JeugdPjotr van Lenteren

Hoe groot het heelal is en wat de dood betekent, mét scheten en piemelgrappen

Jacques Vriens (1946) en Koos Meinderts (1953) schrijven allebei over hun jeugd.

Het is niet ongebruikelijk dat kinderboekenauteurs over hun eigen jeugd schrijven, zeker als het om spannende herinneringen gaat. Jan Terlouw, die in november 90 wordt, schreef lang geleden al zijn eigen Oorlogswinter. De 92-jarige Dolf Verroen deed onlangs hetzelfde met Oorlog en vriendschap en Niemand ziet het. Maar dat waren uitzonderlijke jongensjaren.

Een gewone, naoorlogse jeugd rechttoe-rechtaan opschrijven, zonder het plot op te kloppen: wie dát voor elkaar krijgt, kan pas écht vertellen. Onlangs verschenen de min of meer ware memoires van Jacques Vriens (1946) en Koos Meinderts (1953).

Vriens heeft een braaf imago en dat is niet helemaal terecht. In Jakob en de zeven gevaren (Van Holkema & Warendorf; € 15,50; 10+) laat zijn nauwelijks verholen alter ego Jakob Veenman op het hoogtepunt zijn valse kant zien. Als hij eindelijk voor zichzelf opkomt, haalt hij ook meteen goed uit. De pelpinda’s vliegen door de kamer en een veel grotere klasgenoot krijgt klappen. Zijn vriendin, die hem soms maar een doetje vindt, smult ervan.

null Beeld Van Holkema & Warendorf
Beeld Van Holkema & Warendorf

De voortvarende Claartje is de eigenlijke held van het boek. Ze maakt geen geheim van haar gevoelens voor Jakob. Als kleuters zaten ze al bij elkaar in bad. Dat wil ze nog wel een keer, oppert ze ongegeneerd. Ze neemt rock-’n-roll-plaatjes mee en sleurt Jakob swingend door de huiskamer. Jakob weet niet goed wat hij ermee aan moet, maar als ze met tbc in een sanatorium in het bos wordt opgenomen, verricht hij alsnog de heldendaad waar ze zo haar best voor heeft moeten doen. Heel aandoenlijk.

Ondertussen lezen we hoe zijn gescheiden moeder niet meer ter communie mag, ‘de grote heilige gum’ maandelijks over kleinere zonden wordt gehaald en over zijn klas: tweeënvijftig jongens in één lokaal. Waarmee de schrijvende schoolmeester terug is bij zijn favoriete onderwerp: goed onderwijs.

Maanlanding

Koos Meinderts groeide op in Den Haag in de jaren zestig. Een periode die op de jaren vijftig voor heeft dat er wat spectaculaire ontwikkelingen waren, zoals een maanlanding en Feijenoord, dat de Europacup wint – in het gezin van Henk Bakker en zijn broer Rocco is vooral het laatste van belang. Als Henk midden in de nacht in zijn eentje ontroerd naar het bibberende beeldscherm staart, mag alleen zijn grote zus Wendy zijn gevoelens weten.

In Stapelbedbroers (Hoogland & Van Klaveren; € 15,95; 10+) vormt broederliefde de boventoon. Er wordt een hoop over seks gepraat, naar aanleiding van de buurvrouw, die zich omkleedt voor het raam, maar ook over hoe groot het heelal is, wat de dood betekent en wat ze willen gaan doen in hun leven. Thema’s die Meinderts in al zijn boeken aansnijdt, maar zelden zo concreet. En luchtig: er gaat geen gesprek voorbij zonder grappen over piemels en scheten. En potverdorie, zo hoort het ook.

null Beeld Hoogland & Van Klaveren
Beeld Hoogland & Van Klaveren

Tot Henks aanvankelijke frustratie en jaloezie wordt Rocco bij het voetbal gescout en hij niet, maar hij mag wel naar het gymnasium, schoorvoetend en met enige hulp van zijn studerende voetbaltrainer. Ondertussen blijkt zijn 16-jarige zus zwanger, ze deelt het geheim alleen met Henk, moet zijn moeder schoonmaken om de huishoudkas aan te vullen en moppert zijn vader over zijn mislukkende klusbedrijf en vrouwelijke Zwarte Pieten. ‘De wereld is gek geworden.’

Meinderts is van de twee overduidelijk de beste verteller. Vriens leest lekker weg, maar de taal van Meinders staat meteen al in de eerste zin in de fik. Het maakt niet uit dat er weinig gebeurt, het is de manier waarop er weinig gebeurt, die maakt dat het boek nog twee keer zo dik had mogen zijn. Waren alle historische kinderboeken maar zo onderhoudend.

Meer over