Columnsylvia witteman

Huiveringwekkend beschrijft Anton Koolhaas een vis met doodsdrift

null Beeld

In iemands boekenkast zag ik Anton Koolhaas’ ‘acht dierenverhalen’ staan. Er kwam een akelige herinnering bij mij boven. Ik was nog klein, misschien 8 of 9, en had een bundeltje van Koolhaas te pakken gekregen. Dierenverhalen; ik had waarschijnlijk gedacht aan iets in de geest van Winnie the Pooh.

Wekenlang was ik van slag na dat boek. Gruwelijk, die achteloos-wrede snoek. En die arme olifant, met dat mannetje in zijn kop! Ook was er iets heel zieligs met een musje dat Mia heette.

Inmiddels ben ik 55 en kan ik tegen een stootje. Ik nam de bundel mee naar huis en begon in het verhaal waarvan ik me, zowat een halve eeuw na dato, nog met hortende adem de titel kon herinneren: ‘Het grote stikken’.

‘De snoek Wampoei trakteerde zichzelf op een grote golf tussen zijn kieuwen, want hij had nu al uren zuinig staan ademhalen onder de brug van de vijver.’ Wampoei! Dat is een prachtige naam voor een snoek, waarschijnlijk zelfs de enig juiste. Wampoei is groot en verslindt ontzettend veel vissen. Hij maakt er een soort spelletje van, waarbij hij wordt toegejuicht door imaginaire toeschouwers, zijn raison d’être, want zonder hen bestaat zijn leven uitsluitend uit ongebreideld vreten en tenslotte sterven. ‘De toeschouwers keken elkaar verrukt aan, vol bewondering voor de snoek, die eindelijk het zielloos gedoe van het visje naar recht en billijkheid had beëindigd.’

Het wonderbaarlijke van Koolhaas is dat hij niet alleen de snoek menselijke trekken weet te geven, maar ook de door hem opgevreten dieren uit de anonimiteit trekt. De eeuwig bronstige kikker Bart, bijvoorbeeld, en het bliekje Wissus, ook alweer zo’n voortreffelijke naam voor een jong, onstuimig visje dat een merkwaardig, archaïsch Nederlands spreekt, ‘want het algemeen beschaafd was hem niet rijk genoeg om de vreugde over de schoonheid van de wereld, zowel als die van het leven tot uitdrukking te brengen’. Wissus speelt in het water, ‘wervelend van pret, wat Wampoei, iedere keer als hij zo voor de snoekenbek glinsterde, bijna de zelfbeheersing deed verliezen. (…) Het is net of er voor mij niets anders is weggelegd dan bijten, dacht Wampoei dan wel eens.’

Profetische woorden. ‘Toen Wissus koel en moeiteloos de keel van de snoek passeerde, slikte Wampoei tegelijk met dat braaf bliekje eigenlijk een schrijnend gemis in. Het gemis aan het vriendelijk bestaan van Wissus, die zijn plaats onder de brug zo aardig had gemaakt, zodat hij soms op de bliek had liggen wachten, als op een vriendje.’ Wat een tragiek.

De snoek wordt steeds groter en gulziger. ‘Soms was er een eend, die twaalf jongen had uitgebroed en die ze alle twaalf kwijtraakte aan Wampoei. ‘’k Moet er zelf om lachen, meid’, had de eend Rika eens tegen haar zuster gezegd. ‘Maar ik heb er geeneen meer!’’ Die onverschilligheid van zo’n moedereend; het is griezelig goed getroffen.

In zijn vraatzucht grijpt Wampoei steeds grotere prooien, die hij amper aankan. ‘Je zou nog stikken in zo’n secreet, dacht Wampoei na afloop wel eens bitter.’ Dat gebeurt dan ook bijna, nadat hij de bijna volwassen eend Theophiel heeft verorberd. ‘De botten van de eend staken hem in de maag, en hij had tijdens het verslinden twee keer het gevoel gehad dat het grote stikken begonnen was.’ Het grote stikken, het einde van Wampoeis leven, een einde dat hij niet alleen voorziet maar waar hij zelfs naar verlangt.

Huiveringwekkend, een vis met doodsdrift, de ‘condition animale’, alles volkomen realistisch en geloofwaardig.

De rest van de bundel bleek al even meeslepend.

Léés die verhalen van Koolhaas, maar houd ze beslist buiten bereik van kinderen.

Meer over