‘Ik kietel en vervolgens deel ik een klap uit’

Met Mature zat hij er in 1998 helemaal naast. Amerika houdt niet van bejaarde pin-ups. Nu roept fotograaf Erwin Olaf de jaren vijftig op in Rain and Hope en wordt hij er omarmd....

Erwin Olaf verovert Amerika. In de toonaangevende galerie Hasted Hunt op Manhattan presenteert de 46-jarige Nederlandse fotograaf nieuw werk, dat ver verwijderd is van het geile en broeierige dat hem bekendheid bracht.

Gisteravond was de opening van zijn solo-expositie, Rain and Hope. Het belooft een weergaloos succes te worden. Eerst zegt hij: ‘Ik vind eigenlijk de nieuwe landen als Tsjechië en Polen wel zo interessant. Ken je Lodz? Pure armoede, met in het midden één museum voor moderne kunst. Elke dag kwamen drieduizend bezoekers naar mijn werk kijken. Dat vind ik ontroerend.’

Toch maar de bekentenis: ‘Iedereen wil het maken in deze stad.’

Waar staat New York dan voor? ‘Voor poen.’

Dan: ‘Hier zitten de beste fotografen, de mooiste bladen, de meest kritische critici.’ Recensenten van The New York Times en het politiek-culturele weekblad The New Yorker hebben zich al gemeld. Nog voor de opening waren al achttien foto’s verkocht; negentien verzamelaars namen een optie.

Van New York Times Magazine kreeg hij de opdracht voor een omslagfoto. ‘Het verhaal gaat over dieren en emoties, geloof ik.’ Wat heeft hij ervan gemaakt? Glunderend: ‘Een woedend varken, een ontevreden ezel, een wenend schaap, een lachende koe.’

Galerie Hasted Hunt huist drie hoog in een voormalig pakhuis in de wijk Chelsea, dichtbij 11th Avenue. Hoge, witte zalen. Een enorme dienstlift brengt je omhoog. Dit soort galeries zijn zeer hip in New York, het is helemaal niet nodig aan de straatkant te zitten, het publiek vindt evengoed de weg.

Hij moest eraan wennen. ‘Ik kwam hier vorig jaar om de expositie te bespreken, ik dacht: wat een nare grote grijze baksteen is dit.’ Sarah Hasted en Bill Hunt zijn gevestigde namen in de kunstwereld van New York. Olaf liet zich overtuigen door hun kennis van zijn vak en hun toewijding.

Hij heeft het eerder geprobeerd in New York. In 1998 bracht hij zijn serie Mature. Het werd een grandioos fiasco. Mature ging over bejaarde pin-ups. Het was het verkeerde werk voor New York, te confronterend. Hij vertelt dat een bezoeker zich boos tot de galeriehouder wendde: ‘Ik wil niet kijken naar oude knieën’, had de man gezegd. Olaf: ‘Verschrompelede schoonheden kunnen een ontzettende hekel aan me hebben.’

Het nieuwe werk dat nu in New York hangt is nog altijd een statement, maar het buitensporige – gnomen die aan borsten hangen van dikke, ingesnoerde vrouwen – is verdwenen. Olaf laat scènes zien – hevig gestileerd en met een grote precisie – die doen denken aan de jaren vijftig. Een klaslokaal, een kapperswinkel, een ijssalon in de fletse tinten van het begin van de kleurenfotografie. De karakters kijken voor zich uit, de leegte is immens, er hangt een sfeer van grote onzekerheid.

Zelf zegt hij erover: ‘We zitten in een tijd tussen actie en reactie. We weten het even niet meer. We zijn overrompeld, we zijn bevangen.’

Tegelijk is sprake van een vrolijke treurigheid. Het zijn geestige platen die Olaf vertoont. Hij zegt: ‘Ik vind altijd dat je ook niet serieus moet zijn. Ik kietel en deel een klap uit. Ik kietel mijn publiek en als ze beginnen te lachen, krijgen ze een klap in hun smoel.’

Eind 2004 liet hij het nieuwe werk voor het eerst zien op de grote jaarlijks beurs Paris Photo. Nu komt hij in New York met het vervolg. Het is aanzienlijk veiliger dan de rimpelige pin-ups uit 1998: ‘Ik moet erkennen: er zit een kleine berekenende factor in.’

Hoe onzeker en onrustig maakt een Amerikaans succes hem? ‘Ik ben helemaal niet onzeker. Ja, tussen mijn dertigste en veertigste. Het is een vreselijke leeftijdsfase. Als man krijg je hanengedrag: je moet het gaan maken. Het is erop of eronder.’

Opeens: ‘Ik heb erfelijke longemfyseem, een gevaarlijke variant. Ja, daar ga je aan dood. Met 55, 60 is het gebeurd voor mij, zoals het nu ervoor staat.

‘Ik weet niet wat ik moet doen. Zou jij het weten? Ik ben maar lid geworden van de astmavereniging.’ Hij wordt proefpersoon voor een nieuw medicijn. Wie weet.

‘Het is mij eigenlijk meteen, na de eerste klachten, in ‘96 al meegedeeld. In het begin wil je het niet weten. Het willen weten verloopt in etappes.

‘Ik voel niet de dreiging van de dood. Wat ik voel, is dat ik gaandeweg minder lucht heb. Daar ben ik natuurlijk wel bang voor.’

‘Wat zit je nou te zeuren, zeg ik tegenwoordig tegen mezelf. Ik heb een soort datum gekregen. Dat heeft ook voordelen. Je hoeft niet te denken: zal ik nog eens een koopsompolis nemen?’

Meer over