Hoe ik een beroemde Nederlander werd

Godijn verweert zich geestig tegen populaire 'oestrogeenthrillers'

Daniëlle Serdijn

Als motto van een literaire roman maken de woorden van Geert Wilders een even krankzinnige als angstaanjagende indruk: 'Miljoenen, tientallen miljoenen moslims zullen uit Europa moeten vertrekken.' In literatuur krijgen zulke woorden spanwijdte doordat er allerlei associaties mee resoneren. Dat maakt Wilders' boodschap gelaagd, wat ons naar de paradox brengt dat uitgerekend deze politicus beduidend meer te vertellen heeft in literaire fictie.

In Hoe ik een beroemde Nederlander werd, de vierde roman van dichter/schrijver Wouter Godijn (1955), wordt alleen in het motto de naam van Wilders genoemd. Een fictieve figuur, Vaandels, neemt het daarna over.

Godijn opent zijn verhaal met een idyllische scène. Daarin zien we een kleine jongen, Wilfried, op zoek naar vissen, liefst een snoek. Het is een oer-Hollandse hengelaar. We lezen dat hij 'uitzinnig gelukkig' is, tot aan het moment dat Wilfried zich bezeert en huilend om zijn moeder roept. Wanneer zij de weg op rent om hem te troosten, wordt ze door een aanstormende auto aangereden en overlijdt.

Dan blijkt dat we in het verhaal zitten waaraan een schrijver bezig is, die vast zit. Onderwijl beschrijft Godijn hoe het deze schrijver vergaat: hij is weg bij zijn vrouw, Martha. Hij beschrijft de opkomst en ondergang van hun relatie. Oorzaak: een langdurige affaire met een andere vrouw over wie Godijn venijnig grappige dingen vertelt.

Bijvoorbeeld dat de schrijver haar zijn oeuvre cadeau doet, maar dat zij nauwelijks leest. Wel slobbert ze bij iedere ontmoeting al zijn zaad weg, waardoor ze dat wat hij te bieden had in zekere zin al had ingenomen, wat lezen overbodig maakte.

Maar er is meer. Bespiegelingen over de politiek van Vaandels, inclusief de mentaliteit die daardoor heeft postgevat, het schrijverschap, verwondering over - en jaloezie op het succes van vrouwelijke thrillerauteurs. 'Oestrogeenthrillers', noemt Godijn ze. Het type schrijfster, altijd 'geblondeerd', dat erbij hoort, moet weinig van hem hebben. Ook dat levert tragikomische inzichten op. Van dezelfde lap is het commentaar van zo'n succesvolle thrillerautrice. Die bijt hem toe: 'De bloeitijd van de moderne literatuur, die ergens halverwege de negentiende eeuw begon, is afgelopen. Weet je waarom? Omdat de moderne literatuur heeft gefaald... Jullie literaire schrijvers zouden ons min of meer verlossen. Jullie kunnen niet eens jezelf redden, laat staan iemand anders.'

High art, zoals de thrillerschrijfster het noemt, geeft lezers het gevoel dat ze tekortschieten. De Toverberg, De Avonden, Ulysses. Het heeft lezers verveling gebracht, schrijft ze, en gevoelens van minderwaardigheid: 'Ik ben kennelijk niet goed genoeg voor dit boek.'

Doet de literaire schrijver er nog toe in een tijd waarin misdaadlectuur het predicaat 'literair' krijgt om lezers een goed gevoel te geven? Het zijn gedachten waar menig debatcentrum een literaire avond omheen zou kunnen bouwen

En dan is er nog Vaandels, die al evenmin iets opheeft met wat voorheen de hogere kunsten werden genoemd. Linkse hobby's. Meer en meer trekt de schrijver zich terug, totdat Vaandels ineens voor zijn deur staat.

Lumineus en met de nodige zelfspot vertolkt Godijn de rol van de schrijver. Zijn verhaal is licht en waarachtig, geestig en bloedserieus. Zijn taal bruist. Talloze zinnen verdienen het hardop te worden voorgelezen: '...vaak was ze er niet in geslaagd hoger te stijgen dan een 5,6, 6,1: krappe voldoendes, schutkleur voor haar intelligentie.' Uw toehoorder zal gniffelen.

Meer over