REPORTAGEThe Ketchup Song

Hoe The Ketchup Song een joekel van een zomerhit werd

Beeld Yvonne Kroese

Wie had kunnen voorspellen dat de hele wereld in de zomer van 2002 een niet-uit-je-hoofd-te-meppen hit vol Spaans-Engelse wartaal zou meebrabbelen? Niet de meiden van Las Ketchup in elk geval. Alleen hun producer zag een wereldhit in wording. Hij leende de onzintaal van zijn kinderen, zag dat het nummer The Ketchup Song moest heten, en: er móést een dansje bij.

De man van De Ketchupfabriek gaat ketchup maken, hij zit feitelijk middenin het productieproces. Er klinkt een zacht gepruttel, afkomstig uit acht pannen die op inductiepitten staan. Hierin drijven 40 kilo tweedekeustomaten die de man van De Ketchupfabriek de dag ervoor in Westdorpe heeft opgehaald met zijn Ford Transit (1981), een half uur rijden vanaf De Ketchupfabriek.

De man van De Ketchupfabriek is Patrick Keizer (51), een boomlange in Rotterdam opgegroeide verschijning met wapperende blonde manen die zijn werkkring kent in twee aaneengeschakelde dijkhuisjes in Graauw (Zeeuws-Vlaanderen), waar hij met zijn vrouw Lineke (50) woont. De fabriek zelf is in zijn keuken, en bijkeuken, net onder dijkniveau, pak ’m beet 25 vierkante meter groot. 

Uit De Ketchupfabriek rolt handgemaakt de klassieke variant, de gepeperde Polderketchup en Mosterdketchup. Op aanvraag zijn varianten beschikbaar met whisky, munt of zeekraal, die hij hoogstpersoonlijk creëert, doorgaans goedgemutst.

Kom alleen bij de man van De Ketchupfabriek niet aan met The Ketchup Song van Las Ketchup. Je moet eens weten wat een tyfushekel hij als rocker en als enige ambachtelijke ketchupmaker van het land heeft aan de grootste kutplaat ever.

Aserejé, ja deje tejebe tude jebere

Sebiunouba majabi an de bugui an de buididipí

Het was een grappig en vertederend tijdverdrijf dat Manuel Ruiz Queco en zijn dochter Curro (5) en zoon Manuel (7) erop nahielden. Queco zette thuis in Cordoba met grote regelmaat de hiphop-klassieker Rapper’s Delight op van The Sugarhill Gang en zijn kinderen gaven er een eigen draai aan, zwabberend in een Spaans dat op Engels moest lijken, in zelf verzonnen nonsenstaal. Zo werd I said a hip hop in huiselijke kring verbrabbeld tot Aserejé ja deje tejebe en transformeerde da bang bang da boogie van de New Yorkse crew tot de bugui an de buididipí.

En aan zijn twee kinderen moest hij denken toen hij met Pilar, Lola en Lucia Muñoz in het voorjaar van 2002 in Studio Filigrana zat, in een buitenwijk van de Zuid-Spaanse stad Cordoba. Hij was zo goed als klaar met de opnames van de debuutcd van de drie zussen Muñoz, maar helemaal tevreden was Queco niet.

‘Ik had het gevoel dat we nog niet echt een makkelijk in het gehoor liggende, gezinsvriendelijke single hadden’, zo laat Queco vanuit Cordoba weten. ‘Een single die iedereen zou kunnen meezingen en in het geheugen gegrift zou staan. Toen dacht ik aan dat refrein dat mijn kinderen altijd zongen. Dat heb ik verwerkt tot een nieuw nummer, met een goed verhaal erbij.’

Die vertelling ging over ene Diego, waarbij hij niet per se iemand in gedachten had. Gewoon, zo’n doorsnee machopraatjesmaker waarvan er in de flamenco-scene in Cordoba legio rondliepen. Loerend naar vrouwen op vrijdagavond, hoegenaamd mysterieus kijkend, de haartjes netjes, marineblauw pak aan, wiegend alsof er een mambo in de heupen zat. Deze Diego was dol op verdovende middelen en onder invloed kon hij het niet laten om in clubs mee te rappen met zijn favoriete nummer, Rapper’s Delight.

Alleen was Diego’s kennis en uitspraak van de Engelse taal zo ondermaats dat hij maar wat uitbraakte. Niet veel anders dan Queco’s kinderen dus, en zo marcheerde hun aandoenlijke gewauwel het liedje binnen. Wat te horen was, heette spanglish, verspaanste Engelse wartaal – en dat twaalf keer achter elkaar.

Aserejé, ja deje tejebe tude jebere

Sebiunouba majabi an de bugui an de buididipí

Je kon niet zeggen dat Queco een door de wol geverfde producer was die aan de lopende band internationale hits fabriceerde. Hij gold aanvankelijk als een muzikaal wonderkind in de flamencowereld van Cordoba, waar zijn vader de flamencoclub El Rincón del Cante (de zanghoek) uitbaatte. Daar trad hij op, eerst als zanger, maar toen hij de baard in de keel kreeg werd hij gitarist. Vier cd’s nam hij op, en hij toerde door het hele land, totdat een ernstig verkeersongeluk een einde aan zijn podiumcarrière maakte. Queco werd componist en producer in de flamenco, met hier en daar een meer poppy klus – zoals dus met de zussen Muñoz.

Voor Pilar, Lola en Lucia was het de eerste keer dat ze een cd opnamen. Alleen Lucia, kapster van beroep, had een beetje ervaring als parttime flamencozangeres; Pilar had een loopbaan als actrice voor ogen en Lola studeerde nog. Wel stond vanaf het begin vast wat de naam werd van hun meidentrio: Las Ketchup. Met deze naam wilden ze de vrouwelijke lijn in een fameus muziek-  en tomatengeslacht bestendigen.

In deze Muñoz-dynastie stond hun grootvader bovenaan, een vooraanstaande flamenco-artiest die El Tomate werd genoemd. Zijn zoon Juan, en de vader van de Las Ketchup-zussen, was ook een bekende flamencogitarist, en nam de bijnaam over. Sinds hij vanwege podiumvrees zijn gitaar negeerde, baatte hij restaurant El Tomate uit, in het centrum van Cordoba. Dan is er ook nog hun zeer getalenteerde broer, Juan Manuel, die nu als flamencogitarist El Tomate door het leven gaat.

Hoe deze familie aan de tomaat was geraakt leek niemand precies te weten, al generaties lang was het nou eenmaal zo, vertelt Las Ketchup in hun gezamenlijke e-mail. Wat wel vaststaat is dat de flamencomuziek en de tomaat vaker elkaars pad kruisen. ’s Werelds beroemdste flamencogitarist, José Fernandez Torre, heet niet voor niets Tomatito (kleine tomaat), en zijn getalenteerde zoon Jose del Tomate. Zij zijn weer de erflaters van flamencolegende Miguel Fernández Cortés ‘El Tomate’, en diens vader El Tomate Viejo, de oude tomaat.

Tomatito, die in maart dit jaar nog een ‘furieus’ optreden gaf in Utrecht, vermoedde dat de tomaat in de familie was gekomen omdat één van zijn voorvaderen altijd een rooie kop kreeg als hij te veel had gezopen.

Voor wie wil weten hoe de tomaat en Spanje tot elkaar zijn gekomen, moet terug naar de 16de eeuw. Bij hun ontdekking van Mexico viel het oog van de conquistadores ook op de tomaat. Aanvankelijk werd het als een sierplant beschouwd. Pas eeuwen later zou in Italië en Frankrijk het idee ontstaan dat de – toen nog – gele vrucht te eten was. Na talloze kruisingen kwam de rode kleur te voorschijn.

Tegenwoordig geldt Spanje als een van de grootste tomatenproducenten en -exporteurs van Europa: 5 miljoen ton voor de directe verkoop en de verwerkingsindustrie. Alleen Turkije en Italië produceren meer. In haar boek De tomaat en de bizarre wereld van vers voedsel (2016) schrijft Annemieke Hendriks dat de tomaat voor de export een enorme vlucht nam toen Spanje toetrad tot de Europese Unie in 1986, en er ziektebestendiger rassen opkwamen.

Je zou vermoeden dat de tomaat in Spanje een bijzondere mythische betekenis heeft, gezien het overmatig gebruik in de Spaanse keuken en het jaarlijkse tomatensmijtfeest, La Tomatina, waarmee het tomatenseizoen in het najaar wordt geopend. ‘Nee hoor’, zegt Hendriks. ‘Bij de tomaat in Spanje draait het puur om de marktwaarde. Er zijn enorme tuinbouwgebieden voor de tomaten, zoals in Almeria en Extremadura. Daar is niets sentimenteels aan. Dat is pure industrie.’

Food songs

Toen Aserejé, zoals het nummer heette, erop stond, was de debuutcd van Las Ketchup, Hijas de Tomate (dochters van de tomaat), klaar. Ze hadden veel lol gehad tijdens de opnamen, dat herinneren ze zich vooral. ‘De muzikale ideeën kwamen vooral van Queco’, laten de zussen weten. ‘Net als de teksten.’ Het was ook de producer die al snel voorstelde om de titel aan te passen. Want het was niet zomaar een nummer, meende Queco, dit was een heel bijzonder nummer, met hitpotentie van jewelste. Maar: wilden ze ooit buiten Spanje een kans maken, dan moesten ze de titel Aserejé skippen. Dat kan geen enkele buitenlandse muziekliefhebber onthouden, meende Queco, laat staan uitspreken.

The Ketchup Song was voor de marketing beter’, zo blikt hij terug. Ketchup kende immers iedereen. Hij was niet heel diep de muziekarchieven ingedoken, maar hij meende dat niet eerder een naar ketchup vernoemd nummer de hitlijsten had bestormd. De concurrerende snacksaus, mayonaise, had de Amerikaanse indierockband The Smashing Pumpkins al in 1993 naar zich toegetrokken met het nummer Mayonaise.

The Ketchup Song en Mayonaise mag je rekenen tot de categorie food songs, een omvangrijk reservoir in de muziekgeschiedenis. Dan gaat het om liedjes over of genoemd naar eten, aanwezig in alle muzikale genres, van alle tijden en continenten. De Fried Chickens, Green Onions, Vegetables, (Ice) Cream, Watermelon Man, Tandoori Nights, Taste of Honey, Catfish, Strange Fruit, Forbidden Fruit, Tutti Frutti, Strawberry Fields Forever, Mashed Potatoes en Ham ‘n’ Eggs worden ruimhartig bezongen, door de allergrootsten uit de jazz, blues, soul, hip-hop, rock-’n-roll, rock, country of salsa. Er is een schier onuitputtelijke playlist van te fabriceren. In niet alle gevallen is het trouwens om het eten zelf te doen, maar geldt het beoogde voedsel als een metafoor voor liefde, haat, wereldvrede of geslachtsorganen.

Ook ver voor The Ketchup Song had de tomaat al zijn plek opgeëist in de muzikale voedselketen, zij het in beperkte mate. Jack Ary zette in 1960 met Les Tomates de cha-cha-cha in, en de Amerikaanse countrylegende Guy Clark schreef een eerbetoon aan Homegrown Tomatoes (1981). De gebroeders Gershwin gebruikten in de jaren dertig de tomaat om het verschil in afkomst en sociale klasse te duiden, in een duet van man en vrouw. In hun nummer Let’s Call the Whole Thing Off duikt de onsterfelijke zin op: ‘you like tomato and I like tomahto’.

Zangeres Josephine Baker zette in 1958 het nummer Don’t Touch Me Tomato op de plaat, waarvan gesuggereerd werd dat het een expliciete seksuele betekenis had. Ze zong dat ze het zat was dat er een ‘mister’ aan haar tomato zat, die haar uitgebreid bevoelde en uitperste.

Een Nederlandse bijdrage in het muzikaal verdichten van de tomaat komt uit de koker van DJ Maurice (met Boldheadz en DJ Jan) en hun bonkende hardstylekraker, Tomatenplukkers. Maurice Huismans, wiens eerste vakantiebaantje tomatenplukken in het Westland was, speelde hiervoor leentjebuur van het nummer Cocaine Motherfucker van DJ Duro en schoof eigenhandig wat ‘kreetjes’ erin, zoals: ‘OK stelletje hokboeren’ en ‘Hebben jullie zin om te zuipen en te beuken?’ Verder ging het nummer van:

To to to to to to tomatenplukkers

To to to to to to tomatenplukkers

DJ Maurice is de geestelijk vader van de Snollebollekes en de veel verkochte Aprés Skihut-cd’s, een restproduct van het Rotterdamse feestcafé Aprés Skihut. Eerder had de Hagenaar zijn remix-skills toegepast op de nummers Bloemkool en Parapapaprika. Op tuindersfeesten in het Westland geldt Tomatenplukkers als ‘een klassieker’, aldus Huismans. ‘Het nummer zit vast in mijn set en werkt altijd.’

Echte tomaten

De man van De Ketchupfabriek uit Graauw was een grafisch vormgever die in 2012 het gevoel had dat niemand meer op hem zat te wachten. Als economische prikkel gaf Patrick Keizer zichzelf de opdracht een merk te bedenken, een product, mooi grafisch vormgegeven, met bijpassende website en reclame-uitingen. De hobbykok kwam uit bij ketchup, want het barstte van de soorten ketchup in de supermarkt, maar geen van allen was ‘ambachtelijk’. Keizer ging aan de slag en er rolde een ketchup uit die door een bevriend panel proefondervindelijk werd toegejuicht vanwege het simpele gegeven dat je in zijn tomatenketchup nog tomaten proefde.

Hij begon in 2013 geen ketchupfabriek, maar de eerste en enige De Ketchupfabriek. Voor het recept kwam hij terecht bij de oerversie van de tomatenketchup zoals die in 1801 door de Amerikaanse Sandy Addison in The Sugar House Book was vastgelegd. Geen chemische toevoegingen, verdikkingsmiddelen of smaak-  of conserveringsmiddelen. Alleen de smaak van echte tomaten.

In de pannen die de man van De Ketchupfabriek nu van de inductiepitten haalt, om handmatig te mixen, zitten behalve de tomaten, een enkele paprika en rode ui. De inhoud van de acht pannen wordt voorts in gezeefde toestand teruggebracht tot drie pannen die nog twee uur moeten pruttelen, met een kruidenbuiltje erin, met onder meer mosterdzaad, salie, dragon en laurierblaadjes en een schepje suiker. Dat is trouwens geen geheim, want op het flesje staat het recept.

Wat hij er zeker niet aan toevoegt, is poespas, en al helemaal geen passie. Joh, wat heeft-ie er toch een hekel aan als mensen zeggen dat ketchup wel zijn passie moet zijn. Rot op! Het is zijn vreten.

Helemaal klaar om The Ketchup Song de wereld in te slingeren, was Queco aanvankelijk nog niet. Er moest een dansje bij, om dat repeterende refrein visueel op te plussen. Door dit alles op een demonstratievideo te zetten, zouden de grote platenmaatschappijen wel happen. ‘Hebben jullie een idee?’, zei Queco in de studio tot de zussen.

‘En ter plekke bedachten we wat’, vertelt Las Ketchup. ‘Zomaar uit het niets eigenlijk. Binnen vijf minuten hadden we dat dansje. Eerst deed ieder van ons zijn eigen stappen en bewegingen apart, maar toen deden we het met zijn drieën gezamenlijk.’ Queco ‘synchroniseerde’ de dans met de muziek: ‘En zo was The Ketchup Dance geboren’, vertelt hij. Deze moves van de zussen – de handen geopend over elkaar heen zwaaien, duimen omhoog, armen omhoog, et cetera – zouden voor een groot deel het succes van het lied bepalen, weet Queco. In de officiële videoclip, geschoten in een strandtent in de badplaats Estepona, nam het dansje, gedragen door de dames in een zomerse outfit, ook een centrale rol in. ‘We zagen gebeuren dat het dansje onmiddellijk werd overgenomen, als het nummer werd gespeeld’, schrijven de zussen.

Waar Queco vurig op hoopte, samen met Las Ketchup, was dat het nummer snel opgepikt zou worden door de Spaanse radio, en dat het misschien wel een leuk zomerhitje kon worden. Maar het liep anders: het werd een verpletterende, internationale zegetocht.

‘Ja, een instant succes’, legt Queco uit. ‘De Spaanse radio draaide het aanhoudend en binnen korte tijd waren we nummer 1. Vervolgens werd het een nummer 1-hit, in drie maanden tijd, wereldwijd. Ik wist dat we iets bijzonders hadden, voor Spanje. Maar ik had nooit kunnen dromen dat het international gezien zo’n impact zou hebben. Het was zo groot, en het overkwam ons, bij verrassing.’

Als de zussen Muñoz terugdenken aan de zomer van 2002 zien ze zichzelf weer van continent naar continent vliegen, in een roes. Ze dachten voor de grap als zussen een plaatje op te nemen, misschien een paar optredens eraan vast te plakken. Maar dan dit! Het was gigantisch, het benam ze de adem. ‘We hebben vaak meegemaakt dat we geen idee hadden waar we waren’, schrijft Las Ketchup. ‘Dat we niet wisten in welk land we waren. Dat waren gekke momenten.’

Zo stonden ze in Miami om de volgende dag in Japan, Zuid-Afrika of Thailand op te treden, zonder dat ze overigens iets van de omgeving zagen. Negen maanden lang ging de ketchupdans- en zingmachine van de zussen Muñoz de wereld rond. ‘We probeerden alles als een normale situatie te beschouwen, telkens met onze voetjes op de grond te blijven’, schrijft Las Ketchup. ‘Want we zeiden toen al tegen elkaar: wat omhoog gaat, gaat ook weer naar beneden. Zo zijn we opgevoed.’

Voor vader Juan ‘El Tomate’ Muñoz was het wereldwijde succes van ‘zijn meisjes’ ook een reden om zich zorgen te maken. In het najaar van 2002 liep een verslaggever van Hola, het bekendste societyblad van Spanje, restaurant El Tomate binnen om daar de bescheiden uitbater al vroeg aan te treffen. Zijn hart was aanhoudend in Amerika, zei hij op zachte toon, waar zijn dochters op dat moment toerden. Wat hem enigszins kalmeerde was dat zijn twee zoons er ook bij waren, als gitaristen. Ook belden ze veel naar huis om te zeggen dat ze de stoofschotels, linzen en bonen van thuis zo misten.

In restaurant El Tomate had Muñoz alle foto’s van zijn zingende dochters van de muur gehaald. Nu ze beroemd waren, wilde hij niet dat mensen speciaal naar zijn zaak kwamen om naar de familiekiekjes te koekeloeren. Dan zou hij misbruik maken van de situatie. Wat hij ook nog wilde zeggen: dat hij trots op zijn dochters was, en dat hij veel vertrouwen in hen had. Ze waren goed opgevoed, met aandacht voor respect, waardigheid en gemeenschapszin. Eigenlijk hoefde hij zich geen zorgen te maken, zijn dochters lieten zich niet gek maken.

Zeven miljoen exemplaren gingen er van The Ketchup Song over de toonbank, een nummer-één-hit in 25 landen. Nu, 18 jaar later, vraagt ook Queco zich nog vaak af hoe dat nummer zo’n enorme ‘klapper’ kon worden. ‘Ik geloof dat er veel factoren zijn die het succes van een nummer beïnvloeden’, vertelt hij. ‘Geluk is daar een van, en het ondefinieerbare is een ander. Misschien was er amper concurrentie. Het was in ieder geval anders, en had een pakkend refrein en goeie hooks. Bovenal waren daar de meiden van Las Ketchup! En de kers op de taart was de dans. Catchy, en echt gefocust op het zomerseizoen.’

Wat het nummer ook goed deed, in commerciële zin, was de suggestie dat het een versleuteld bericht bevatte van de duivel. De katholieke kerk in Zuid-Amerika zette The Ketchup Song weg als satanisch en het diende te worden verbannen van de radio. Het door Queco’s kinderen verzonnen woord ‘Aserejé’ werd door geestelijken uit elkaar gehaald, en teruggebracht tot a, ser en hereje. Vertaald uit het Spaans betekende dat: ‘dat je een ketter moet zijn’. De hoofdpersoon van het liedje, de Spaanse charlatan Diego, werd door hen gezien als de personificatie van de duivel, charmant maar door en door slecht. Las Ketchup dacht dat het om een grap ging, want hoe kan een beetje gebrabbel zo’n universele godsdienstige betekenis krijgen in landen als Ecuador, Mexico en Honduras? ‘Het maakte het voor veel mensen juist extra interessant’, weet Queco. ‘Die wilden weleens luisteren naar zo’n duivelse compositie.’

Door het succes belandde er ook een brief op poten van Sugar Hill Records, de platenmaatschappij van The Sugarhill Gang, op de mat van Manuel Ruiz Queco. Er was door Las Ketchup niet alleen ruimhartig meegelift op hun raphit uit 1979, meende de platenmaatschappij, maar feitelijk gezien was het plagiaat, ook al werden de letterlijke lyrics niet gebruikt. Sylvia en Joe Robinson, eigenaren en schrijvers van Rapper’s Delight daagden Queco voor de rechter – maar hij won de rechtszaak.

Het was een wonderlijke actie van het echtpaar Robinson gezien de juridische aberraties die ze zelf achter de rug hadden nadat ze Rapper’s Delight hadden uitgebracht. Want Nile Rodgers en Bernard Edwards, gitarist en bassist van de Amerikaanse discofunkgroep Chic, vonden het maar niks dat uit hun nummer Good Times de bassline was gejat voor de rapsong. De zaak werd geschikt, en het tweetal stond voortaan als co-writer te boek.

Net als bij elke grote hit doken er ook vele covers op. Zo werd het nummer met groot succes in Duitsland gebruikt om de sociaaldemocratische kanselier Gerhard Schröder belachelijk te maken met Der Steuersong, een nummer over zijn verregaande belastingplannen. De Braziliaanse meidengroep Rouge kwam met een Portugese versie op de proppen, Ragatanga, de grootste hit van Brazilië in 2002.

Ook een Nederlandse versie kwam er in, na een bliksemsnelle actie van Corry Konings, de zangeres van de grootste Nederlandstalige hit aller tijden, Huilen is voor jou te laat (1970). Ze was in de zomer van 2002 in een discotheek in de Zuid-Spaanse badplaats Benalmádena, waar ze toen een appartement had, en hoorde The Ketchup Song voorbij komen. ‘Ik dacht: wat is dat voor een fantastisch nummer?’, vertelt ze aan de telefoon. ‘Daar moet ik iets mee, dacht ik ook, en wel zo snel mogelijk. Voordat een ander het doet.’

Ze belde Jenny Klaver, een door de wol geverfde tekstschrijver in het Nederlandstalige muziekgebied die eerder triomfeerde met Jan Boezeroen, Jacques Herb en Corry Konings. Ook zocht ze contact met een muziekstudio in Hilvarenbeek: ‘Kan ik komen inzingen? Ben nu nog in Spanje, maar ik kom eraan.’ Ze hoorde dat er kapers op de kust waren, dat andere prominente zangers er met The Ketchup Song vandoor zouden gaan. Wie? Dat wist ze niet. Drie dagen nadat ze het originele nummer voor het eerst had gehoord, zong ze in de studio haar eigen versie, samen met haar protegé Johan Heuser in duet, De Hup Hop Song:

Het gaat van Hup-Hop hé hé

We rekken en we strekken en gaan weer zakken

Je hebt het zo te pakken, oh dit kan iedereen

Op de videoclip mogen we aanschouwen dat Konings met haar jongere collega ook het dansje van Las Ketchup onder de knie had gekregen. De Hup Hop Song werd een bescheiden hit voor de Bredase koningin van het levenslied. ‘Het was een leuk liedje, met dat geweldige dansje, en dan vooral die vrolijke tekst’ – en door de telefoon zingt ze: ‘’t Is geen samba, ’t is geen tango ’t is de Hup Hop...’

Comeback

Achttien jaar na The Ketchup Song staan de zussen Muñoz in de startblokken voor een grote comebacktournee, die eerst werd uitgesteld vanwege de coronacrisis. Wat ze in hun succesvolle periode al dachten, gebeurde ook: wat omhoog gaat, gaat ook weer naar beneden. Veel succes hebben ze de afgelopen jaren niet gehad en hun deelname aan het songfestival in 2006 met het tomatenliedje Bloody Mary, eveneens geschreven door Queco, werd een deceptie. Van het met The Ketchup Song verdiende geld hebben ze allemaal een huis gekocht, en Lucia ook nog een motor, en ze hebben alledrie het muziek- en tomatengeslacht Muñoz verrijkt met kinderen.

De gewezen flamencogrootheid Juan Muñoz, bijgenaamd El Tomate, heeft restaurant El Tomate inmiddels verkocht, hij had er genoeg van. Het restaurant zelf bestaat nog steeds, onder dezelfde naam.

Manuel Ruiz Queco is muziek blijven maken. Hij pakte zijn zangcarrière weer op, en scoorde een grote hit met het nummer Tengo. Vereerd was hij dat hij het officiële clublied mocht schrijven van de voetbalclub Cordoba, een middenmoter in de Spaanse tweede divisie. ‘Ik heb een hoop geld verdiend met The Ketchup Song’, laat hij weten. ‘Dat liedje heeft er voor gezorgd dat ik comfortabel kan leven. Maar het heeft mij niet veranderd.’

Op de vraag welke ketchup de zussen Muñoz het liefste hebben, laten zij in een gezamenlijke verklaring weten dat alle ketchup goed is.

De man van De Ketchupfabriek uit Graauw giet zijn zelfgemaakte tomatenketchup over in een olijfolievaatje, met onderaan een kleine tap. Klaar staat een heel legioen platvinkies, kleine flesjes van 200 ml, waarin de ketchup terechtkomt, beplakt met een etiket. Die platvinkies zijn een eerbetoon aan Patrick Keizers ouwe vader, Jasper Keizer (1930-1995) die tijdens zijn werkzame leven in de Rotterdamse haven doorgaans een platvinkie met drank bij de hand had.

Honderd flesjes gaat Keizer vandaag vullen in De Ketchupfabriek, hij werkt vraaggestuurd. Dat is een stuk minder dan wat die andere ketchup-producent in Nederland, de Heinz-fabriek in Elst, deze dag van de lopende band laat rollen: 1,8 miljoen flessen.

Er zijn wel drie investeerders de afgelopen jaren zijn keuken binnengelopen met grote verhalen. Ze wilden iets met hem, met De Ketchupfabriek. Ze wilden ’m op een bedrijventerrein zetten, werkend onder een systeemplafond. Ze wilden dat hij efficiënter gaat werken. Ze wilden van alles. Wat kan het hem schelen, hij hoeft geen BMW of een huis in Wassenaar. In die val gaat hij niet trappen. Hij wil geen baas boven hem.

Als de man van De Ketchupfabriek klaar is met de ketchup trekt hij een Westmalle Tripel open. Daarna gaat hij Agria-aardappels schillen, gekocht bij een boerderij in de buurt, om patatten te kunnen bakken. Die eet hij in de keuken, aan tafel met zijn Lineke, met sla en een biefstuk van keurslager Tom de Boeye uit Terneuzen, samen met de specialiteit van het huis, een saus van Polderketchup, bakvet en room. 

Niks meer aan doen, zegt de man van De Ketchupfabriek tevreden, het is goed zo.

Meer over