InterviewDelphine Lecompte

‘Ik mis heftigheid, provocatie en smerigheid in de kunst van nu’

Delphine Lecompte: ‘Ik mag het schrijven geen dag overslaan. Ik ben zo lui dat het dan snel dagen, weken, maanden worden.’ Beeld Aurélie Geurts
Delphine Lecompte: ‘Ik mag het schrijven geen dag overslaan. Ik ben zo lui dat het dan snel dagen, weken, maanden worden.’Beeld Aurélie Geurts

Haar lovend ontvangen prozadebuut verscheen minder dan een jaar geleden. Nu is Delphine Lecompte alweer klaar met deel II. Waar komt die schrijfwoede vandaan?

Laura de Jong

Vijf sterren kreeg Beschermvrouwe van de verschoppelingen, het prozadebuut van de Vlaamse dichter Delphine Lecompte (1978) afgelopen april in de Volkskrant. Recensent Sjeng Scheijen schreef: ‘Als er dit jaar helemaal niets meer van waarde gepubliceerd zal worden, is het toch een geslaagd jaar omdat dit boek er is.’ En nu, binnen een jaar, is er een tweede deel verschenen.

In deze opvolger neemt Lecompte de lezer wederom mee in haar wereld, de wereld van de verschoppelingen, en word je in korte hoofdstukken – waarvan een deel eerder verscheen in het Vlaamse weekblad Humo – meegevoerd langs kleurrijke personages als de oude kruisboogschutter, zotte tante Katrien, de voluptueuze Zweedse ex-hoer Sandra, de sadistische nachtverpleger en de voormalige vrachtwagenchauffeur. Daarnaast schrijft Lecompte openhartig over haar waanzin, verslavingen, seksuele escapades en opnamen in psychiatrische inrichtingen.

Waarom zo snel een tweede deel?

‘Niet omdat ik heel ambitieus ben. En zeker niet heel opdringerig. Er is gewoon veel materiaal. Nu heb ik toch nóg pittigere verhalen, denk ik. Bij de uitgeverij waren ze natuurlijk blij met de vijfsterrenrecensie in de Volkskrant voor deel I, maar ik ben niet onder druk gezet. Het is ook gewoon mijn gulzigheid in combinatie met hypochondrie of morbiditeit, omdat ik elke dag denk dat ik dood kan neervallen.’ Droog, met een lach: ‘Het zou rampzalig zijn, mocht er dan geen nieuw boek klaarliggen.’

Dit tweede deel is, net als deel I, openhartig en fantasierijk, maar ook tragisch. Hoe omschrijft u het zelf?

‘Woest en kinderlijk, baldadig, koortsig. Ik hoop dat duidelijk is dat die urgentie er altijd is, dat het niet vrijblijvend is, dat er wrangheid en rauwheid in zit. Maar anderzijds ook spotternij, waardoor het toch weer verteerbaar is. Voor mezelf, maar ook voor de lezer.

‘De thema’s zijn soms loodzwaar, dat ik in gekkenhuizen – allez, psychiatrische inrichtingen – heb gezeten. Of soms suïcidaal ben. Ik slaag er dan wel in om afstand te nemen terwijl ik dat schrijf. En er bijna luchtig of toch met een zekere humor en achteloosheid over te schrijven. Maar natuurlijk neemt dat niet weg dat ik die periodes wel degelijk meemaak. Het is geen koketterie. Die demonen zijn er. Maar ik vind het belangrijk een sterke literaire tekst te maken en tijdens het schrijven voel ik mij ook altijd sterk. Als ik ontmoedigende ontmoetingen heb met een bloedeloze boekhouder, denk ik: als er maar een sterke tekst van komt, dan is het toch ergens goed voor geweest!’

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

U heeft hiervoor negen dichtbundels geschreven. Is het schrijven van proza anders?

‘Ik ben kritischer en minder zeker over mijn proza. Bij proza ben ik rapper verbluft, overdonderd door anderen. Met de gedichten heb ik meteen toegang tot mijn poëtica, mijn verbeelding. Het is allemaal speelser, de logica mag er af en toe bij inschieten. Een verhaal moet toch ietsje rationeler in elkaar zitten. Je moet rekening houden met regels en chronologie. Maar ik lap de regels ook graag aan mijn laars en gebruik bijvoorbeeld veel te veel adjectieven.’

Sinds uw finaleplaats in het Belgische tv-programma De Slimste Mens ter Wereld, in 2020, bent u een bekende Vlaming. U was de publiekslieveling. De Morgen schreef: ‘Iedereen zou Lecompte de overwinning gunnen, omdat haar persoonlijkheid een verrijking is voor de Vlaamse showbizz.’ Heeft die deelname uw leven veranderd?

‘Vreselijk, echt, ik kan letterlijk huilen. Mijn leven is een hel, sindsdien. Als ik op voorhand had geweten dat dit de impact zou zijn, de brutaliteit en de schofterigheid van sommige mensen, en dat al mijn opiniestukken zo onder de loep zouden liggen… Voorheen kon ik ongestraft of ongemerkt opiniestukken over Polanski schrijven, maar als ik nu een opiniestuk schrijf waarin ik genuanceerd pleit voor mededogen voor mensen met pedofiele gevoelens, mensen die die gevoelens in bedwang houden en zich nooit aan kinderen zouden vergrijpen, moet ik politiebescherming krijgen tijdens poëzieoptredens. Dat soort toestanden.’

U doelt op de mediarel waar u afgelopen september in terechtkwam. Critici vielen over u, omdat u in een opiniestuk had geschreven dat ‘in ieder van ons een pedofiel huist’.

‘Dat is het citaat dat eruit werd gepikt. Het was misschien wat kort door de bocht maar dat is ook mijn stijl, waarbij ik wat overdrijf. Ik wilde vooral het afschuwelijke fenomeen van de pedojager aanklagen. Ik beweerde dat je je in die mensen moet verdiepen, dat ze bij zorgverleners terecht moeten kunnen.’

Remmen die nare reacties u?

‘Nee, ik was wel ontredderd en zwartgallig, en ook een beetje bang. Maar na enkele dagen werd ik alweer opstandig en heb ik opnieuw een opiniestuk geschreven.’

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

U bent kritisch als het gaat om de ‘politiek correcte tijdgeest’, in Beschermvrouwe van de verschoppelingen II schrijft u: ‘Columnisten worden haast gedwongen om vale brave kleurloze kabbelende kneuterige stukjes te schrijven waar geen enkele dwerg of Eskimo of kreupele albino orgeldraaier aanstoot aan kan nemen.’

‘Ik mis wel heftigheid, provocatie en smerigheid in de kunst van nu. Ik vind dat veel schrijvers voorzichtig zijn en ook te weinig geïnteresseerd in de zelfkant of gewoon in andere mensen. Daarom heb ik zo’n bewondering voor Arnon Grunberg, wat een verademing. Hij is tenminste geïnteresseerd in militairen, kamermeisjes en psychiatrische patiënten.

‘Zo hoort het ook, dat zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn. Voor iedereen, maar zeker voor een schrijver: dat je nieuwsgierig bent en in de laatste plaats met andere schrijvers bevriend wilt zijn, maar dat je clochards aanspreekt en geïnteresseerd bent in het wel en wee van een touwslager of een onderwaterlasser. Van die mensen kun je iets leren. Ik ben niet geïnteresseerd in de rituelen en neuroses van collega-schrijvers, want die kan ik bij mezelf wel vinden en zo interessant is dat allemaal niet.’

Waarom heeft u een zwak voor verschoppelingen?

‘Omdat ik het uiteraard zelf ben. In de eerste plaats door een onorthodoxe opvoeding en door een aangeboren neerslachtigheid, een zelfdestructieve kant die in mij zit, eenzelvigheid ook. Ik kom uit een burgerlijk milieu, waarin ik veel hardvochtigheid, inhaligheid en sadisme heb gezien. Toen kwam ik in de psychiatrie en ontmoette ik mensen die aan lager wal waren geraakt, verslaafde mensen uit minder gegoede milieus. Daar voelde ik zo’n vanzelfsprekende aanvaarding en warmte dat ik me heb vastgeklampt aan die mensen, en ik zou het heel erg van mezelf vinden als ik me nu van hen zou distantiëren.

‘Het is ook een vorm van onzekerheid. Op prestigieuze literaire avonden, waar alle schrijvers bij elkaar staan – blasé of niet blasé, er zijn natuurlijk ook sympathieke schrijvers –, ga ik dan toch liever spreken met de mensen van de catering of de gepensioneerde geluidsman, omdat ik denk dat dat contact voor mij makkelijker zal zijn.’

U heeft zelf ook een ruig leven geleid.

‘Ja, dat is zo. Het is een wild parcours geweest, ongewild wild. Sommige keuzes heb ik zelf gemaakt, maar ik ben ook terechtgekomen in naargeestige toestanden. Dingen die ik liever niet had meegemaakt.’

Uw jeugd was niet standaard. 18 jaar waren uw ouders toen u werd geboren, u groeide op bij uw grootouders van moederskant in de badplaats De Panne.

‘Mijn grootouders waren nog niet gepensioneerd, zestigers, met een druk sociaal leven, maar ik vond ze natuurlijk oud. Mijn grootvader uitbundig, wellustig, met veel minnaressen. Een machoman, hij ging wilde paarden temmen, jagen, zeilen, het mislukte allemaal. Een gefrustreerde schrijver ook en een rechter, een jeugdrechter nota bene. Ook grote drinkers alle twee. Ik werd niet aan mijn lot overgelaten, maar het was niet de bedoeling dat kinderen zich lieten horen. Ik vond volwassenen vulgair, de vijand, en wilde zo ver mogelijk bij ze wegblijven. Dus ik speelde graag in de duinen. Bij mijn klasgenoten stond het huis van mijn grootouders bekend als het huis waar niet op je werd gelet.’

Delphine Lecompte: ‘Paranoia en zwaarmoedigheid zitten een paar generaties in de familie – zeker langs moederskant. Dus de waanzin ligt toch wel op de loer.’  Beeld Aurélie Geurts
Delphine Lecompte: ‘Paranoia en zwaarmoedigheid zitten een paar generaties in de familie – zeker langs moederskant. Dus de waanzin ligt toch wel op de loer.’Beeld Aurélie Geurts

Toen u 9 jaar was, kreeg uw moeder een nieuwe man en bent u weer bij haar gaan wonen.

‘In een naargeestig huis in Gent. Ik wilde dat niet, want ik hield van de duinen, de zee, de boxer en mijn grootouders. Mijn moeder had een twintig jaar oudere man. Zoals ik hem in Beschermvrouwe omschrijf: een sombere mompelende hypochondrische Proust-vertaler. Ik heb in mijn herinnering bijna een jaar op het dak gezeten. Ik zal ook wel naar school gegaan zijn, maar ik weet dat ik bijna niet sprak en ook bijna niet at. Dat ik constant struikelde.’

En uw psychische problemen kwamen toen ook naar voren?

‘Ja, vanaf de puberteit werd het alsmaar erger, de drank ook die erbij kwam, drugs en anorexia en zelfverminking. Paranoia en zwaarmoedigheid zitten een paar generaties in de familie – zeker langs moederskant. Dus de waanzin ligt toch wel op de loer. Dat merk ik na een paar slapeloze nachten: dat ik heel rap in een soort psychotische, zandige derealisatie beland, dat ik verbanden leg waarvan ik altijd nog wel weet dat het niet klopt, het heeft iets filmisch en onwerkelijks. Als ik voel dat het te ernstig wordt, kan ik mezelf nog wel corrigeren.

‘Tijdens het toppunt van mijn alcoholmisbruik werd ik agressief en was ik bang dat ik voorgoed aan de andere kant ging terechtkomen. De kant van de complete krankzinnigheid. Mijn moeder en de oude kruisboogschutter, Omer, mijn 45 jaar oudere ex-geliefde, waren ook erg bezorgd. De drank is altijd nogal prominent aanwezig geweest. Maar ik ben nu gestopt. Ik heb een ontwenningskuur gevolgd in de zomer van 2020. Ik mis de roes wel, af en toe. Het is moeilijk, je moet als schrijver je dag zo’n beetje zelf invullen.’

In een interview in Het Laatste Nieuws zei u dat poëzie er niet is om troost te bieden, zoals zo vaak wordt gezegd.

‘Nee, nee sommigen grijpen naar poëzie wanneer iemand sterft of bij een plechtige gelegenheid. Het mag natuurlijk wel. Maar ik bedoel vooral geen kneuterigheid, geen dooddoeners, geen raadgevingen. Ik zoek dat ook niet op in de poëzie waar ik me toe wend in de kunst. Het is geen dekentje of pleister, het moet meer zijn.’

Van welke dichters houdt u?

‘Rogi Wieg heb ik deze ochtend gelezen. Van de Nederlandstalige dichters is hij degene naar wie ik altijd terugkeer. Verder: John Berryman, The Dream Songs. Walt Whitman en de beatgedichten, die dynamiek vind ik opbeurend. Dat heb ik ook als ik een gedicht van Allen Ginsberg lees, er zit iets ritmisch en muzikaals in.’

U schrijft openhartig over uw seksuele escapades. Zegt uw vriend Frank, in uw boeken ‘de 61-jarige voormalige vrachtwagenchauffeur’ genoemd, nooit: schrijf dit maar niet op?

‘Als zijn scrotum in mijn Humo-column weer uitvoerig is beschreven, maken zijn maten in het café daar wel grappen over. Maar hij is niet zo ijdel of macho, hij kan er eigenlijk best tegen. Hij heeft ook veel humor en neemt zichzelf niet heel ernstig. Hij kent mij en tilt daar niet zwaar aan. En hij weet dat het ook niet veel zal uithalen.

‘Met de oude kruisboogschutter daarentegen is er elke dinsdag, wanneer de column verschijnt, weer een nieuwe crisis. Hij vindt het zeer lastig te lezen over mijn kleurrijke uitbundige onstuimige seksuele – grotendeels maar niet volledig verzonnen – strapatsen met de voormalige vrachtwagenchauffeur.’

In het laatste deel van het boek, getiteld ‘mijn allesbehalve aaibare meningen’, schrijft u over ‘het zogeheten witte privilege van de voormalige vrachtwagenchauffeur’. Waarom schrijft u daarover?

‘Er wordt altijd zo gehamerd op de bange boze blanke man die het te lang te gemakkelijk heeft gehad. Te verwend en te gepamperd was. Dan zie ik Frank zitten in zijn beschimmelde huurhuisje met weinig perspectief op betere huisvesting en dan denk ik: je moet elk verhaal afzonderlijk bekijken. Dat verhaal van Frank is zo droevig. Ook al is hij blank en zestiger, je kunt niet zeggen dat hij het gemakkelijk heeft. Nee, op geen enkel vlak.

‘Het is niet slim zo te polariseren. Het is nooit zwart-wit. Er is veel humorloosheid in de activistische wereld. Terwijl iemand als Frank juist veel sympathie voor de Black Lives Matter-beweging zou kunnen hebben. Maar ze sluiten hem bij voorbaat al een beetje uit. Terwijl je uiteindelijk zo veel mogelijk bondgenoten moet verzamelen en zo mild mogelijk moet proberen te zijn.’

Bij het lezen van Beschermvrouwe vraag je je dikwijls af: hoeveel procent is dichterlijke overdrijving en hoeveel is waarheid?

‘Dat vindt mijn moeder ook lastig. Dan leest ze een stuk over de pedofiele tuinman en dan belt ze: kunnen we die man nog aanklagen? Vooral van de passages over seksueel geweld wil ze het fijne weten. Terwijl ik denk: ik heb het neergepend op mijn manier met een stuk fabelzucht erbij en dat is voor mij voldoende. Ik heb het juist neergeschreven zodat ik er nooit meer iets over hoef te zeggen. Zeker niet tegen mijn moeder.’

null Beeld Aurélie Geurts
Beeld Aurélie Geurts

Ik vond dat ook een onthutsend hoofdstuk. U beschrijft hoe u als 5-jarig meisje door de tuinman van uw grootouders wordt misbruikt. In dat verhaal doet u het voorkomen alsof u hem heeft verleid. U schrijft: ‘Het was mooi en niet pervers. Of als er perversie in het spel was dan kwam die van mij.’ Waarom schrijft u dat?

‘Dat is natuurlijk bluf, een manier om er niet door verpulverd te worden, om het met een zekere waardigheid te dragen, maar ik geloof dat zelf ook niet elke dag. Dat een 5-jarige kan beslissen om… Nee, nee, nee. Ik ben zwaar gehavend en getekend door bepaalde ontmoetingen, maar dit is een van de manieren om ermee om te gaan. Andere slachtoffers van seksueel geweld gaan er op een andere manier mee om. Ik weet niet of er een juiste manier bestaat. Ik wil ook niet spreken namens alle slachtoffers van misbruik.’

Met alles wat u heeft meegemaakt is uw hoge productie haast niet te bevatten.

‘Ik gebruik het natuurlijk wel in mijn schrijfsels, maar het is soms ook zwaar, het is een tweesnijdend zwaard. Enerzijds komt het voort uit de naargeestigheid en de ziekelijkheden. Anderzijds denk ik: als ik bevrijd was van de fobieën, van de dwanghandelingen en de paranoia, zou ik misschien grotere – (gierend van de lach) nóg grootsere werken schrijven. Ik weet het niet. Misschien moet ik mezelf wijsmaken dat ik die waanzin nodig heb, misschien is het evengoed een belemmering. Ja, soms is het wel een belemmering. Dus ik weet niet of ik dankbaar moet zijn voor die demonen.

‘Mijn oud-kamergenote, over wie ik ook schrijf in mijn eerste Beschermvrouwe, huilde constant, maar ik zag haar graag. Zij heeft na haar opname euthanasie laten uitvoeren wegens ondraaglijk psychisch lijden. Net als mijn geliefde dichter Rogi Wieg. Maar voordien was ik daar ook wel mee bezig.’

Ach… Het leven is soms ondraaglijk voor u?

‘Ja. Ik voel dat ik me soms wel vastklamp aan mensen en ik heb goede vrienden, maar ik voel toch dat er een leegte en een diepe peilloze pijn in mij zitten, dat het nooit genoeg zal zijn, wat zij mij geven. Ik waardeer dat ze zo hun best doen, natuurlijk. Maar ik kan me ook niet blijven vastklampen aan mensen en zeggen: red mij of maak het allemaal draaglijk of neem het weg, die pijn. Want dat kan niet. Dat kunnen ze niet doen en het is ook te veel gevraagd voor een mens.

‘Maar goed, vooralsnog komt er elke dag nieuw werk bij. Er is genoeg materiaal om Beschermvrouwe van de verschoppelingen deel III en IV in elkaar te boksen. En ondertussen liggen er ook een stuk of vijf dichtbundels bij De Bezige Bij. Ja, dus ze kunnen nog wel even voort met publiceren…’ Proestend van de lach: ‘Ook na mijn euthanasie, nee, dat is een grap. Ik weet van mezelf dat ik zodanig lui ben dat ik geen enkele dag mag overslaan, want anders worden het dagen, weken en maanden dat ik niets doe. Ik moet elke dag schrijven om me daarvoor te behoeden. Ik weet ook dat als ik lui, apathisch en lamlendig ben, ik niet gelukkiger word. Ik heb ook geen hobby’s, dus het is beter dat ik gewoon blijf schrijven.’

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

Delphine Lecompte: Beschermvrouwe van de verschoppelingen II. De Bezige Bij; 286 pagina’s; € 20,99.

Wie is Delphine Lecompte?

Delphine Lecompte (1978) studeerde voor tolk Frans en Russisch, maar maakte opleiding niet af. Ze debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler. Daarna begon ze met dichten in haar moedertaal. Voor haar debuutbundel De dieren in mij (2009) ontving ze de C. Buddingh’-prijs en de Prijs voor Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen. De dichtbundel Blinde gedichten werd in 2013 genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. In 2015 verscheen Dichter, bokser, koningsdochter, dat genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs. Haar meest recente, negende dichtbundel Vrolijke verwoesting kwam uit in 2019. Lecompte is sinds juni 2020 columnist voor het Vlaamse weekblad Humo. Ook is ze museumdichter van Brugge, de stad waar ze woont. In 2020 werd ze derde in de finale van het Vlaamse televisieprogramma De Slimste Mens ter Wereld.

Meer over