BeschouwingLand van afkomst

Hoe wij samenleven met elkaar, die vraag wordt steeds dringender

In Maar waar kom je écht vandaan?, een bundel met honderd interviews over kleur en afkomst uit de Volkskrant, kun je aflezen hoe het racismedebat in zes jaar veranderde, schrijft auteur Robert Vuijsje. 

Om te beginnen een citaat uit de inleiding die ik schreef voor Maar waar kom je écht vandaan?, de bundeling met honderd afleveringen uit de Volkskrant-interviewserie Land van afkomst:

De autochtone Nederlanders die zich sinds kort afvragen waarom ze ineens wit moeten worden genoemd terwijl ze toch gewoon blank waren.

De Nederlandse Surinamers en Antillianen die sinds 11 september 2001 lijdzaam hebben moeten toezien hoe Nederlandse Turken en Marokkanen een monopolie kregen op gediscrimineerd worden. Waarom ging het alleen nog maar over de moslims? Alsof wíj het niet meer moeilijk hebben in dit land.

De Nederlandse Turken en Marokkanen die sinds de opkomst van Black Lives Matter denken: wat is dit, het ging in dit land toch over ónze discriminatie?

In de zomer van 2014 begon ik Nederlanders te interviewen over hun afkomst en nu komt er een boek met de honderd spannendste afleveringen. Of de belangrijkste. De honderd gesprekken die het beste tijdsbeeld opleveren. In totaal zijn er nu bijna driehonderd interviews geweest.

Sinds 2014, maar eigenlijk dus vanaf september 2001, is eindeloos gesproken over hoe wij in dit land met elkaar samenleven. Tot drie maanden geleden lag daarbij de nadruk op moslims en dan vooral op Marokkanen – zoals Nederlanders van Marokkaanse afkomst worden genoemd, ook als zij hier zijn geboren. In 2013 debatteerde de Tweede Kamer over het ‘Marokkanenprobleem’.

Tijdens die jaren hoorde ik met enige regelmaat zwarte Nederlanders klagen: waarom heeft iedereen het steeds alleen maar over die Marokkanen, wat moeten wij doen om aandacht te krijgen, moeten we ook aanslagen gaan plegen? Het is pijnlijk als je de nadelen hebt van de discriminatie maar niet wat kennelijk als een voordeel wordt gezien: dat ze het tenminste wél over je hebben. Ik wens de Nederlandse Marokkanen succes met de bijrol waartoe ze zijn gedegradeerd sinds de opkomst van Black Lives Matter.

Ook het groepje waartoe ik zelf behoor, met veel zijn we niet meer, voelt zich miskend. Dit is de laatste alinea van de opsomming in de inleiding van Maar waar kom je écht vandaan?:

En natuurlijk de joden, die wanhopig duidelijk proberen te maken: hallo, wij zijn er ook nog. Wij hebben zelfs het unieke voorrecht om door iederéén te worden gehaat, maar niemand die het meer wil zien.

De laatste maanden hoor ik steeds deze toverformule voorbij komen: als in het onderwijs meer aandacht komt voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis, dan zal het racisme tegen zwarte Nederlanders verminderen. Als Jood kan ik uit ervaring zeggen: zo simpel is het niet. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de grote rol voor de Tweede Wereldoorlog in het Nederlandse onderwijs niet alleen het antisemitisme nauwelijks heeft verminderd, in sommige kringen heeft het juist aangezet tot nog meer Jodenhaat. Want: daar heb je hun weer met dat zielige huilverhaal, waarom moet het in dit land steeds over die Joden gaan en nooit over mijn pijn?

De titel van het boek verwijst natuurlijk naar de dialoog die bekend is bij iedere Nederlander die er kennelijk niet Nederlands uitziet. De vraag die steeds wordt gesteld: waar kom je vandaan? Gevolgd door: nee, waar kom je écht vandaan?

Zelf kreeg ik deze twee vragen vooral in mijn jonge jaren, toen mijn zwarte haar nog niet grijs werd. In het kort: mijn moeder heeft twee Joodse ouders en is geboren in New York. Haar ouders werden geboren in Egypte en Israël, destijds Palestina geheten. En hún ouders kwamen uit Polen en Oekraïne. De familie van mijn vader komt uit Nederland en is ook Joods.

Ik vermoed dat hier de oorsprong ligt van mijn interesse in dit onderwerp. De ouders en grootouders van mijn moeder moesten vluchten van land naar land, in vier generaties ben ik de eerste die kinderen heeft gekregen in het land waar ik zelf ben geboren. En in de familie van mijn vader hadden mijn opa en zijn drie broers de oorlog overleefd. Drie van de vier broers konden vrijwel nergens anders over praten.

Uit de verhalen die zij vertelden trok ik de conclusie: wanneer het erop aankomt, horen wij kennelijk niet bij de witte Nederlanders. In mijn jonge jaren, toen de Tweede Wereldoorlog nog niet zo lang geleden was, leek het ook duidelijker dat een Jood iets anders is dan een autochtone Nederlander, of zoals het tegenwoordig heet: een witte Nederlander.

Tijdens de honderden gesprekken leidde het weleens tot een spraakverwarring. Hoe ik mezelf zie – dat beeld komt niet altijd overeen met hoe mensen zoals ik worden gezien, in dit geval door andere minderheden. Mijn gesprekspartners zeiden: wat goed dat jij, als witte Nederlander, je hier zo voor interesseert. Of ze merkten op: o ja, het komt natuurlijk door je zwarte vrouw, daarom ben jij hier zo mee bezig.

Ik zei dan voorzichtig: nou eh, mijn halve familie is uitgemoord in dit land, vanwege hun afkomst, net als meer dan driekwart van de mensen zoals ik, en dat gebeurde 25 jaar voordat ik werd geboren, daarom ben ik van huis uit geïnteresseerd in de vraag hoe we met elkaar samenleven en voor mij is het altijd vanzelfsprekend geweest om die interesse niet alleen op te brengen voor mijn eigen groepje, maar ook voor die van jou. Wat ik eigenlijk zou moeten zeggen en hopelijk denk ik daar de volgende keer aan: als Jood zit ik overal tussenin, wij horen nergens bij, niet eens bij de andere minderheden, dus ik denk dat ik deze materie moet kunnen begrijpen.

Eerder deze maand schreef oud-basketballer Kareem Abdul Jabbar een interessante column in The Hollywood Reporter. Daarin stelde hij de vraag hoe het mogelijk is dat, zeker sinds Black Lives Matter Amerikaanse beroemdheden zich uitspreken tegen racisme, maar dat geregeld combineren met antisemitische complottheorieën – en dat deze vorm van racisme, onder meer van rapper en acteur Ice Cube, zelden openlijk wordt bekritiseerd. Dat is opmerkelijk in een cultuur die zo scherp gericht is op het veroordelen van racisme. Om Kareem Abdul Jabbar te parafraseren: wanneer wij verontwaardigd zijn over onrecht, laten we dan verontwaardigd zijn over het onrecht tegen iedereen.

Terug naar Nederland. Wat zijn de grootste veranderingen sinds 2014 - behalve de veranderde betekenis van het woord ‘blank’? Bij het teruglezen van de interviews zag ik tot mijn verbazing dat in 2014 door Sylvana Simons – toen nog geen politicus, maar wel politiek bewust – nog afwisselend de woorden ‘blank’ en ‘wit’ werden gebruikt. Wanneer ik deze interviewserie als maatstaf mag gebruiken, zou ik zeggen dat rond 2016 in progressieve kringen werd overgestapt van ‘blank’ naar ‘wit’.

Een van de andere interviews in het boek is met kunstenaar Charl Landvreugd, van Surinaamse afkomst. Het gesprek ging over de veranderde betekenis van het woord blank en de ontwikkeling van Zwarte Piet. Hij zei: ‘De pijn zit ook in de witheid. Door deze discussie wordt wit zichtbaar als een etniciteit in plaats van als neutraal, wat het in Nederland altijd is geweest. Aan die etniciteit worden nu attributen toegewezen, zoals racisme. Daarom zijn mensen zo boos als ze wit worden genoemd in plaats van blank. De zogenaamde neutraliteit is nu zelf aan de beurt. Weet je wat ik al mijn hele leven krijg toegewezen, op basis van mijn huidskleur?’

Zwarte Piet staat voor iets groters dan de kleur van zijn schmink. Nogmaals Charl Landvreugd: ‘De discussie gaat niet meer over ras. Het gaat over wie bepaalt wat onze cultuur is. En je kunt niet tegen Nederlanders zoals ik zeggen dat wij daar niet over mogen meepraten.’

Ik denk dat de grootste ontwikkeling van de laatste zes jaar gaat over de veranderde opinie rond Zwarte Piet. Waar minister-president Rutte in 2013 nog zei dat hij nu eenmaal zwart was en er kon niets aan worden veranderd, daar volgde hij eerder dit jaar de publieke opinie door aan te kondigen dat hij van gedachten is veranderd over de fictieve kindervriend.

Zes jaar geleden leek de kleur van Zwarte Piet, letterlijk, een kinderlijk en futiel detail. Maar het aanpassen van die geschminkte kleur staat voor verandering, voor niet langer als boodschap uitdragen: dit is ons land en jullie moeten je maar aanpassen aan hoe wij de dingen hier altijd hebben gedaan. Voor die houding is de samenstelling van de Nederlandse bevolking in de laatste vijftig jaar te veel veranderd – of je dat nu prettig vindt of niet.

Ten slotte, voor alle duidelijkheid, gedwongen door het in de afgelopen zes jaar nog verder geradicaliseerde debat: dit is dus niet een pleidooi voor invoeren van de sharia-wetgeving in Nederland. Ik zie een belangrijk onderscheid tussen echte, legitieme misstanden en theoretische discussies over vermeende racistische details. De waarde van het woord ‘racist’ devalueert wanneer je iederéén buiten je eigen kringetje gelijkgestemden kwalificeert als een racist. Het proberen uit te schakelen van veronderstelde tegenstanders, zoals onlangs gebeurde in de Amsterdamse club De School, heeft vooral als resultaat dat de gemiddelde Nederlander denkt: wat is dit voor raar gedoe, hier wil ik niets mee te maken hebben.

Van Akwasi tot Barry Hay

Van Akwasi tot Ahmed Marcouch, van Özcan Akyol tot Sandra Reemer en van Barry Hay tot Gerda Havertong: in Maar waar kom je écht vandaan? worden de honderd beste interviews gebundeld uit de Volkskrant-serie Land van afkomst. Het boek verscheen deze week. In 2019 publiceerde Robert Vuijsje, inmiddels naar eigen zeggen een jaar te vroeg, een tragikomische familieroman over het in Nederland ontspoorde racismedebat: Salomons oordeel.

Robert Vuijsje: Maar waar kom je écht vandaan? – Honderd verhalen over de Nederlandse identiteitLebowski; €22,99

Meer over