InterviewJe kunt het maar één keer doen

‘Ik zag mezelf opeens als baby in haar armen’

Tuurlijk, dood gaan we allemaal. Maar afscheid­nemen kan op veel manieren. Hoe je het doet, maakt nogal wat uit. In deze serie spreekt ­Barbara van Beukering ­nabestaanden over het stervensproces van hun dierbaren.

null Beeld Krista van der Niet
Beeld Krista van der Niet

Willy Verkerk (92, huisvrouw) overleed aan de gevolgen van ouderdom. Ze was sinds 2003 weduwe en had één dochter, Corrie Verkerk (63, journalist).

Corrie: ‘Ze pakte de telefoon om de televisie aan te zetten, daar begon het mee. Een klassieker.

Daarna kwamen de aangebrande pannetjes omdat ze vergeten was wat ze op het vuur had staan. Mijn moeder was altijd erg bang om dement te worden omdat mijn oma heel zwaar dement was geweest. Ze ging elke dag bij haar moeder in het verzorgingshuis op bezoek en zei altijd: ‘Kind, als het mij overkomt, hoop ik dat je er een eind aan maakt’. Ik stelde haar altijd gerust door te zeggen dat het logisch was dat die grijze hersencellen niet meer werkten zoals die van een jonge meid. In het begin probeerde ik haar uit te dagen door spelletjes met haar te doen. Ze was altijd een kei geweest in scrabbelen en dat ging steeds moeizamer. We stapten over op mens-erger-je-niet. Op een gegeven moment zette ik zelf de pionnetjes maar neer, dan speelde ik tegen mezelf. Aan het eind van een spelletje schaterde ze: ‘Ik heb gewonnen, jij speelt vals!’ Op een gegeven was het voorbij, toen zei ze: ‘Ik heb dat spel nog nooit gespeeld.’

Corrie en haar moeder Willy.
 Beeld Dida Mulder
Corrie en haar moeder Willy.Beeld Dida Mulder

Mijn moeder was geboren en getogen in Suriname en op haar 18de in haar eentje naar Nederland gekomen. Ze kwam midden in de winter aan zonder winterschoenen en winterjas terwijl ze nog nooit sneeuw had gezien of kou had gevoeld. Ze ging in de kost in Zutphen. Daardoor is ze, vermoed ik, een heel sterke vrouw geworden. Ze was direct en rechtdoorzee. Mijn moeder had best meer kinderen willen hebben maar na mij had ze een miskraam gehad waardoor ze geen kinderen meer kon krijgen. Hoewel ik enig kind ben, heeft ze me niet verwend. Als ik ondeugend was, moest ik hup naar boven, kamerarrest. En als ik het heel bont had gemaakt, riep mijn moeder steevast: ‘Pak je koffer, je gaat naar Huize Baank, het huis voor ondeugende meisjes.’ Later kwam ik er pas achter dat dat een instelling voor ongehuwde moeders was. Mijn moeder was ook mijn vriendin, mijn maatje en mijn soulmate. Ik kon heel goed met haar praten, bij haar uithuilen en ontzettend met haar lachen. We belden elkaar élke dag.

Vanaf vorig jaar oktober kon je eigenlijk geen echte gesprekken meer met haar voeren. Ze had vier keer per dag thuiszorg, maar ze kon tussendoor niet meer alleen zijn. De telefoon begreep ze niet meer en ze had wel een alarmknop maar ook daarvan wist ze niet meer hoe ’ie werkte. Ik besloot bij haar in te trekken. Ik had mijn laptop en telefoon bij me dus mijn standplaats was voor onbepaalde tijd Vorden in plaats van Amsterdam. Ik vraag me af of ze zich heeft gerealiseerd dat ik alles opgaf om voor haar te zorgen. Vermoedelijk dacht ze gewoon dat ik daar woonde en was ze vergeten dat ik een eigen huis had. Dus opeens zat ik weer thuis in Vorden. Nooit verwacht dat ik weer na zo lang terug zou keren in het dorp. Alleen waren de rollen omgedraaid: ik zorgde nu voor mijn moeder. Het was een strak schema. ’s Ochtends om half acht, voor mij was dat midden in de nacht, kwamen de zusters van de thuiszorg. Ik hielp ze mijn moeder uit bed halen en haar in de stoel voor het raam te zetten. Daarna volgden de vaste rituelen: koffie zetten, broodje smeren, broodje te eten geven.

En toen kwam de lockdown. Drie maanden zaten we samen opgesloten. Corona ontging mijn moeder volledig. Het was prachtig weer dus ze wilde naar het dorp. Boodschappen doen en op een terrasje zitten. Ik probeerde haar uit te leggen dat dat niet kon omdat er een besmettelijk virus rondwaarde. Waarop ze zei: ‘Ja, ja, het zal wel. Je kunt me wat. Ik wil er nu uit.’ Ze was ook weleens verdrietig. Als ik dan vroeg waarom, antwoordde ze: ‘Ik stel helemaal niks meer voor, het hoeft niet meer voor mij.’ Ze zat de hele dag ook maar in die stoel. Ze zag er nog precies hetzelfde uit met haar grijze, golvende haren en haar hippe brilletje, maar ze was niet meer dezelfde, niet meer wie ze ooit was. Ik kon niks meer aan haar kwijt, niks meer overleggen. Of vertellen als er iets leuks gebeurde. Dat deed wel pijn.

Op het laatst moest ik haar voeren, hapjes geven, slokjes koffie aanreiken. En opletten of ze niet in haar broek had gepoept. Ik vond het niet erg om mijn moeders bips af te vegen. Dat heeft ze ook bij mij gedaan toen ik klein was en nu deed ik het bij haar. Ik ben helemaal geen verzorgend type, ik heb zelf nooit kinderen willen hebben. Maar toen het eenmaal moest, vond ik er wel een soort voldoening in. Ik kon haar leven nog enigszins dragelijk en prettig maken, door te voorkomen dat ze naar een verpleeghuis moest.

Ik had een oppas, een vrouw die veel met demente mensen had gewerkt in de zorg. Zij had allerlei foefjes, zoals liedjes met mijn moeder zingen. Ik heb toen heel internet doorgespit naar kinderliedjes die ze nog kende. Moriaantje zo zwart als roet kende ze nog helemaal uit haar hoofd, dat was haar lievelingsliedje. Zou je eigenlijk liever niet meer willen zingen.

Die oppas nam, dat vond ik heel confronterend, een pop mee voor mijn moeder. Ze gaf mijn moeder die pop in de armen en dan zongen ze samen Slaap kindje slaap. Mijn moeder vond het fantastisch. Terwijl ik op het bed naar het tafereel zat te kijken, moest ik echt janken. Ik zag mezelf opeens als baby in haar armen.

Twee dagen voor ze overleed, kreeg ze ’s avonds 39 graden koorts. Ze bleef de volgende dag in bed liggen, keek alleen maar naar het plafond. Ze zei helemaal niks meer, lag een beetje zwaar te puffen. De dokter gaf haar antibiotica waardoor de temperatuur naar beneden ging. Maar de volgende ochtend had ze toch weer 39,4 graden. Ze kon niet meer slikken, wilde ook geen ijsje meer. De dokter zei dat ik me erop moest voorbereiden dat het afgelopen was. Vermoedelijk had ze een blaasontsteking, maar haar lijf was gewoon op. Ik heb een paar vrienden gebeld, die meteen kwamen. We hebben de hele dag bij haar bed gezeten. Grappen verteld, herinneringen opgehaald. Om half negen ’s avonds liet mijn moeder een raar zuchtje. Ik nam haar in mijn armen: ‘Mam, als jij het zo goed vindt, vind ik het ook goed.’ Twee tellen later was ze dood. Na al die maanden drukte ik, eindelijk, een kus op haar lippen. Ik zei tegen mijn vrienden: ‘Nu ben ik moederziel alleen.’ Mijn man was in 2012 plotseling aan een hartstilstand overleden, mijn vader was dood en nu was mijn moeder ook dood. Mijn vrienden antwoordden: ‘Maar wij gelukkig niet, wij zijn er altijd voor je.’ Mensen vragen mij of het geen opluchting of verlossing is dat mijn moeder is overleden. Helemaal niet. Ik had haar graag nog langer bij me gehad. Maar goed, ik mag niet klagen, ze is 92 geworden.’

Meer over