Hoe Michaël Zeeman vijf jaar na zijn dood tot leven komt

Debatteren, optreden, recensies en beschouwingen schrijven, lezen, zeer veel lezen - Michaël Zeeman deed zoveel dat zijn gedichten op de achtergrond raakten. Nu ze vijf jaar na zijn dood zijn verzameld springt vooral zijn schuchterheid in het oog.

Michaël Zeeman. Beeld Marieke Wijntjes
Michaël Zeeman.Beeld Marieke Wijntjes

Tot de opvallende woorden in de verzamelde gedichten van Michaël Zeeman (1958-2009), die nu zijn bezorgd door zijn goede vriend Maarten Doorman, behoort 'holst'. Twee keer vond ik 'in het holst van de grot', uiteraard 'in het holst van de nacht', en ook een gedicht met de titel 'Het holste meer'. De dichter zou het vermoedelijk niet erg hebben gevonden als we bij het lezen van die enigszins gedragen verzen met veel water en verre geliefden het woord 'holst' direct verbinden met Adriaan Roland Holst (1888-1976), de vergeten Bergense bard die somtijds heel mooi onmodieus was.

Maar het gebruik van dat ongebruikelijke woord zegt ook iets over de poëzie van Zeeman zelf, de domineeszoon uit Marken die in de vijftig jaar dat hij leefde een schrikbarende hoeveelheid boeken las, recensies en beschouwingen schreef voor de Volkskrant, debatten voerde en tv-programma's maakte.

We hebben hem eigenlijk nauwelijks als dichter gekend, terwijl er twee bundels verschenen - Beeldenstorm (1991) en Verhoudingen (1995) -, waarvan de eerste met de Buddingh'-prijs is bekroond. In zijn gedichten kwam een kant van zijn persoonlijkheid aan bod die je op grond van zijn pontificale publieke optredens niet zou verwachten - en die je met termen als schuchter en bedeesd zou kunnen omschrijven. De kant waar de pijn en verlangens huisden, diep verborgen in zijn binnenste, in de donkerte; in het holst.

Je moet er moeite voor doen die kant te ontdekken. Michaël Zeeman was belezen en had er plezier in dat te laten merken. Het gonst in zijn gedichten van de verwijzingen naar het Oude Testament, naar klassieke namen en ongetwijfeld nog veel méér bewonderde dichters dan ik hier en daar meende te bespeuren (Rilke, Kouwenaar, Nijhoff). Bij een titel als 'Deux lecons de ténèbres' hoop ik dat ik goed zit met Klaagliederen van Jeremia, en dan voel ik me meteen de examinandus die bang is iets verkeerd te zeggen.

Dát effect bewerkstelligt Zeeman dus moeiteloos, vijf jaar na zijn dood, en dat zou hem beslist een tevreden lach hebben ontlokt.

Maar gelukkig bestaan veel van de gedichten uit meer dan erudiete uitsloverij. Ingetogen en gevoelig is Zeeman in regels over het wad, dat voor hem symbool staat voor een teer en tastbaar verleden, over zijn vader met wie hij al zeer vroeg elk contact verbrak, over Marken waar hij zich alleen moet hebben gevoeld.

Ineens kan hij losbarsten in een zuivere strofe over het missen van Maria: 'Ik mis je zoals je alleen maar iemands warmte/ kan missen die zomaar niet je bed beslaapt/ een zoom aanwezigheid verwacht die ontbreekt/ te weten dat er naast je niemand zwijgt.'

Het lukt hem zelden zich bevrijd en zorgeloos te weten. 'Zonder gedachten, liefst, woordeloos' zou hij de huid van een ander willen voelen, maar de man van al die woorden heeft geen idee hoe dat zou moeten.

Hij verzoekt een beminde hem te 'ontketenen', in het roerende gedicht 'Noli me tangere' (jaja, Jezus via het Evangelie van Johannes). De grote man kwam uit de klei en zou nooit dartel als een zuiderling kunnen zijn. Met uitbundigheid acteren kwam hij trouwens nog een heel eind.

Tussen de bombast en de grote woorden verstopte Zeeman ook tere regels en oprechte gevoelens, 'zonder een spoor van/ bedrog in mijn stem, zonder een rest/ van bejag in mijn woord.'

In het gedicht 'Bevindelijkheid' schreef hij dit: 'Toen er taal noch teken kwam/ zocht ik je in al die regels.' Nu Michaël Zeemans stem alweer vijf jaar is verstomd, wordt dat zoveel als een opdracht die ons niet altijd licht valt, maar die zeker lonend is.

Meer over