Ik had het gevoel mezelf een beetje kwijtgeraakt te zijn

Remco Campert met zijn vrouw Deborah Wolf (l) in de zaal voorafgaand aan de feestelijke premiere in Pathe Tuschinski van Verloop van jaren, dichter bij Remco Campert op het documentairefestival IDFA Beeld anp
Remco Campert met zijn vrouw Deborah Wolf (l) in de zaal voorafgaand aan de feestelijke premiere in Pathe Tuschinski van Verloop van jaren, dichter bij Remco Campert op het documentairefestival IDFABeeld anp

Zondag werd in de grote zaal van Tuschinski Verloop van Jaren vertoond, de aan mijn dichtersleven gewijde film die John Albert Jansen maakte. De zaal was stampvol mensen die ik ken en mensen die ik niet ken. De film oogste veel succes.

Na afloop werd ik naar de vip-ruimte geleid. Er was wijn en er waren honderden aardige mensen, die op me afkwamen en allemaal aardige dingen tegen me zeiden. Daar klaag ik niet over, denkend aan mensen tegen wie nooit iets aardigs wordt gezegd. Aan het einde van de avond was ik doodmoe. Ik had het gevoel mezelf een beetje kwijtgeraakt te zijn. Wie was ik? De man in de film of de man die in de vip-ruimte in een stoel zat en complimenten in ontvangst nam? De laatste natuurlijk, maar ik was samengesmolten met de man in de film. Een identiteitscrisis lag op de loer.

Ik ben een dichter. Maar dat ben ik niet alleen. Ik ben ook een mens. Een mens die 's ochtends onder de douche staat, naar de wc gaat, zijn boterhammen smeert, 's avonds zijn pyjama aantrekt en nog even in de door maanlicht beschenen tuin kijkt.

In Van Oorschots Poëziekalender 2016 staat op 29 november een gedicht van me, De Witte Roos:

Het was laat in het jaar

ach eigenlijk bedoel ik eind november

de negenentwintigste als ik het wel heb

zo om een uur of vier in de middag

(op de minuut af weten is moeilijk

zowel van te voren als achteraf

slechts tijdens had het gekund

maar ik lette niet op de tijd)

toen van de witte roos

het laatste blaadje losliet

en neerwaarts dwarrelde

donkerende grond tegemoet

In een dichter schuilen meerdere mensen. Ik denk aan de titel van een bundel gedichten van Tonnus Oosterhoff, die luidt: Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (De Bezige Bij, 2002). Eén mens in mij dacht aan Die weisse Rose, in de oorlog de groep van zuster en broer Scholl, die zich verzetten tegen Hitler. Nu ben ik weer in de buurt van de oorlog gekomen. In genoemde bundel tref ik het volgende gedicht aan:

de nsb'er danst onschuldog met de nsb'se

sierlijk en honds sierlijk en honds

zullen hun kinderen huilen

de beenderen in magere formatie,

op het zwart en witte strik, op de zwartwitte tegels

zullen de kinderen stil zijn

hemel de onschuldige landverrader

drenthe uniform uitspansel woef

zullen de kinderen voortgaan

kinderen

de vooraan voortaan voortgaan

de hondschuldige hemel

stil niet huilen stil doordgaan.

Meer over