'Ik vind mezelf geen reus'

De Amerikaanse saxofonist Joe Henderson moest jaren ploeteren voor het succes. 'I really was in the shit.' Hoewel hij op z'n 55ste onverhoeds beroemd werd met de cd 'Lush Life', is hij somber gestemd over de toestand in de jazz....

HET BLIJKT toch geen paleis te zijn, of een monumentaal regeringsgebouw, maar wel degelijk het hotel. Ook de vorstelijke suite waarin hij de pers te woord staat onderstreept het: Joe Henderson, in 1937 geboren in Lima, Ohio, in een arm gezin met negen broers en vijf zussen, is uiteindelijk toch heel behoorlijk terechtgekomen. Sinds zijn debuut voor Verve, Lush Life uit 1991, is de tenorsaxofonist eindelijk een ster, die wat Europese interviews komt afwerken in een chic stuk Parijs. Directe aanleiding is zijn nieuwe cd, Porgy And Bess, waar een tournee aan vastzit die op zondag 12 oktober, tijdens de JazzMarathon in Groningen, zijn wereldpremière beleeft.

Het succes is lang uitgebleven. Henderson maakte zijn eerste plaat, Page One, al in 1963. De voornaamste elementen van zijn stijl waren toen reeds aanwezig. Zoals de direct herkenbare toon, een wat zachter, ingetogener mengsel van Coltrane en Rollins, een kreet in een wollig omhulsel. En de manier van soliëren, klaargestoomd in de hogedrukketel van de hardbop, maar melodieuzer dan de meeste tijdgenoten, met meer risico op zoek naar nog niet gespeelde ideeën.

Henderson stond altijd open voor een frisse benadering, zodat hij halverwege de jaren '60 vaak meewerkte aan opnamen van de gematigde avant-garde waar het Blue Note-label toen zo sterk in was, zoals Andrew Hills meesterwerk Point Of Departure. Op zijn eigen platen experimenteerde hij met Braziliaanse en Latin-invloeden, geregeld in samenwerking met trompettist Kenny Dorham. Ondanks veel waardevol werk voor Blue Note en Milestone bleef de doorbraak echter uit.

Tot de jaren negentig, en het begin van zijn songbook-serie, waarin hij achtereenvolgens zijn wat voller en kalmer klinkende tenor variaties liet zingen op composities van Billy Strayhorn, Miles Davis en Antonio Carlos Jobim, waarna hij een lang gekoesterde wens in vervulling zag gaan met de registratie van zijn eigen big-bandstukken. Zijn meest recente songbook is gewijd aan de gebroeders Gershwin, en hun beroemde opera.

'Het was Verve-producer Richard Seidel die Porgy And Bess suggereerde, maar het idee had van mezelf kunnen komen. Het zijn prachtige stukken, en hoewel er standards bij zitten zijn de meeste tamelijk onbekend. Ik speel niet de hele opera, maar de cd heeft toch een verhalende structuur, daar hou ik van. Die versterk ik ook door bepaalde verbindende thema's telkens terug te laten komen. Er is zo min mogelijk gearrangeerd, want zoals Gershwin die stukken geschreven heeft, bevatten ze zo veel sterke en afwisselende stemmen, dat je al een orkestraal effect krijgt als je gewoon speelt wat er staat.

'Verder koos ik voor dezelfde aanpak als bij Lush Life. Ik nodigde musici uit die ik bij die stemmen vond passen, in dit geval pianist Tommy Flanagan, gitarist John Scofield, trombonist Conrad Herwig en vibrafonist Stefon Harris. Die liet ik in telkens andere combinaties werken, van duetten tot een volledig septet, met Dave Holland op bas en Jack DeJohnette op drums. Want ik wil al heel lang af van de ouderwetse manier van platen maken: een paar simpele lijntjes, geschreven door de leider, een ballad, een blues, en iedereen een solo in elk nummer. Dat hebben we nu wel gehad. Ik presenteer liever telkens een nieuwe scène, met een andere rolbezetting. Daar tracht ik dan een vloeiend geheel van te maken, live laat ik de stukken ook in elkaar overlopen. Want het gaat me om het weergeven van de sfeer, de stemming van de composities. Het is ook heel belangrijk voor me om de tekst te kennen.'

0N IETTEMIN wordt er maar op twee stukken van Porgy And Bess gezongen. Chaka Khan brengt een broeierig Summertime dat uitmondt in stevige soul-uithalen, en Sting een theatrale uitvoering van It Ain't Necessarily So. Allebei vocalisten die meer met pop dan met jazz worden geassocieerd. Niet zo verwonderlijk, want hoewel hij op zijn eigen platen zelden fusion heeft gespeeld werkte Joe Henderson geregeld samen met naar rock neigende artiesten als Blood, Sweat & Tears, Carole King, Carlos Santana en Rickie Lee Jones.

'Popmusici hebben iets te bieden dat in veel jazz ontbreekt. Wat ze doen is vaak simpeler, maar ze weten er meer betekenis aan te geven. Kijk, iemand heeft ooit van mij gezegd dat ik jazzmusicus ben, zelf heb ik me nooit zo genoemd. Ik was wel vereerd door die naam, hij verleent je een zeker prestige. Maar tegelijkertijd ontkent hij een groot deel van mijn achtergrond, mijn culturele identiteit. Ik ben opgegroeid met blues en rhythm & blues, dat speelde ik ook als tiener. Howlin' Wolf, B.B. King, Willie Dixon, Bo Diddley, van hen heb ik geleerd wat ritme is, omgaan met de beat, fraseren met gevoel. Daar kijk ik niet op neer. Ik kijk toch ook niet neer op m'n moeder? En ik hou nog steeds van al die mooie popmelodieën die Nat Cole en Billy Eckstine zongen. Maar wanneer je je daar als jazzmusicus mee bezig houdt, word je met de nek aangekeken. Het is echt: daar mag je niet lopen, dat is verboden terrein, you have to tiptoe through the tulips.

'Ik zag Sting voor het eerst een jaar of vijftien geleden. Hij zong en speelde tegelijkertijd contrabas. Eerst dacht ik dat hij dat acteerde, maar hij bleek echt te kunnen spelen, al is hij dan geen Ray Brown. Later hoorde ik hem meermalen de standard My One And Only Love zingen, en het was duidelijk dat die jongen een song kan interpreteren. En Chaka, die vertegenwoordigt gewoon een moderne versie van mijn roots, met haar gospelstem. Het is helemaal niet uitgesloten dat ik nog eens een rhythm & blues-project begin. Maar de timing moet goed zijn. Want alles, van een spelletje golf tot een staatsgreep, draait om timing.'

Dat verklaart ook misschien waarom Henderson nu als een van de groten wordt gezien. Na de dominantie van free en fusion werd gestructureerde, akoestische jazz in de jaren negentig weer populair, ook bij jonge muzikanten. En de meeste reuzen uit de hoogtijdagen van de bop zijn nu eenmaal overleden of niet langer actief. Henderson heeft gemengde gevoelens over zijn recente status, en over de jonge generatie die het klimaat ervoor schiep.

'Ik kreeg m'n eerste Grammy Award pas toen ik al 55 was. Tot die tijd moest ik altijd ploeteren, I was really in the shit. Dus ik zag mezelf bepaald niet als een reus, en als je 55 bent verandert je zelfbeeld niet meer. Natuurlijk geniet ik van alle aandacht, maar een beetje bitter ben ik ook wel.

0I K HEB een hoop interessante platen gemaakt die alleen de kenners waardeerden, en na één cd, Lush Life, denkt iedereen opeens dat je Jezus Christus bent.' (Hij kijkt even omhoog: 'Neem me niet kwalijk, ik probeer iets duidelijk te maken.') 'Waar waren die lui al die tijd? Als ik naar de bank ga om geld te halen komen er tien mensen op je af om je te bewonderen. Dan zeg ik: ''Ik ben het, Joe, ik woon hier al jaren om de hoek.''

'De grote platenmaatschappijen hebben de echte muzikanten heel lang genegeerd. Jonge jongens in Armani-pakken werden naar voren geschoven, terwijl ze nog geen blues fatsoenlijk konden spelen. Jeugd was ineens belangrijker dan kwaliteit. De enige uitzondering die ik ken is Stefon Harris, die op mijn cd meedoet. Die is pas twintig, maar heeft enorme diepgang. Hou hem in de gaten. Maar al die andere knulletjes, dat die op dezelfde podia stonden waar ik Trane, Monk, Stan Getz, Bud Powell en al die andere meesters heb gezien, dat deed pijn. I am as serious about my music as Einstein was about that theory. Jaren en jaren achtereen heb ik gewerkt aan mijn toon, aan een betekenisvolle manier om melodieën te vormen, ideeën op ideeën te stapelen. Ik herhaal mezelf nooit, als de wereld toen niet luisterde is het jammer, want dat speel ik niet meer. Je moet blijven groeien, you can't keep walking through your grave every day.

'Het niveau van de scene is al twintig jaar ontstellend laag. Het is een oninteressant, oncreatief stelletje klonen geworden, dat alles weggegooid heeft wat waarde had. Ze houden zogenaamd zo van de traditie, maar alles is een riedeltje voor ze. Niemand kan een lijn laten ademen, zelf een uitgewogen melodie bedenken die uit het thema voortvloeit. Niemand kent nog het inleidende couplet van een song, de verse van Stardust bijvoorbeeld. Stardust is een riedeltje geworden, om snel af te draaien.

'Toen ik jong was, ging het eigenlijk steeds maar beter. Elk jaar kwam er wel weer een jonge jongen die beter trombone speelde of drumde dan we tot dusver gehoord hadden. Nieuwe mogelijkheden werden ontdekt, de instrumentbeheersing ging voortdurend vooruit. Die ontwikkeling is al lang afgelopen, en dat verbijstert me. Niemand waarschuwde je daarvoor: Joe, over twintig jaar word je wakker en is het niks meer.

'Neem me niet kwalijk dat ik me even liet gaan. Ik ben eigenlijk een heel positief persoon.'

Joe Henderson: Porgy And Bess. Verve 314 539 046-2. Zondag 12 oktober speelt Joe Henderson Porgy And Bess op de JazzMarathon in de Oosterpoort, Groningen.

Meer over