Hongerige koeien

Ze zijn weg, de watoessirunderen uit Artis. Toen ik nog een klein jongetje was, waren deze runderen met hun meterlange horens een hoogtepunt van ieder bezoek aan de dierentuin....

Watoessirunderen zijn de koninklijke koeien van de Tutsi's in Rwanda en Burundi. De Tutsi's hebben zich vier eeuwen geleden in Rwanda gevestigd en onderwierpen de landbouwende Hutu's, die voor het voedsel zorgen, want de runderen van de Tutsi's werden nooit gegeten.

Europeanen vonden het een onproductief systeem. Ze begrepen niet dat nutteloze kuddes, zelfs tijdens droogte en hongersnood, in stand werden gehouden. Sommigen hadden geen zin voedselpakketten te sturen terwijl de biefstukken over de vlakte liepen. Toen in 1959 de Hutu's de macht overnamen, vonden velen het terecht dat aan de onrendabele veeteelt een einde kwam.

Tot aan de grens tussen Noord- en Zuid-Sudan komen de klassieke runderen nog steeds voor langs de Nijl. De Noord-Sudanezen hebben echter Arabische runderen, met veel kleinere horens. In Zuid-Sudan wonen de Dinka's. Hun hele bestaan draait om de edele beesten met de grote horens. Het zijn statussymbolen waarmee de bruidsschat wordt betaald. Een grote veestapel betekent veel nageslacht.

Maarten van Ham, een vriend die onlangs uit Zuid-Sudan is teruggekeerd, meldt dat een mooie Dinka-vrouw enige jaren geleden zo'n honderd runderen kostte. Nu er door de oorlog een tekort aan vee is ontstaan en een overschot aan vrouwen, heb je al een heel mooie bruid voor dertig runderen.

Doordat zoveel Dinka's op de vlucht zijn, moeten sommige vaders nu geld accepteren voor hun dochters. De symbolische prijs van een rund staat op ongeveer 70 gulden per stuk, maar zodra de oorlog is afgelopen, zullen de nieuwe schoonvaders dat geld weer willen inwisselen voor echte koeien. Je hebt een bruid voor dertig koeien, niet voor twee ruggen.

Dinka's eten hun runderen niet op. Voor een herdersvolk hebben ze een merkwaardig dieet. De vrouwen verbouwen gierst, sesam, maïs, pinda's, okra en pompoen. Terwijl de moerassen opdrogen na de regentijd, wordt vis steeds gemakkelijker te vangen. De visspeer is een van de heiligste voorwerpen van dit herdersvolk.

Ayuel Ngor, een Dinka die onlangs naar Nederland kwam om te studeren, vertelt hoe zijn volk de runderen houdt. Overdag lopen herder en kudde vrij rond, maar 's avonds worden de koeien door kinderen vastgelegd aan paaltjes. De beesten slenteren vanzelf naar hun plek. Daar gaan ze geduldig liggen herkauwen. 'Anders kun je ze gewoon roepen', zegt Ayuel: 'Ze reageren meteen op hun naam.'

Dinka's leven in symbiose met hun runderen. Volwassen mannen hoeden de kuddes en beschermen ze tegen wilde dieren. 'Behalve tegen buffels', zegt Ayuel; 'dan vluchten wij tussen de poten van het vee. Tegen koeien doen buffels niets. Melken is een taak van de kinderen. Samen met de kalveren drinken ze direct uit de uiers, maar ze tappen bovendien wat af voor de volwassenen. Kinderen verzamelen ook urine en mest van de koeien.

Met de urine wassen de Dinka's zich, waardoor hun zwarte haar op den duur rood kleurt. Het wassen met urine bespaart niet alleen kostbaar drinkwater, het maakt ook dat de Dinka's naar hun runderen gaan ruiken, wat eenwording met de kudde bevordert.

De mest is zeer waardevol. Hij wordt gedroogd en dient dan als brandstof. De dikke rookwolken die vrijkomen, houden muggen, de dragers van malaria, op een afstand. Alleen mest van gezonde koeien is geschikt. Ayuel schrikt als ik hem vertel dat alle Nederlandse koeien diarree hebben. 'Als een Dinka dat zou zien, zou hij de melk nooit drinken', zegt hij. Wie overigens wil zien hoe gezonde koeienpoep er uitziet, kan terecht in het Dierenpark Amersfoort. Daar hebben ze nog een zevental watoessirunderen.

De as van verbrande mest is voor de Dinka's een nationaal symbool geworden. Huizen worden ermee gedecoreerd, het wordt als ontluizingsmiddel over koeien gewreven en de tanden worden ermee gepoetst. Maar bovenal dient de as om het naakte lichaam te versieren. Op de zwarte huid wordt het witte poeder aangebracht, soms gemengd met aarde, voor gele en rode tinten. De Dinka's beschilderen zichzelf met het kleurenscala van hun koeien. Zwartbont geverfd zien Dinka's er uit als runderen. Ze vechten met een knots en een speer, die ze in plaats van horens met zich meedragen. Bijna zijn het runderen geworden. Ze kunnen alleen geen gras eten.

De eetgewoonten van de Dinka's tonen een grote bescheidenheid, waardoor het lijkt alsof ze hun menselijke dieet voor de koeien verborgen willen houden. Iedere Dinka heeft zijn eigen kom, waarin de hele dag yoghurt van magere melk zit. Als hij trek krijgt, eet hij daar onopvallend wat van.

De maaltijd vindt 's avonds plaats, nadat de runderen zijn vastgebonden, vaak in het halfdonker, alsof eten een schaamtevolle praktijk is. Het is erg onbeleefd om te zeggen dat je honger hebt. Men gaat zitten bij de personen van zijn eigen generatie en geslacht, met wie men een gemeenschappelijke kom deelt. Ieder heeft een eigen lepel van koeienhoorn. Je mag niet zien hoeveel een ander op zijn lepel neemt, of in zijn mond stopt. Kijk dus niet naar je tafelgenoten en eet alleen uit het deel van de pot vlak onder je. Tijdens het eten mag niet worden gesproken. Het wordt erg gulzig gevonden om in beide wangen voedsel te hebben.

Meestal zit er pap van gierst in de pot, soms pap van okra met pindakaas. Het enige vlees dat met regelmaat op het menu staat, komt van de geit. Runderen worden slechts bij hoge uitzondering geslacht, zoals bij een groot offerritueel. Sommige Dinka's raken bij het offeren van een rund door de geest bevangen. Stuiptrekkend vallen zij op de grond, trappen, slaan en schuimbekken. Dagenlang daarna nog blijven ze uit hun doen en soms mompelen ze voorspellingen.

Het doden van een koe is een beladen gebeurtenis. Helaas is het leven van de Dinka de laatste jaren vol dramatische gebeurtenissen. Zowel de regering in Khartoem legt beslag op koeien, als de verschillende onafhankelijkheidsbewegingen. De Dinka's houden bijna geen melkkoe meer over.

Ze worden steeds afhankelijker van gewassen als gierst en maïs. Maar door de oorlog worden hele stammen van hun akkers verdreven. De droogte vernietigt het laatste leven. Hongersnood dwingt sommige Dinka's nu zelfs de laatste beesten van hun kuddes te slachten en op te eten. Een wanhoopsdaad die grenst aan kannibalisme. Ze vernietigen hiermee hun enige kapitaal en de mogelijkheid na de oorlog een nieuw bestaan op te bouwen.

Ayuel is naar Nederland gekomen, ook een land van rivieren en koeien, maar anders. Nederlanders hebben de rivieren ingedijkt en de moerassen ingepolderd. Het vee hebben we opgesloten. Koeien zijn gedegenereerd tot voedselmachines. Horens zagen we eraf. Sommige boeren amputeren zelfs de staarten, omdat door het gekwispel calorieën onnodig verbrand zouden worden.

Wat moet Ayuel daarvan leren? Eén ding is hem al duidelijk. Nederlanders hebben gemeen met de Tutsi's en de Dinka's dat ook wij, in geval van oorlog en hongersnood, onze runderen niet opeten. Na de hongerwinter van 1944-'45 was het overgrote deel van de Nederlandse veestapel nog intact. Buitenlandse hulp kwam voor de Nederlandse koeien nog op tijd.

Meer over