IJskoude berekening

De oorlog in Tsjetsjenië heeft al aan vele duizenden burgers het leven gekost. En het einde is nog niet in zicht....

Olaf Tempelman

De westerse aandacht voor Tsjetsjenië is altijd omgekeerd evenredig geweest aan de grootschaligheid van de wreedheden die er plaatsvinden. Uitingen van bezorgdheid van westerse politici zijn schaars en halfslachtig, veroordelingen van het Russische beleid ontbreken goeddeels. In de straten van Londen of Rome worden geen grote demonstraties gehouden tegen de ‘oorlogsmisdadiger Poetin’.

Het in 1994 begonnen en in 1999 hervatte conflict heeft aan ten minste eentiende van de Tsjetsjeense burgerbevolking het leven gekost, aan zeventig- tot honderdduizend mensen. Een kwart tot eenderde van de bevolking is op de vlucht geslagen. En ondanks een onophoudelijke stroom succesverhalen uit Moskou is een einde van de oorlog niet in zicht. Zelfs volgens de officiële Kremlin-statistieken kwamen er in 2004 en 2005 maandelijks meer Russische soldaten om in Tsjetsjenië dan Amerikaanse in Irak.

De Britse publicist Tony Wood, verbonden aan de New Left Review, eist meer dan alleen de aandacht op voor de omvang van de ramp in Tsjetsjenië. In zijn nieuwe boek Chechnya: The Case for Independence pleit hij voor onafhankelijkheid. Hoofdargument: de Russen hebben het er volledig verbruid – zo niet sinds 1944, dan toch zeker sinds 1994 en helemaal sinds 1999.

De Tsjetsjenen kenden al een diepgewortelde anti-Russische traditie toen Stalins staatsveiligheidschef Beria in februari 1944 de deportatie organiseerde van vrijwel de volledige bevolking. Bijna een half miljoen Tsjetsjenen werden in goederenwagons op transport gezet naar Centraal-Azië, eenderde van hen kwam om.

Het officiële motief voor de deportatie was de Tsjetsjeense collaboratie met de Wehrmacht (waarvoor vrijwel geen bewijsmateriaal bestaat), het werkelijke motief was dat Stalin op de van hem bekende, doeltreffende wijze een relatief grote Kaukasische bevolkingsgroep met een traditie van verzet tegen Moskou voorgoed wilde opruimen.

Over alles vóór de deportatie valt nog te twisten. Feit is dat ‘1944’ een Tsjetsjeens trauma werd. De overlevenden die vanaf de late jaren vijftig naar hun geboortegrond mochten terugkeren, waren in hoge mate door de deportatie gemarkeerd. Al bij de eerste barsten in de Sovjet-Unie werd een latent Tsjetsjeens onafhankelijkheidsstreven manifest. Moskou leek zich daar aanvankelijk bij neer te leggen door zich militair uit het gebied terug te trekken. In de jaren 1991-1994 functioneerde Tsjetsjenië als een de facto onafhankelijke staat, al waren er voortdurend Russische pogingen om de toenmalige Tsjetsjeense leider Dudaev ten val te brengen.

De Russische invasie in de late herfst van 1994 is met twee argumenten gerechtvaardigd. Onder Dudaev was Tsjetsjenië een vrijplaats geworden voor criminelen (‘islamistische terroristen’ zou pas later een dominante term worden in de Russische propaganda). De Tsjetsjenen hadden nauwelijks deel uitgemaakt van de officiële Sovjet-kaders. Ze hadden een traditie in illegale activiteiten. Desondanks, schrijft Wood terecht, was Tsjetsjenië met zijn enorme zwarte markt in de vroege jaren negentig allesbehalve uitzonderlijk in voormalig Sovjet-gebied.

Het belangrijkste argument voor de invasie was dat het uiteenvallen van Rusland moest worden gestopt. Tsjetsjeens separatisme moest de kop worden ingedrukt om elders de opkomst van afscheidingsbewegingen te verhinderen. Wood is ervan overtuigd dat, had Moskou Tsjetsjenië destijds laten gaan, het gevreesde domino-effect was uitgebleven. Nergens anders dan in Tsjetsjenië was er sprake van die combinatie van factoren die een grote afscheidingsbeweging de wind in de zeilen geven: een grens met een niet-Russisch gebied, een grote niet-Russische meerderheid, een diepgewortelde anti-Russische traditie, eigen middelen van bestaan (olie) en het ontbreken van een autochtone nomenklatoera om de band met Moskou in stand te houden.

Rusland verloor bij de inname van Grozny in 1995 meer tanks dan bij de inname van Berlijn in 1945. Het moreel van de Russische soldaten was laag, het Tsjetsjeense verzet hardnekkig, het dodental enorm. Bij het Russische publiek raakte de oorlog al snel impopulair. Wijlen Aleksandar Lebed tekende in 1996 een overeenkomst waarna Tsjetsjenië opnieuw de facto onafhankelijk werd. Dit kapotgeschoten Tsjetsjenië viel, veel meer dan de intacte versie uit de periode 1991-1994, ten prooi aan anarchie en banditisme.

Voor de tweede Russische invasie onder (toen nog premier) Poetin in 1999 werd de publieke opinie eerst rijp gemaakt. Wood sluit allerminst uit dat de aan Tsjetsjenen toegeschreven bomaanslagen in Moskou in 1999 in werkelijkheid voortvloeiden uit ‘ijskoude calculaties en een bodemloos cynisme’ van aan Poetin gelieerde KGB-reservoirs.

De invasie van 1999 vond plaats met een twee keer zo grote troepenmacht als in 1994. De methodes waren meedogenloos. Het Tsjetsjeense verzet werd er niet mee uitgeroeid. Het Russische publiek hoorde over tegenslagen nu echter niets meer. Alleen moeders van omgekomen dienstplichtigen wisten dat de werkelijkheid niet overeenstemde met de successen uit de televisiepropaganda die Poetins populariteit bestendigden. Aan Poetins komeetachtige opkomst kleeft het bloed van duizenden Russische dienstplichtigen en Tsjetsjeense burgers, schrijft Wood.

De vrije Russische media die in 1994-1996 aan de impopulariteit van de oorlog hadden bijgedragen, was nu de mond gesnoerd. Nagenoeg de enig overgebleven Russische journaliste die de werkelijke situatie wereldkundig trachtte maken, Ana Politkovskaja, werd in oktober 2006 vermoord.

De voornaamste troef die Poetin vanaf 1999 (maar vooral vanaf 2001) in het Westen uitspeelde, was dat Tsjetsjenië een bakermat was geworden voor islamitische terreurgroepen. Wood gaat uitgebreid in op de betekenis van de radicale islam voor het huidige Tsjetsjenië. Het Tsjetsjeense verzet was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Kosovo Bevrijdingsleger in 1998-1999, verstoken van machtige internationale bondgenoten. Het was niet zo verwonderlijk dat het de Arabische mujahedin-strijders die in het gebied acte de présence begonnen te geven, met open armen ontving. Je kunt zeggen dat zo het monster opstond dat het Kremlin in de propaganda allang had geschapen.

Desalniettemin zijn de mujahedin in Tsjetsjenië voor het merendeel door Moskou systematisch overdreven – er bestaan geen betrouwbare aanwijzingen dat het er ooit meer waren dan enkele honderden. De met Arabische leuzen behangen gijzelnemers van Beslan waren allemaal etnisch Tsjetsjenen, de inzet was ‘een eigen staat, geen hemels koninkrijk’.

Hoe een onafhankelijk Tsjetsjenië in dit stadium nog op enigerlei wijze levensvatbaar kan zijn, is een vraag die Wood in zijn pleidooi ervoor helaas onbeantwoord laat. Rusland heeft het in Tsjetsjenië voorgoed verbruid, daar kan geen twijfel over bestaan. Maar het gebied is getransformeerd in een small corner of hell, de titel van het Tsjetsjenië-boek van de vermoorde Ana Politkovskaja (in haar eigen land verboden).Olaf Tempelman

Meer over