Iedere stap is een beslissing Esther Jansma laat zich terugzakken in een meisjeshoofd

JE KUNT JEZELF een hele filosoof vinden, wanneer je bij druilerig weer naar buiten staart en het grillige spoor van regendruppels op de ruit vergelijkt met dat van mensenlevens....

Schrijf deze gedachte op, en de fletse preek van een ongelovige blijft over. Wat je voor spitsvondigheid aanzag, pakt uit als een zouteloos beeld - tenzij je schrijven kunt, en er iets mee doet. In het essay Waarom schrijven? (1983) knoopte W.F. Hermans aan de vergelijking tussen regendruppel en mens zijn grimmige levensvisie vast: 'Pas later, als we, noodzakelijkerwijs door het verstrijken van de jaren, ergens gekomen zijn, waar dan ook, kunnen we achteraf vertellen waar we vandaan en waar we langs zijn gekomen, en ons verbeelden dat 't altijd al zo had gemoeten.'

Esther Jansma (1958), die na drie dichtbundels debuteert als prozaïste met Picknick op de wenteltrap, kiest daarentegen voor het perspectief van een kind. Dat kijkt naar een bedruppelde ruit. Net mensen: 'Ze denken dat ze op weg zijn, denk je. Opeens bestaan ze en geloven dat ze er altijd al waren, en dan is het over, dan denken ze niets meer.'

Waarna het kind zich in een flits realiseert dat het zo-even heeft staan denken. Vanaf nu weet het wat een hoofd doet. Door te denken, vindt het zichzelf als mens uit.

Deze revolutie in een pril bestaan voltrekt zich binnen het bestek van een halve pagina. Dat is ook de doorsnee lengte van de 107 miniaturen waarin Jansma de wereld van een Amsterdams meisje opbouwt. Iets van de flitsen, van het schoksgewijze van wat je achteraf ontwikkeling noemt, blijft op die manier ook in de vorm behouden.

Jansma haalt een huzarenstukje uit, door niet op haar hurken te gaan zitten. Ze heeft het klaargespeeld echt te krimpen, teneinde zich te laten terugzakken in een meisjeshoofd. Daar gaat het heftig toe. Gedachten worden veelal afgerond door uitroeptekens, en verlaten de mond niet zelden met schreeuwen, gillen en snikken.

Er is reden voor zulk gerucht. Picknick op de wenteltrap heeft een grote suggestie van authenticiteit, doordat Jansma weigert haar kleine over de bol te aaien. Veel elementen uit de openingscyclus van haar eerste bundel Stem onder mijn bed (1988) keren in deze prozafragmenten terug: de scheiding van de ouders, de vader die korte tijd later in het ziekenhuis sterft, het kind dat in de tuin tegels keert en even klein wordt als de insecten die aan ommezijde krioelen, haar angst voor oorkruipers, haar val in de Amstel. In dat poëziedebuut ging het om ritmisch verantwoorde, en mede daardoor eerder sussende anekdotiek van een dichteres die omziet naar het kind dat zij ooit was.

Nu ís zij weer het kind dat de wereld nog moet inlijven, en op haar ontdekkingsreis van de ene verbijstering in de andere tuimelt. Alle eeuwige vraagstukken van een mensenleven komen al op haar pad, en Jansma aarzelt dan ook niet de grootste termen te hanteren als koppen boven de stukjes: 'De wetten', 'Het verlangen', 'Ziekten en remedies', 'De hoogte en de diepte', 'De tijdelijkheid'. De problematiek is inderdaad even verstrekkend als de wetten bij Connie Palmen of de ondraaglijke lichtheid bij Milan Kundera. De volwassene voor wie Picknick op de wenteltrap is geschreven, moet erkennen dat hij met de jaren ten hoogste een steek wijzer is geworden dan het verwonderde kind. Immers, wie wel het definitieve woord over de Tijd, de Dood of de Vrije Wil heeft, mag het zeggen.

Wat met de jaren verdwijnt - en dat is het voordeel van onze afstomping -, is die opperste onbevangenheid die aandoenlijk lijkt in de ogen van ouderen, maar die er voor de betrokkene op neerkomt dat de wereld ieder ogenblik ingrijpend kan veranderen. Het houvast van een groot mens, ook gewoonte of ervaring genoemd, bestaat niet. Je staat wagenwijd open voor werkelijk alles. Heerlijk voor je ouders en hun visite om naar te kijken. Leuk en spannend, maar ook danig vermoeiend, frustrerend en angstaanjagend voor de kleine zelf.

'Zo kleintje, speel je leuk', vraagt een glimlachende mevrouw, als het meisje zich verbeeldt een koningin te zijn. Ze zegt 'Ja' en moet dan huilen, want een kind dat is verzonken in een spel, was net vergeten dat het maar spel was.

Die kloof tussen kind en oudere is ook subtiel aangegeven in 'De kennis'. Vader komt thuis met een vis, de Spirantula becuna. Dat weet hij, en ook dat de vis zich bij gevaar in een bloem verstopt. Op haar beurt weet het meisje wat dat inhoudt: 'Je woont in een bloem. Zachtjes kriebelen de blaadjes over je rug. Water stroomt als warme adem langs. Je denkt aan niets, je laat je wiegen, je bent een kleine gouden vis en slaapt.' Ze weet niets van Latijn of biologie, maar voelt intuïtief een staat van boeddhistische mystiek aan, waar Oek de Jong en soortgenoten jaren naar moeten lopen zoeken.

Allengs splitst het meisje zich op in 'het hoofd' en twee stemmen die daarop inwerken. De behoudende stem van het kind dat klein en beschermd wil blijven, noemt Jansma 'Oud', en de tegenstrevende creatieveling wordt 'de Romanticus' genoemd. Het hoofd, Oud en de Romanticus moeten gedrieën de wereld te lijf, of die van zichzelf nog niet veelstemmig genoeg was.

Vader en moeder maken steeds luider ruzie, en scheiden in de tijd van hippies, Che Guevara en Joan Baez. Vader krijgt een ongeluk, ligt in het ziekenhuis en sterft. Het kind blijft over hem praten. Moeder wil dat niet aanhoren en brengt het kind hardhandig het begrip 'sentimenteel' bij. Niet alles wat doodgaat is lief genoeg om van te janken.

Zo onverhoeds kan de wereld veranderen. Het leven is een regendruppel, of, in de woorden van de Romanticus, een glijbaan die we zelf niet zien. Af en toe kruisen glijbanen elkaar en heet je samen. Even plotseling kun je gesplitst worden, en ben je weer alleen. 'Daar kan niemand tegen, dus noemen ze mensen 'familie'. Als geruststelling.' Heb daar maar eens van terug. In 'De wetten' had nog gestaan: 'Je moet precies in de voetstappen van je vader lopen, want hij weet waar het veilig is.' Nu hij zomaar dood is, geldt alleen nog het vervolg van die wet, en wel met verdubbelde kracht: 'Maar iedere stap is een beslissing. En bij iedere beslissing splitst zich een universum van het onze af: dat van de stap die je niet gezet hebt.'

Het kind kan de vader, die haar verbeelding stimuleerde, niet zo makkelijk uit het hoofd zetten als de moeder wenst. Koppig houdt het vast aan de wisselvalligheid die het leven kenmerkt, en denkt aan waar het met ons allemaal heen moet, dat gebied waar niemand van terugkeert. Daar waar je een ander wordt, zonder dit hoofd. Het wit van het einde, van de blanco pagina, is even raadselachtig als dat van het begin. In de winter sneeuwt het, in de lente is alles voorbij, en als het in de volgende winter sneeuwt, zeggen de mensen vrolijk 'Het sneeuwt weer' tegen elkaar. Alweer een valse geruststelling, weet het kind, want 'de sneeuw van deze winter komt nooit meer terug, deze vlokken zijn dan voor altijd voorbij'. Boven de halve bladzij waarop Jansma deze gedachte ontvouwt, prijkt 'De schoonheid' als kop. François Villon ('Mais où, oú sont les neiges d'antan?') en John Keats ('A thing of beauty is a joy forever') ontmoeten elkaar in een kind dat volkomen zichzelf is, totaal onwetend van de poëtische prozaïste Esther Jansma die haar gedachten leest en noteert, opdat wij ze kunnen nalezen. En al weten wij dan schrikwekkend weinig, wel durven we zelfverzekerd te verklaren dat Picknick op de wenteltrap een verre van kinderachtige prestatie is.

Arjan Peters

Esther Jansma: Picknick op de wenteltrap.

De Arbeiderspers; 125 pagina's; ¿ 27,50.

ISBN 90 295 2320 4.

In de bijlage Kunst & Cultuur staat op pagina 25 een interview met Esther Jansma.

Meer over