Honderd procent slecht

Mark Leenhouts

De eerste zinnen van deze sinds lang aangekondigde biografie spreken boekdelen: ‘Mao Tse-tung, die decennialang de absolute macht had over een kwart van de wereldbevolking, was verantwoordelijk voor meer dan 70 miljoen doden in vredestijd, meer dan elke andere wereldleider. Hij werd geboren in een boerengezin in de Shaoshanvallei in de provincie Hunan, midden-China.’

Stilistisch niet bijzonder fraai, die bruuske overgang, maar belangrijker: de toon is gezet, en het oordeel geveld. Volgens de officiële beoordeling die Mao (1893-1976) postuum in China ten deel viel, zou hij 70 procent goed hebben gedaan en 30 procent kwaad. Bij Jung Chang is van meet af aan duidelijk: Mao was honderd procent slecht.

Bij elke andere biografie zou zo’n opening argwaan wekken, en helaas slagen de 800 pagina’s aan minutieus gedocumenteerd bewijsmateriaal, bestaande uit nieuwe bronnen en eigen interviews, er niet in die argwaan helemaal weg te nemen.

Vanaf de eerste bladzijden schetst Jung Chang haar onderwerp als een streber die van kleins af een en al ‘zelfzuchtigheid en onverantwoordelijkheid’ was en die snel zou uitgroeien tot een op macht beluste opportunist en uiteindelijk dictator, die Stalin en Hitler in wreedheid vele malen overtrof.

Zo presenteert ze ook Mao’s greep naar de macht binnen de Communistische Partij: daar zat geen sprankje ideologische bevlogenheid achter, alleen puur eigenbelang. Mao’s geschriften komen in deze biografie niet aan bod, hooguit worden ze kort genoemd als propagandamiddelen.

Zijn gedachtegoed trekt ze bij voorbaat in twijfel. Ze bespeurt geen enkele authentieke affiniteit met de boerenstand: ze vindt geen aanwijzingen in zijn jeugd – alsof die daar zo gemakkelijk te vinden zouden zijn – en registreert niet één door hem georganiseerde volksopstand. Mao werkte zich niet omhoog door de massa’s te mobiliseren, maar louter door de juiste figuren tegen elkaar uit te spelen en uit de weg te werken. In zo precies mogelijke reconstructies onthult ze dat Mao al in een vroeg stadium de politieke moord niet schuwde.

Van de belangrijkste revolutionaire mythes uit de jaren dertig en veertig laat ze geen spaan heel. De legendarische Lange Mars van 1934, bijvoorbeeld, had Mao nooit kunnen volbrengen zonder de steun van Stalin, wiens rol groter blijkt dan tot nog toe werd aangenomen, getuige het Russische materiaal dat historicus Halliday ontsluit. Volgens de revolutionaire geschiedenis werden de communisten tienduizend kilometer lang opgejaagd door de nationalisten onder leiding van Chiang Kai-shek. Maar eigenlijk durfde Chiang zijn rivaal nergens tijdens de tocht aan te vallen, louter vanwege Mao’s grote broer in Moskou. Via bewaard gebleven telegrammen, partijnotulen en een enkele ‘nog krasse’ bejaarde getuige weet de schrijfster de troepenbewegingen na te trekken en zo blijkt dat op bijna alle plekken waar volgens de overlevering heroïsche gevechten plaatsvonden, Chiang zijn mannen juist terugtrok en Mao vrij baan gaf.

Chiangs voornaamste reden daarvoor was niet zozeer politiek (Stalins hulp bij een Japanse aanval) als wel persoonlijk. Stalin hield Chiangs zoon gegijzeld en uit correspondentie blijkt, hoewel niet direct, dat Chiang Mao hielp in de hoop zijn zoon terug te krijgen. Uiteindelijk verloor Chiang Kai-shek van Mao, concludeert Jung Chang, omdat hij emotioneel kwetsbaar was, terwijl Mao zulke zwakke plekken eenvoudig niet kende; zelf liet hij tijdens de Mars zijn kind van drie maanden onderweg aan zijn lot over. Zo betrekt ze alles telkens weer op Mao’s meedogenloze karakter.

Na haar afrekening met de mythe van de Lange Mars – die Mao grotendeels in een zelfontworpen draagstoel aflegde – laat Chang ook weinig heel van de idylle van het kamp Yan’an, het eindpunt van de Mars, waar de wieg van de revolutie stond. In plaats van een communistisch miniatuurparadijs moet het een militair tuchtkamp zijn geweest, waarin Mao jonge vrijwilligers (Jung Chang spreekt liever van ‘gewilligen’) indoctrineerde met alle middelen die hij later op grote schaal zou gebruiken, van verkliksystemen tot martelingen, met vele zelfmoorden en deserties tot gevolg.

Dat Mao niet door idealisme werd gedreven, blijkt het meest uit zijn houding tot de boeren. Hij buitte het platteland rond Yan’an al uit voor de instandhouding van zijn leger (onder meer door de productie van opium, een doodzonde), en nadat hij in 1949 het hele land had veroverd, perste hij zijn boeren als slaven uit om zijn plannen te bekostigen die van China een supermacht moesten maken.

Zo doneerde Mao royaal voedselhulp aan landen die het volgens hem slechter hadden, terwijl zijn eigen volk omkwam van de honger. Philip Short concludeerde in zijn Mao-biografie (Mao, A Life; 1999) nog dat de meeste doden onder Mao’s regime ‘onbedoeld’ waren. Jung Chang ziet niets dan moedwil en onverschilligheid. Op het hoogtepunt van de hongersnood, tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (Mao’s noodlottige poging om de Westerse economie eind jaren zestig in één klap voorbij te streven), vaardige Mao het bevel uit: ‘Zelfs bij sterfte blijven de graanschuren dicht.’

Daarnaast tekent Jung Chang menig luchtig citaat van de Voorzitter op: ‘De mensen lijden niet het hele jaar door honger, hooguit vier, zes maanden per jaar’ en ‘veel doden maken de aarde weer vruchtbaar’. Mao choqueerde ooit een internationaal Sovjetcongres door te verklaren dat hij de halve wereldbevolking wel wilde opofferen aan de revolutie – de andere helft zou dan tenminste socialistisch zijn.

Het laatste deel van de biografie, die gaandeweg een opsommend karakter krijgt, maakt eigenlijk alleen maar duidelijk dat Mao als staatsman doorging met het smeden van intriges, als in zijn guerrillatijd. De Culturele Revolutie, zijn laatste massacampagne uit 1966-1976, noemt Jung Chang niet voor niets consequent de Grote Zuivering. Het verdachte vliegtuigongeluk van de voormalige kroonprins Lin Biao in 1971 was volgens haar bij uitzondering niet door Mao geënsceneerd – maar hij dronk er wel een borrel op, ‘terwijl hij zelden alcohol aanraakte’.

Uitputtende beschrijvingen van Mao’s gruwelen zijn welbeschouwd alles wat Jung Chang te bieden heeft. Een echte analyse ontbreekt, het enige wat ze lijkt te willen aantonen is Mao’s slechtheid. Daarin gaat ze ver, soms zijn haar stellingen op het potsierlijke af. Tot twee keer toe beweert ze dat Stalins hartaanval mede door Mao is veroorzaakt; zelfs zijn oude meester ging aan vrees voor hem ten onder.

Dit soort uitspraken, gecombineerd met de hebbelijkheid lacunes in de bewijsvoering op te vullen met termen als ‘vanzelfsprekend’ en ‘ongetwijfeld’, komt haar geloofwaardigheid niet ten goede – al helemaal niet in een boek dat, door de geheimhouding van staatswege, toch al zoveel moeilijk verifieerbare informatie bevat.

Nergens stelt Jung Chang de vraag hoe Mao’s absolute macht mogelijk was. De historische of culturele context van China blijft buiten beeld, al het politieke is bij haar persoonlijk.In de beknopte biografie van China-kenner Jonathan Spence (Mao Zedong, 1999) kwam de partijleider ondanks alles nog naar voren als een mens. Voor Jung Chang lijkt Mao zozeer het gepersonifieerde kwaad, dat je je gaat afvragen of ze niet te zwart-wit denkt.

Ze voert bijna alleen maar eendimensionale figuren op: echtgenotes van de partijtop worden afgedaan als ‘hysterisch’ of ‘seksueel gefrustreerd’ en Mao’s milde rechterhand Zhou Enlai karakteriseert ze steevast als ‘slaafs’ en ‘hondstrouw’.

Alles wijst erop dat Jung Chang onvoldoende afstand van haar onderwerp heeft genomen. In een epiloog van twee zinnen stelt ze dat Mao’s portret nog altijd op het Plein van de Hemelse Vrede hangt en zo zijn mythe vereeuwigt. Er klinkt de verontwaardiging in door van een pamflet, een ingehouden woede die een serieuze biografie misstaat.

Jung Chang & Jon Halliday: Mao – The Unknown Story. Jonathan Cape, import Nilsson & Lamm; 814 pagina’s; ¿ 34,95. ISBN 0 224 07126 2

Meer over