen komen bij haar ongetekend binnen en worden ongetekend weergegeven. Ik denk dat de concreetheid mede het gevolg is van de filosofische kant van veel gedichten.

Het door Vestdijk ‘volmaakt’ genoemde gedichtje dat begint met de regel ‘To make a prairie it takes a clover’ is een superieur voorbeeld. Ik citeer het hier uit de door Peter Verstegen en Marko Fondse gemaakte bloemlezing Veel Waan is schoonste Logica:

Het maken van een wei vereist een klavertje en één bij/ Eén klavertje, een bij,/ En dromerij./ Genoeg is enkel dromerij,/ Bij weinig bij.

Denk- en dichtproces in vijf regels volkomen bij elkaar. (Vestdijk meende dat het versje een verhandeling over het Kantianisme kon vervangen, wat Ter Braak in een bespreking overdreven vond.)

Van de gedichten is tijdens het leven van Emily Dickinson nauwelijks iets gepubliceerd. De publicatiegeschiedenis is een verhaal apart, de waarderingsgeschiedenis ook. Bij haar dood trof men onder meer achthonderd gedichten aan die in bundels waren geordend. Het zijn haar gedichten uit de periode 1858-1864. Daaruit heeft Peter Verstegen nu een zeer ruime keuze bijeengebracht in het eerste van twee delen gedichten van Emily Dickinson. Het tweede deel wordt een keuze uit de gedichten geschreven tussen 1864 en 1886.

Dat eerste deel is, voor mij, het rijkste boek van het jaar, niet alleen door vaak zeer goede vertalingen, maar ook door het bewonderenswaardig zakelijke en ook daarom voorbeeldige commentaar dat bij ieder gedicht wordt gegeven. De gedichten zijn, als gezegd, uiterst beknopt, het Engels is een beknopte taal. Verstegen heeft die beknoptheid (mooi woord in verband met de kiemcel!) in het Nederlands kunnen realiseren. Een voorbeeld, een gedicht als een aantekening bijna:

Presentiment – is that long shadow – on the Lawn –/ Indicative that Suns go down –// The notice to the startled Grass/ That Darkness – is about to pass –

De vertaling van Peter Verstegen:

Een Voorgevoel – die lange Schaduw – op ’t Gazon –/ Teken dat de zonnen ondergaan –// Voor het geschrokken gras bericht/ Dat daglicht voor het Donker zwicht –

Jan Eijkelboom vertaalde het zo:

Voorgevoel – is die lange Schaduw – op ’t Gazon –/ Duidend op Zonsondergang –// Waarschuwing aan ‘t verschrikte Gras/ Dat Duisternis – in aantocht was –

Ik kan moeilijk kiezen. Men kan zeggen dat Verstegen haast nog beknopter is dan het Engels. In elk geval: de schitterende eerste woorden ‘een voorgevoel’ zijn rijker dan ‘voorgevoel’ alleen.

Weinigen zullen vaak zo met de dood voor ogen hebben geschreven, vanuit het graf zelfs, als Emily Dickinson. Door de hoge ernst en de uiterste concreetheid behoren de doodsgedichten voor mij tot de hoogtepunten van haar werk. Dit bijvoorbeeld:

Ik zie graag Doodsnood in een blik,/ Omdat ik weet – ’t is echt –/ Stuiptrekken simuleer je niet,/ Je speelt, geen Doodsgevecht –// Het oog verglaast eens – dat is Dood –/ Geen die de Kralen veinst/ Die alledaagse Zielenangst/ Dan op het voorhoofd rijgt.

Uit het commentaar citeer ik – ook als voorbeeld van de tekstssoort – het begin: ‘Het eerste couplet is duidelijk: bij echte nood is doen alsof niet mogelijk. In het tweede lijken de kralen van zweet te staan op het voorhoofd van degene van wie zojuist de ogen zijn verglaasd, misschien ook op dat van de mensen erom heen.’

‘I like a look of Agony’ is de eerste regel in het origineel. Dat ‘like’ – het Nederlandse ‘graag’ is verraderlijk: zoveel waarde hecht de dichteres aan echtheid, zo groot is haar afkeer van iedere simulatie. ‘Je speelt geen Doodsgevecht.’ Wat verraden wordt is haar eigen hoge ernst bij het dichten, gespeeld wordt er niet, geleden zal er veel. De kralen op haar hoofd laten zich vaak vermoeden. Ik ken weinig dichters die ik zo persoonlijk lees als Emily Dickinson. De lezer denkt, kijkt, lijdt mee met haar.

Niet alle gedichten zijn van een gelijke doodsgrootte. Soms strooit ze blaadjes (de natuur is dan geen spookhuis) of ziet ze gewoon wat wij ook zien en denkt ze wat wij ook denken en dan probeert het gedicht vergeefs bespookt te raken. Maar heel vaak voltrekt zich de sensatie die door de dichteres zelf zo is omschreven: ‘Als ik fysiek het gevoel heb alsof het deksel van mijn hoofd werd getild, weet ik: dit is poëzie.’

Bij dit gedicht, op pagina 399, ging voor het laatst de schedel van mijn kop. Dit is grote poëzie:

Natuur schept – onze eerste dorst –/ En later – als wij doodgaan –/ Bidden wij om wat Water tot/ De vingers die voorbijgaan –// Het duidt fijner behoefte aan –/ Daarin voorziet afdoend/ Het grote Water in de West -/ Onsterfelijkheid genoemd.

Emily Dickinson: Gedichten I. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot; 650 pagina’s; ¿ 34,95. ISBN 90 282 4051 9.

Meer over