'Ik sta machteloos!'

Lezend in het dagboek van Max de Jong, een generatiegenoot van Gerard Reve, krijg je medelijden met hem. Niets en niemand deugt, ook zijn vriendinnen niet. De schrijfstijl is even schraal als de jaren vijftig waren, en toch boeien en fascineren zijn belevenissen.

Erik van den Berg
Portret van Max de Jong, 1946 Beeld Theo Kroeze
Portret van Max de Jong, 1946Beeld Theo Kroeze

Kroniek van nederlagen

Stel je een experiment voor: wat voor proza krijg je als je W.F. Hermans kruist met Gerard Reve? Mogelijke uitkomst: het Dagboek van Max de Jong uit 1947-1951. Het deze week gepubliceerde egodocument verenigt cynische observaties met geouwehoer over pietluttigheden - eigenschappen die we met Hermans en Reve associëren. Niet toevallig wellicht, want De Jong kende beide schrijvers van nabij.

Lange tijd gaven de erven van de schrijver geen toestemming voor publicatie. Evengoed beweerde Geert van Oorschot dat hij het dagboek rekende tot de 'grote monumenten van de literatuur omstreeks het midden van de eeuw'.

Had Van Oorschot gelijk? Zacht uitgedrukt: het valt niet mee. Als het Dagboek een monument is, dan in het zonderlinge en beklemmende. Een 840 pagina's tellende kroniek van nederlagen in de liefde en in de letteren, monomaan en claustrofobisch.

Venijn

Fraai geschreven is het niet, en aan venijn is geen gebrek - de schrijver neemt iedereen de maat, en niemand ontkomt aan zijn vonnis. Dat hij geen twee jaar na de Holocaust termen als 'rotjood' en 'joods volbloedje' bezigt, maakt het er niet innemender op.

Hella Haasses roman Het woud der verwachting is 'van geen belang', Geert van Oorschot, de 'grote bek' die in 1947 zijn gedicht Heet van de naald publiceert, deugt niet. 'Ik heb mijn hart volkomen gelucht en zoveel ongezouten kritiek laten horen, dat Geert er genoeg van kreeg.'

Ondanks het geschamper fascineert het dagboek ook. Niet alleen als de getuigenis van een verstikkend eenzame ziel, maar ook als verslag van de ongelooflijke armoede in de eerste naoorlogse jaren. Kolen zijn op de bon, een fietsreparatie van een tientje is een aanslag, een lokaal waar je voor 1,50 bami opschept een geheimtip. Gemengd zonnebaden in Wijk aan Zee is niet toegestaan.

Literaire roddels

De Jongs impressies van het literaire leven hebben ook dat schrale. Kleinigheden over Reve ('autistisch en onmogelijk, en verrekt geestig') en Hermans ('mijn vastheid van optreden laat tegenover deze knaap verstek gaan') en wat literaire roddels ('Van Vriesland vindt Greshoff een lul') wegen niet op tegen de omstandige verslagen van zijn avonden in de Biekorf, een eethuis voor studenten en kunstenaars op de Amsterdamse Keizersgracht, waar zich een groot deel van De Jongs sociale leven afspeelt.

Dwangmatig precies brengt De Jong de verliefdheden, ruzies en intriges in de Biekorf in kaart. Hij loert er naar leuke meisjes, maar aan iedere kandidate mankeert wel wat. Een naamloze madonna heeft een 'krullip en een hitlersnorretje', met de 'korte en bovendien onregelmatige cyclus' van Betty is het oppassen, bij de aandoenlijke Hilletje ruikt hij 'het tikkeltje zwakke maagvlies'.

Je kunt het zo alledaags niet verzinnen, of De Jong weet er een obsessie van te maken. Eindeloze alinea's trekt hij uit voor het 'gebalk en gejoel' van de buren, zijn slaapperikelen, moeizame danslessen, onenigheid met leveranciers ('stomme rotkleermaker, verdomme').

Ironie

Gewoon de krant lezen lukt ook al niet. De Jong is geabonneerd op Het Parool ('al vunzinger') en Vrij Nederland ('tijdrover') en lijkt het zijn plicht te vinden die integraal te bestuderen, wat leidt tot verzuchtingen als 'van 12 tot 5 gedaan over de krant, ik sta machteloos!'.

Heeft De Jong de neuroses in hemzelf herkend, schuilt er ironie in het gezever? Door de omhaal waarmee elke nietigheid wordt geboekstaafd - zie zijn kolenkachel, die eerst 'beestachtig' rookt, dan uitgaat, begint te roeten, ten slotte lekker brandt, 'alhoewel met kolendamp', enzovoorts - lijk je soms in een levende versie van De avonden beland. 'Als ik op straat loop, is er altijd net een ongeluk gebeurd.'

Geen ironie weegt echter op tegen het inzicht dat De Jong wél elke onbenulligheid vastlegt (het dagboek beslaat 44 schriften), terwijl zijn literaire werk maar niet van de grond komt. Een novelle over 'de binnengedachten van een vrouw tijdens de coïtus' blijft ongepubliceerd. De grote schrijvers waar hij zo graag mee schermt, zijn niet om door te komen. Als het hem eens lukt, gaat de vlag uit: 'Le grand Meaulnes uitgekregen! Dat gebeurt ook niet alle dagen, dat ik een heel boek uitkrijg. Dat is dan toch maar de vasthoudendheid, die zich loont.'

Onvervuld

Op 22 mei 1951, in de laatste dagboekpagina's, klaagt De Jong over hoofdpijn. Een dag later: 'Die koppijn moet wel iets ernstigs zijn.' Op 26 mei: 'Ik had naar de dokter gemoeten.' Het baat al niet meer. Max de Jong sterft op 10 juni aan een tuberculeuze herseninfectie, 33 jaar oud, en onvervuld in al zijn ambities.

Zijn jongere zus Lidi ontfermt zich over zijn dagboek en zal haar leven lang voorkomen dat het wordt uitgegeven. Na háár dood in 2013 besluiten haar kinderen dat de stilte lang genoeg heeft geduurd. Van alle 'rotwijven', 'kruideniers' en 'zure tangen' die in het dagboek te kijk staan, is niemand meer in leven.

Meer over