Hoeveel wit kan de lezer verdragen?

Nijhoff was de meester van de concreetheid. Ook waar hij theoretiseert, abstraheert hij nooit. In 1924, in een bespreking van Nieuwe geluiden, een bloemlezing door Dirk Coster, schrijft hij in een passage over het scheppend verwezenlijken en ontdekken en benaderen van de ‘andere’ wereld deze zin: ‘Hier moet ik de...

Nijhoffs zin wordt geciteerd op pagina 241 van de studie Leegte, leegte die ademt – Het typografisch wit in de moderne poëzie van Yra van Dijk. De lezer heeft dan een heel lange inleiding over stilte, vele vormen van zwijgen, negatieve theologie achter zich. Tussen het zwijgen en het typografisch wit staat een verhandeling over Nijhoffs Poolreiziger, wiens poëzie even moeilijk is als wat hij er altijd Frans-filosofisch abstract over heeft geschreven en als wat daarover – ook hier – weer geschreven is. De auteur laat elke paragraaf door een motto voorafgaan, lichtplekken in het duister van veel wit. Zo wordt Ihab Hassan geciteerd: ‘De moderne Orpheus zingt bij een lier zonder snaren.’ Ook een der koudste teksten uit de wereldliteratuur wordt geciteerd, Pascals: ‘De eeuwige stilte van die oneindige ruimten maakt mij bang.’ Na een hoofdstuk over de dichter Leopold volgt er een over Nijhoff. En in dat goede hoofdstuk staat de geciteerde gelukkig makende zin die zo veel van het voorafgaande samenvat.

Yra van Dijk laat theorie en praktijk samengaan. De theoretische inleiding is, inclusief Mallarmé, 114 pagina’s groot. Een deel daarvan gaat over het typografisch wit als door dichters gebruikt in de betekenis gevende, uiterlijke vorm van hun gedichten. Bevat het deel over het wit een theorie? Ik twijfel eraan. Wat ik tot dan toe heb gelezen en wat ik over dat typografisch wit bij enkele uitvoerig besproken dichters lees, lijken mij uitingen van een uiterste vindingrijkheid, die opportunistisch van aard zijn.

De auteur stelt aan het slot van het eerste, inleidende hoofdstuk onze vindingrijkheid op de proef. Na een zin die in het betoog de laatste zou kunnen zijn, staat een witregel, waarna het definitief laatste tekstblokje begint met de woorden: ‘Hier wil ik nog twee dingen aan toevoegen.’ Wat betekent dat wit hier? Ik kan er wel vier betekenissen aan geven, de gelegenheid maakt de witlezer. Het boek kan bewijzen dat Yra van Dijk een scherpzinnige gelegenheidslezer is, niet zozeer in het ontdekken van het wit als wel in de betekenisgeving eraan. Die is heel vernuftig.

De praktijk wordt beoefend in het werk van vijf dichters: Leopold, Van Ostaijen, Nijhoff, Celan en Faverey. Het karakter van het proefschrift, dat deze studie is, dwingt tot volledigheid, en dat is voor een deel overbodigheid. De universiteit wil soms horen wat ze allang kent. Het stuk over Leopold is overvolledig, het bestaat ook te zeer uit leengoederen (die overigens in het geval van de leenheer, Van Halsema, bewijzen hoe knap hij formuleert, van buiten naar binnen, van algemeen naar eigen).

Voor het hoofdstuk over Nijhoff en Van Ostaijen geldt min of meer hetzelfde. Men moet veel bekends lezen vóór een deel van de vroegere waarnemingen in functies van het typografisch wit worden ‘vertaald’. Ik vind dat vaak knap, maar toch, zeker bij Leopold, vaak een omschrijving in andere woorden of andere begrippen van het bekende. En ik blijf een oude hardnekkigheid trouw: het ongeloof in de vorm als bewijs van de inhoud. Een formeel ingewikkeld gedicht zou mede de ingewikkeldheid van de inhoud bewijzen. Kom, denk ik dan. Het beste onderdeel van het stuk over Nijhoff is de interpretatie van ‘De moeder de vrouw’, misschien vooral om de superieure gekunsteldheden erin.

Bij Celan heb ik geen context. Ik ken de gedichten, maar lees alles hier als verrassend nieuw. Ik dacht even het beste hoofdstuk te hebben gelezen, maar dat over Faverey, die grote dichter in het typografisch wit, bleek beter. De auteur gaat hier vaak weldadig in op de speelmogelijkheden die Faverey de lezer in overvloed biedt. Het hoofdstuk, dat aan de kritische geheimtaal bij deze dichter ontkomt, is ook het best geschreven van het boek en het sluit af met een werkelijk schitterende regel met de kracht van een definitie: ‘Het wit is de plaats waar de betekenis ontglipt, en dat is de ultieme betekenis ervan.’

Iedere dichter gebruikt het typografisch wit op eigen wijzen. In de hier gegeven studies wordt zijn eigen gebruik van het wit – tot het negensoortig functioneren ervan bij Faverey – een karakterisering van zijn poëzie en van zijn poëtica. Hij schrijft wat zijn wit te zien geeft, wit tussen de strofen, wit in allerlei afbrekingen, wit bij het enjambement – even stilte hier –, wit in de verdeling van de tekst over de pagina. Dat het het gedicht omringende wit een teken van zijn wezenlijke onvoltooidheid kan zijn – het voltooide proza vult de hele pagina – komt tot mijn spijt niet ter sprake. Onvoltooidheid die op gedwongen zwijgen, op onmacht, op blijven steken in de reis naar de Pool kan wijzen. Het wit is ook de ruimte van de onmacht: papier dat wit wil blijven.

Ook de vakman van het typografisch wit – de boekverzorger – blijft buiten beeld. Hij is toch het laatst aan zet. In 1972 verscheen de bloemlezing ..en morgen de hele wereld van Lucebert. De typograaf Jacques Janssen ging met de gedichten zijn eigen gang; gaf ze een totaal afwijkende en andere interpretaties opleverende typografie mee, waarbij wit soms een rol speelde. Lucebert gaf aan de hercreatie zijn zegen, maar dat wordt in de bundel niet vermeld. De vorm van gedichten is, zeker waar de traditie schijnbaar is, het werk van de typograaf. De dichter is aan diens esthetische wit uitgeleverd!

Ik heb zelden iets waarvan ik de durf zo bewonder, met zoveel scepsis gelezen. Een zin als deze voedt die argwaan: ‘Soms stroomt er licht van bovenaf in Nijhoffs sonnetten: licht dat valt uit het typografisch wit.’ Dat is eigenlijk gewoon onzin. De volgende bewering ook: ‘Ik denk dat de beweging in Leopolds poëzie zo essentieel is, dat we hierin een extra, zesde functie van het typografisch wit kunnen zien. Of het nu een beweging van toenadering en terugtrekken is of een cirkelbeweging, het wit rond het gedicht draagt ertoe bij. Met name enjambementen geven een dynamiek aan het gedicht.’ Wie wit wil, ziet er soms te veel van of te veel in.

Dat gebeurt op meer plaatsen in het boek. Er ontstaan dan mededelingen met het karakter van een diepzinnig niets.

Yra van Dijk: Leegte, leegte die ademt – Het typografisch wit in de moderne poëzieVantilt444 pagina’s|euro 29,90ISBN 90 77503 203Vantilt444 pagina’s|euro 29,90ISBN 90 77503 203

Meer over