'Ik schrijf zoals het is'

Jacob Vredenbregt is nog geen 20 jaar als hij als soldaat in Nederlands-Indië wordt neergeschoten. Hij raakt evengoed verknocht aan het land, waar hij zich later als hoogleraar zal vestigen....

De rood geschilderde wanden zijn behangen met schilderijen, de meeste uit de eerste helft van de vorige eeuw, de fauteuils zijn breed en diep, en door het raam heb je een uitzicht op de enorme vijver met de waterlelies. ‘Victoria Regia’, zegt Jacob Vredenbregt. In zijn stem klinkt trots en tevredenheid. Alles in zijn huis, even buiten Djakarta, is zijn werk, behalve de schilderijencollectie. Daarvoor verontschuldigt hij zich bijna. ‘De meeste waren van mijn ouders. Nou ja, wat je ouders noemt.’

En daarmee belandt hij meteen in het eerste, en misschien wel cruciale hoofdstuk uit zijn leven: ‘Mijn vader was een sadist die mij terroriseerde, en mijn moeder was absoluut niet in mij geïnteresseerd. Die vrouw had nooit kinderen moeten hebben.’ En nu hij toch bezig is gaat hij nog even door.. ‘Menselijke verhoudingen tenderen naar evenwicht, en in dit opzicht had ik harmonie gevonden: de haat die mijn vader mij toedroeg was evenredig aan de haat en afkeer die ik voor hem voelde.’

Het heeft hem alleen maar sterker gemaakt, denkt hij, terugblikkend. ‘Daar ligt waarschijnlijk de kiem van mijn opstandigheid inzake onrechtvaardigheid. Mijn hele wezen was voortdurend in opstand tegen mijn omgeving en bovenal tegen mijn vader.’

Erg veel tijd besteedt Vredenbregt niet aan zijn jeugd, in zijn net uitgekomen memoires, Terugzien en nakaarten. En veel tranen laat hij er ook niet om: ‘Vele van mijn vrienden bewaren een levendige en prettige herinnering aan hun kindertijd. Ik niet.’ Hij neemt waar en noteert, als de antropoloog die hij zijn halve leven is geweest. ‘Ik ben wel in staat objectief te blijven bij wat ik heb meegemaakt. Ik schrijf zoals het is.’

Zijn jeugd heeft hem in staat gesteld alles te overleven: de oorlog, zijn gevangenschap in Indonesië, zijn conflicten met het establishment in universitair Nederland, en de verloren liefdes. ‘Mijn jeugd heeft mij geleerd mij te richten op de realiteit van de dag, en niet te gaan verlangen naar dingen die je toch nooit zult krijgen.’

Vredenbregt is nog een jongen als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Als die voorbij is tekent hij voor militaire dienst in Nederlands-Indië, waar hij in november 1946 door Indonesische militairen wordt neergeschoten en krijgsgevangen gemaakt. Hij zit anderhalf jaar gevangen voordat hij wordt vrijgelaten en terugkeert naar Nederland. Zijn hart blijft echter achter in Indonesië. ‘Alles wat ik sindsdien heb gedaan heb ik gedaan om hier te kunnen terugkeren’.

Zijn eerste jaren in Indonesië hebben hem voorgoed veranderd. ‘Vanuit een slechte jeugd kwam ik in militaire dienst, wat voor mij een heel nieuwe wereld was. Daarna belandde ik in gevangenschap, wat wéer een nieuwe wereld was. Ik vond daar mijn eerste erkenning, mijn eerste liefde.

‘Nou ja, mijn eerste liefde vond ik in Duitsland, dat heeft u kunnen lezen’, corrigeert hij zichzelf, want de zaken moeten wel kloppen. ‘Karl’ heette die liefde in het boek De Opstand, dat Vredenbregt over die jaren schreef. Hij ontmoet hem in de puinhopen van het verslagen Duitsland en hartstochtelijk beschrijft Vredenbregt de hartstocht: ‘Als roofdieren beten we ons in elkaar vast, almaar heftiger en pijnlijker totdat op het laatst het moment kwam.’

Memoires zijn toch wat anders dan een roman, en in Terugzien en nakaarten, hanteert Vredenbregt een andere toon. Karl heet eigenlijk Alfons, en ook in bed gaat het er heel wat nuchterder aan toe: ‘De hele nacht bedreven we de liefde, en het was alsof ik hem al jaren kende. De volgende dag kocht ik kleding en schoenen voor hem.’

En dan is het weer voorbij. ‘Ik heb hen nimmer teruggezien noch over hen gehoord, evenmin zijn ze ooit uit mijn gedachten verdwenen.’ Bijna elk boek dat Vredenbregt schrijft eindigt in zo’n afscheid, ‘emoties van het moment die een levensduur hebben van een brief, en vervolgens wegvloeien in herinneringen aan een enerverende tijd.’

Na zijn vrijlating keert hij terug naar Nederland, en studeert antropologie met als specialisatie Indonesië, waardoor hij studieprojecten in Indonesië kan doen, tot hij in 1968 wordt benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Jakarta en zich daar blijvend kan vestigen.

‘Zestig jaar ooggetuige in Indonesië’ is de ondertitel van zijn memoires, en dat is niet overdreven. Alle grote gebeurtenissen in de recente Indonesische geschiedenis heeft hij meegemaakt, en bijna allemaal leidden zij tot een boek. Vredenbregt is er tijdens de vrijheidsstrijd (De opstand, verschenen in 1986), hij is er als Soekarno de Nederlanders eruitschopt (Aan het einde van de middag, 1984), hij maakt in 1965 het einde van Soekarno mee, de opkomst van Soeharto, en de massamoord op de communisten. In 1998 is hij erbij als Soeharto ten val wordt gebracht (Reformasi, 1999). ‘Ik heb een turbulent leven gehad, maar dat heeft u misschien al gelezen’, zegt de schrijver.

Vredenbregt is al 58 als hij, onder het pseudoniem M. Jacob, debuteert met de roman Aan het einde van de middag. Het pseudoniem gebruikt hij omdat hij zijn literaire en wetenschappelijke werk gescheiden wil houden. Vanaf 1990 is hij op verzoek van de uitgever zijn eigen naam gaan gebruiken. Dat hij zo laat debuteert is volgens hem het gevolg van tijdgebrek. Zijn baan in Jakarta slokt al zijn tijd op. Pas als hij acht jaar later verhuist naar de universiteit van Ujung Pandang op Sulawesi (Celebes) krijgt hij ‘een zee van tijd’. Hij schrijft er voor de lol een kort verhaal, ‘De Schipbreuk’ en dat is het begin. Een bezoek van de schrijfster Aya Zikken zet hem aan om door te schrijven. ‘Zij vroeg mij er nog twee te schrijven, en toen ik dat had gedaan zei ze: ‘je moet er acht schrijven, dan heb je een bundel’. Het werden er tien, en de bundel werd: De deftige kolonie (1988). Ik stuurde hem op naar Nijgh & Van Ditmar.’

De uitgever wilde liever eerst een roman dan een verhalenbundel. ‘Dus schreef ik Aan het einde van de middag, zegt hij laconiek, alsof hij zo’n boek uit zijn mouw schudt. Een beetje is dat wel zo. Vredenbregt heeft genoeg meegemaakt voor tien romans, zoals blijkt uit zijn bibliografie. Zijn memoires zetten al die romans in het perspectief van de geschiedenis.

Terugzien en nakaarten is ook een afrekening met mensen die hem hebben dwarsgezeten, zoals de ‘vrome vaderen’ van het KITLV, het voormalige Tropeninstituut, die het waagden hem te passeren bij een sollicitatie. Of de Nederlandse legertop die in 1947 tegen zijn soldaten loog dat in Indonesië ‘een stelletje raddraaiers’ een onbeduidende opstand waren begonnen. En de mensen die durven te beweren dat de communisten in Indonesië streden voor sociale rechtvaardigheid (‘die linkse club in Nederland’).

Hij leunt achterover. ‘Ik heb mij nooit laten leiden door een politiek klimaat. Ik schrijf zoals het mij bevalt, ben niemands knecht’, zegt hij. Vredenbregt kijkt tevreden terug. Maar ook aan het eind van Terugzien en nakaarten wacht hem nog een afscheid: het afscheid van het schrijven. ‘Ik ben een beetje leeg. Ik weet niet waarover ik nu nog zou moeten schrijven.’

Meer over