IK BEN DE TIJD EN IK HEB DE TIJD

Een heilige taak noemt Simeon ten Holt (82) het componistenleven. Zijn beroemdste werk is Canto Ostinato. Daarmee veroverde hij een als enige nog levende componist een plaats in de Top 100 Aller Tijden....

'Componeren doe ik niet meer. Omdat ik dat niet meer kan. Eigenlijk sinds de wisseling van de eeuw. Ik heb een verlamde arm, een wrak lijf. De piano is voor mij niet meer binnen bereik. En waarom zou ik nog muziek maken? Ik heb het allemaal al eens gezegd. De geest mag dan jong blijven, creativiteit is bij mij sterk afhankelijk van mijn fysieke dispositie, en dan vooral van het libido.'

Simeon ten Holt (82), schepper van minimalistische werken voor meerdere piano's waarvan Canto Ostinato (1973-1976) de bekendste is, zet thee in zijn krappe woonkamer die hij omschrijft als zijn 'kajuit'. De vleugel maakt zich tegenwoordig nuttig als onderzetter voor kristallen wijnglazen, daaromheen staan zijn boekenkast, bed en een bureau. In interviews duikt steevast de omschrijving 'Hans en Grietje-huis' op, in Bergen heeft het huis de bijnaam De Wolkenkrabber gekregen.

Hier speelt Ten Holts dagelijks leven zich af. Als hij een uitstapje maakt, is dat naar de studio van zijn vrouw, in de tuin achter het huis. 'En af en toe gaan we slenteren met de auto, dan rijden we met twintig, dertig kilometer per uur door het landschap, om de ruimte te zien. Colette heeft sinds kort een verrekijker.'

In januari komt bij het Kruidvat een box uit met nieuwe opnamen van Ten Holts avondvullende pianocomposities. Hij heeft de totstandkoming ervan nauwelijks kunnen volgen. 'Het ontbreekt me aan mobiliteit. Muziek speelt in mijn dagelijkse leven niet meer de rol van vroeger. 's Avonds zet ik de radio weleens aan, en als er wat interessants is, luister ik daar met grote aandacht naar.'

In 1982 schreef Simeon ten Holt in het literaire tijdschrift Wolfsmond een essay over tijd en ruimte in de muziek. 'Muziek is een kunst waarin, om het simpel te stellen, noten voor, na, boven of/en onder elkaar worden geplaatst. Dit klinkt onnozel, maar het is nu eenmaal zo. Over muziek spreken we gaarne in termen die aan onze tijd-ruimtelijke voorstelling zijn ontleend. Noten die voor, na, boven of/en onder elkaar staan, hebben een duur. Ze duren hetzij even lang, korter of langer ten opzichte van elkaar.'

Muziek en tijd hebben alles met elkaar te maken, zegt Ten Holt. 'Muziek is zonder tijd niet denkbaar, als de tijd er niet meer zou zijn, zou er ook geen muziek zijn.'

Tijd speelt in Ten Holts muziek een nadrukkelijke rol. Letterlijk: voor zijn muziek moet je rust en tijd hebben - een uitvoering van het pianostuk Lemniscaat duurde begin jaren tachtig twee volle etmalen, een Canto Ostinato neemt al gauw drie cd's in beslag.

Wanneer hij voor het eerst over tijd ging nadenken, weet Ten Holt niet meer. 'Voor een kind is de tijd natuurlijk onbeperkt, je ziet in je eigen leven nog helemaal geen grens. Alleen de angst voor het verlies van je ouders herinnert je eraan dat er zoiets als betrekkelijkheid bestaat. Maar je denkt niet: ik ben nu 10, als ik 80 word, heb ik nog zeventig jaar te gaan. Tijd is geen koek die opgaat.

'Het is zo: ik ben de tijd, en ik heb de tijd. Dat zijn twee dingen waarmee ik eigenlijk alles heb gezegd. Ik ben bijna 83, het einde ligt in mijn verschiet. Dan zou je kunnen zeggen: iedere dag weer een dagje eraf; wat er nog rest van de koek, dat is niet veel meer! Maar dan wordt het leven wel heel eng. Daarom zeg ik: ik heb geduld. Of ik nou morgen dood ga of over tien jaar, in wezen is dat voor mij hetzelfde, want mijn visie op het leven en de intensiteit daarvan, ligt in het nu. Met geduld leven, betekent dat je jezelf niet gaat beperken. Een mensenleven is geen optelsom van momenten, het leven is meer dan de som der delen.

'Je moet aanvaarden dat je leeft met het idee van de dood. Ik denk niet in termen van 'dit wil ik nog doen, dat wil ik nog afmaken'. Ik ga iedere dag weer blijmoedig aan mijn taak, zoals ik altijd heb gedaan. Stel dat het leven afgelopen zou zijn voordat mijn taak is verricht - nou ja, dan heb ik pech gehad. Mijn taak is nu het schrijven van mijn herinneringen, mijn Mémoires. Daar ben ik sinds een paar jaar mee bezig.'

Wat gaat u daarmee doen?

'Ik ben ermee begonnen, nadat ik enkele mensen op bezoek had gehad die mijn biografie wilden schrijven. En dan ga je er eens over nadenken hoe dat moet, met zo'n biograaf. Die komt dan elke week met je praten en schrijft op wat je zegt. Maar dat kan ik zelf eigenlijk veel beter!

'Daar in de boekenkast staan twee rijen cahiers: dat zijn mijn dagboeken. Veertig delen. Ik ben er jong mee begonnen en tot op heden zet ik dat voort. Het schrijven doe ik dagelijks, meestal 's ochtends als ik mijn aandacht niet op andere dingen hoef te richten.

'Je zou kunnen zeggen: een dagboek is digitaal, Mémoires zijn analoog. Soms gebruik ik voor de Mémoires een passage uit de dagboeken. Mijn dagboeken zal ik niet gauw aan anderen laten lezen, het is vaak te persoonlijk, de meeste mensen zijn nog in leven.

'De tijd die ik vroeger aan het componeren besteedde, gebruik ik nu om aan mijn Mémoires te werken. Het is mijn levenskompas dat me daarop gericht heeft. Er zijn twee dingen die karakteristiek zijn voor mijn bestaan, het dagboekschrijven en het notenschrijven. De dagboekschrijver is degene die alle zaken en gebeurlijkheden opschrijft en verwerkt. Verwerkt tot vruchtbare aarde. En de notenschrijver verrijst uit die vruchtbare aarde. Dus compost wordt compositie. De twee zijn innig met elkaar verbonden.'

Ten Holt is jong met dagboekschrijven begonnen. 'Ik denk dat ik 15 was. Ik kom uit een nest waar het dagboek een hoog aanzien had. Maar die eerste dagboeken zijn nog zo kinderlijk, die tel ik niet mee. Het eerste echte dagboek stamt uit de tijd dat ik met mijn zusje in Parijs was. Daar ging ik naartoe toen ik 26 was.

'Ik ben opgegroeid in een, laten we zeggen toch wel zeer intellectueel milieu, met een sterk klassegevoel. Mijn vader was schilder, ik kreeg les van de componist Van Domselaer. Het leven ging om hogere dingen. Om kunst! In die tijd gold nog het adagium de hogere werkelijkheid, dat waren begrippen die werden gebruikt en gebezigd in die dagen. Daar zijn we als kinderen mee opgegroeid. Al in de wieg werden we met Beethoven vertrouwd gemaakt, met Schopenhauer en Nietzsche. Op school ging je wel om met kinderen die over lolly's en zuurstokken spraken, en die vonden wij stiekem ook wel leuk, maar ik groeide op in een kring van jonge kunstenaars, dat waren mijn vrienden. Je vormde met elkaar een soort elite. Zonder dat je het zo benoemde.

'Ik beschouwde mijn componistenleven als een heilige taak, en niet zomaar als een soort hobby die ik bij toeval ben gaan uitoefenen. Nee: ik ben geboren tussen mensen die voorbestemd waren om mij daartoe op te leiden, ofschoon met omstreden leerstof. Want ik heb later wel gedacht dat ik beter naar het conservatorium had kunnen gaan dan bij mijn leermeester Jacob van Domselaer te blijven.

'Nu ben je als artiest in wezen altijd een autodidact, want je hebt maar een bepaalde tijd dat je op een leerschool zit, daarna moet je het toch zelf doen. Maar de wereld van het conservatorium fascineerde me wel.

'Mijn maatschappelijke betrokkenheid is pas in de jaren zestig begonnen. Ik heb in die tijd enorm veel gelezen over sociologische problematiek, heb zo'n beetje de hele Frankfurter Schule doorgeploeterd. De Eendimensionale Mens van Marcuse, dat was een gezaghebbend boek.

'Eigenlijk heb ik in alles wat ik later heb gedaan, de vrijheid van de mens bepleit. Dat geldt ook voor mijn muziek, waar de interactie een wezenlijk bestanddeel is. Wat ik in die jaren in mijn dagboeken aan sociale betrokkenheid ventileer, is niet gering. Een pathologische veelschrijver was ik.'

Had u nog wel tijd om te componeren?

'Kijk, dan gaan we weer meten: dat heb ik nooit gedaan. Ik leefde dag en nacht. Het concreet ontwerpen van een kunstwerk kun je in tien minuten doen, bij wijze van spreken, maar je doet het natuurlijk niet écht in tien minuten. De aanloop naar dat kunstwerk duurt jaren.

'Er is ook het verschil tussen hoofdzaak en bijzaak. Ik was altijd nog wel zo calvinistisch dat ik vond dat de hoofdzaak, dus het werk en desnoods alles wat daarop betrekking had, zoals vergaderingen, het belangrijkst was. Maar ik zie nu dat al die bijzaken noodzakelijk waren om de hoofdzaak naar voren te brengen. Die waren nodig en nuttig, een voorwaarde om tot dat kunstwerk te komen.

'Vroeger vond ik het tijdsverspilling als ik bijvoorbeeld te diep in het glaasje had gekeken, waardoor ik de volgende dag niet meer kon werken, dan dacht ik: god, heb ik me weer laten verleiden. Nu denk ik: ach, laat toch zitten!

'Ik ben altijd consequent geweest, heb mijn roeping nooit verkwanseld. Ik had een heilige taak, en dat betekende dat compromissen uit den boze waren; als je een échappatoir hebt, ben je al niet meer voor 100 procent voor je taak berekend. Gelukkig heb ik lang kunnen rekenen op de financiële steun van mijn partners. En op mijn 45ste werd ik docent hedendaagse muziek aan de Academie voor Beeldende Kunst in Arnhem. Beeldend kunstenaars heb ik altijd inspirerende mensen gevonden.'

Over een paar weken ligt u bij het Kruidvat.

'Fantastisch toch? Mijn collega's roepen: jij bij het Kruidvat! Die zien dat als een soort overstijging van alle grenzen. En dat is het misschien ook wel. Mijn werk ligt straks in ieders bereik, in een oplage van honderdduizend exemplaren. Ik vind mezelf echt een zondagskind.'

Meer over